Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0308

Datum uitspraak2006-10-18
Datum gepubliceerd2006-10-18
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersKG 06/1044
Statusgepubliceerd


Indicatie

Hervormde Gemeente die is overgegaan in de PKN, vordert ontruiming van de pastorie door de voormalige predikant van deze gemeente, die heeft aangegeven niet als predikant verbonden aan de PKN te willen functioneren, zodat hij per 1 mei 2004 uit zijn functie is ontheven. Het gaat in dit kort geding om de vraag of de pastorie te kwalificeren is als een dienstwoning. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat thans onvoldoende vast dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat sprake is van een dienstwoning. De vordering tot ontruiming wordt afgewezen.


Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE sector civiel recht - voorzieningenrechter Vonnis in kort geding van 18 oktober 2006, gewezen in de zaak met rolnummer KG 06/1044 van: DE HERVORMDE GEMEENTE TE KATWIJK AAN ZEE, gevestigd te Katwijk, eiseres, procureur mr. G.C.W. van der Feltz, tegen: [gedaagde], wonende te Katwijk, gedaagde, advocaat mr. P.J. den Boef te Amersfoort. Partijen worden hierna aangeduid als "de Hervormde Gemeente" en "[gedaagde]". 1. De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 19 september 2006 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 1.1. [Gedaagde] is sedert 24 mei 1990 als predikant verbonden aan de Nederlands Hervormde Kerk (hierna: "NHK"), laatstelijk - sedert 14 augustus 1999 - aan de Hervormde Gemeente, wijkgemeente De Noord. [Gedaagde] is ingevolge zijn ambt als predikant niet als werknemer in dienst bij de Hervormde Gemeente. De rechten en verplichtingen van [gedaagde] zijn opgenomen in "de Ligger van de rechten en plichten verbonden aan de predikantenplaats gevestigd bij (de wijkgemeente no 1 van) de Hervormde Gemeente te Katwijk aan Zee" (hierna: "de ligger"). In de ligger is onder meer het navolgende vastgelegd: "I. De ambtswoning A. Het bewonen - naar de regelen daarvoor in de generale regeling voor de predikantstraktementen gesteld - van de ambtswoning met tuin, eigendom van de kerkelijke gemeente, kadastraal bekend als A 13067 gelegen aan [adres] niet belast met voor de bewoner van belang zijnde erfdienstbaarheid, ten aanzien van welke ambtswoning de kosten verbonden aan het gebruik van de waterleiding voor rekening komen van de gemeente en die van het watergebruik voor rekening van de predikant. B. Indien krachtens verleend dispensatie geen ambtswoning ter beschikking wordt gesteld of de gemeente de beschikking voor het door haar daarvoor gehuurde huis verliest, wordt jaarlijks een vergoeding voor het gemis van een ambtswoning gegeven, naar de daarvoor in de generale regeling voor de predikanten gestelde bepalingen." 1.2. [gedaagde] bewoont sedert 14 augustus 1999 met zijn gezin de woning aan de [adres] te Katwijk aan Zee (hierna: "de pastorie"). 1.3. Op 1 mei 2004 zijn -op landelijk niveau- de NHK, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden verenigd in de Protestantse Kerk in Nederland (hierna: "PKN"). Predikanten van de NHK die op 1 mei 2004 geen ontheffing van het ambt hebben gevraagd of zelf hun ambt in de NHK hebben neergelegd zijn met ingang van 1 mei 2004 predikant van de PKN. 1.4. In artikel 28 en verder van de Overgangsbepalingen van de Kerkorde van de PKN (hierna: "de Overgangsbepalingen") is een regeling getroffen voor groepen gemeenteleden, die hebben besloten de NHK niet in de PKN te volgen. Hiervoor is de Commissie van Bijzondere Zorg (hierna: "CBZ") in het leven geroepen die voor een dergelijke groep leden indien nodig voorlopige dan wel definitieve maatregelen treft. De definitieve besluiten van de CBZ worden voorgelegd aan de Kleine Synode van de PKN, die bevoegd is de voorziening binnen 30 dagen af te wijzen. In artikel 33 van de Overgangsbepalingen is voor zover van belang het volgende opgenomen: "Indien de (...) ambtsdragers en/of gemeenteleden overgaan tot de vorming van een nieuwe kerkgemeenschap die krachtens het bepaalde in artikel 2:2 BW rechtspersoonlijkheid bezit, treft de commissie - met in achtneming van de omstandigheden ter plaatse en onverminderd het in overgangsbepaling 32 bepaalde - een voorziening met het oog op het komen tot een nieuw kerkelijk leven van betrokkenen". 1.5. De kerkenraad van de wijkgemeente de Noord en haar predikant [gedaagde] hebben voor 1 mei 2004 aan het moderamen van de generale synode van de NHK medegedeeld dat zij geen deel wensen uit te maken van de PKN. 1.6. De Generale Synode van de PKN heeft bij brief van 14 juni 2004 per 1 mei 2004 [gedaagde] van zijn ambt ontheven, zodat hij met ingang van die datum niet meer aan de Hervormde Gemeente is verbonden. 1.7. Bij vonnis d.d. 11 mei 2004 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in een kortgeding aangespannen door onder meer [gedaagde] als eiser tegen de Hervormde Gemeente als gedaagde -onder meer- geoordeeld : "4.5. Nu eisers hebben aangegeven geen onderdeel te willen uitmaken van de PKN, brengt dat in beginsel mee dat zij geen aanspraken jegens gedaagde geldend kunnen maken, waaronder de aanspraken op het doorbetalen van het traktement van eisers sub (...) 17. (Rb: lees [gedaagde]), het gebruik van de huisvesting door hen en van de kerkgebouwen door alle (ontvankelijke) eisers. 4.6.(...)De huisvesting van de predikanten in hun ambtswoning is door gedaagde toegezegd tot 1 november 2004. Deze toezegging wordt eveneens redelijke geacht. Aangenomen wordt dat die toezegging gestand wordt gedaan." 1.8. [gedaagde] is sedertdien als predikant (in deeltijd) werkzaam bij de wijkgemeente de Noord van de (zich thans noemende) Hersteld Hervormde Gemeente te Katwijk aan Zee. 1.9. Bij brief d.d. 30 september 2004 heeft de Generale Synode van de PKN aan [gedaagde] (nogmaals) medegedeeld de ambtswoning tijdelijk tot 1 november 2004 door [gedaagde] mag worden bewoond. Voorts heeft de Generale Synode van de PKN in deze brief [gedaagde] geadviseerd zo spoedig mogelijk contact op te nemen met de CBZ nu de CBZ bevoegd is in dit kader (voorlopige) maatregelen te treffen. 1.10. In de periode van eind oktober 2005 tot en met januari 2006 is tussen onder meer [gedaagde] en de Centrale Kerkenraad van de Hersteld Hervormde Gemeenten te Katwijk aan Zee aan de ene zijde en het College van Kerkrentmeesters van de Hervormde Gemeente en de CBZ aan de andere zijde onderhandeld over de voorwaarden waaronder een bespreking tussen partijen zou kunnen plaatsvinden. In de correspondentie en tijdens de twee besprekingen -die als gevolg van onoverbrugbare verschillen van inzicht voortijdig zijn beëindigd- zijn partijen niet verder gekomen dan het bespreken van procedurele aangelegenheden. 1.11. De CBZ heeft per brief d.d. 7 juni 2006 aan de Centrale Kerkenraad van de Hersteld Hervormde Gemeente te Katwijk aan Zee, voor zover van belang, het navolgende bericht: "Daar er tot op heden geen (of slechts enkele) verzoeken zijn gedaan om beëindiging van de registratie als lid van de hervormde gemeente (...) en wij er niet in geslaagd zijn met u te spreken over een (gezamenlijke) ledenontvlechting moet de commissie thans constateren dat zij geen duidelijkheid heeft kunnen verkrijgen over het aantal gemeenteleden van de Hervormde gemeente Katwijk per 30 mei 2004 dat van overtuiging is geen deel uit te kunnen maken van de Protestante Kerk in Nederland. Dientengevolge wordt niet voldaan aan het bepaalde in overgangsregeling 33 PKO en kan de commissie geen definitieve voorziening treffen." 1.12. De Hervormde Gemeente heeft bij brieven d.d. 8 juni 2006, 7 juli 2006 en 26 juli 2006 [gedaagde] gesommeerd de pastorie uiterlijk op 1 oktober 2006 te verlaten. [gedaagde] heeft aangegeven hier niet aan te zullen voldoen. 1.13. Bij brief van de advocaat van de Hervormde Gemeente d.d. 18 augustus 2006, is [gedaagde] nogmaals verzocht binnen acht dagen schriftelijk te bevestigen dat hij de pastorie uiterlijk op 1 oktober 2006 zal ontruimen. Voorts is aan [gedaagde], dan wel aan de Hersteld Hervormde Gemeente te Katwijk aan Zee, aangeboden om de pastorie te kopen tegen de waarde die de pastorie in onverhuurde staat in het economisch verkeer vertegenwoordigt, waarbij de levering moet plaatsvinden voor 30 september 2006. 1.14. In reactie op voornoemd schrijven heeft [gedaagde] bij brief d.d. 25 augustus 2006 aan het College van Kerkrentmeesters bericht dat hij bereid is over de aankoop van de pastorie te praten, maar dat de voorgestelde waardering van de pastorie in het licht van de situatie niet reëel is. 1.15. Bij brief d.d. 28 augustus 2006 heeft de advocaat van de Hervormde Gemeente aangegeven dat nu [gedaagde] het aanbod niet heeft geaccepteerd en niet heeft aangegeven bereid te zijn de pastorie vrijwillig te ontruimen, [gedaagde] in rechte zal worden betrokken. 1.16. De Hervormde Gemeente is aangevangen met de beroepingsprocedure die naar verwachting op korte termijn zal leiden tot de komst van een nieuwe predikant die de in haar gemeente opengevallen predikantenplaats van [gedaagde] zal gaan opvullen. 2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer De Hervormde Gemeente vordert -zakelijk weergegeven- dat [gedaagde] wordt veroordeeld de pastorie binnen vijf dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis te verlaten en te ontruimen, deze bezemschoon op te leveren en aan de Hervormde Gemeente met overhandiging van de sleutels ter beschikking te stellen, met de machtiging aan de Hervormde Gemeente deze ontruiming zonodig voor rekening van [gedaagde] te effectueren met behulp van de sterke arm van justitie en politie, een en ander onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,--. Daartoe voert de Hervormde Gemeente het volgende aan. De NHK is overgegaan in de PKN. [gedaagde] heeft aangegeven niet als predikant verbonden aan de PKN te willen functioneren, zodat hij per 1 mei 2004 uit zijn functie is ontheven. Nu hem slechts in het kader van de uitoefening van zijn ambt de pastorie als ambtswoning ter beschikking is gesteld, is [gedaagde] niet langer bevoegd daarvan gebruikt te maken. Het gebruik na 1 mei 2004 geschiedt mitsdien zonder recht of titel en dient thans te worden beëindigd. [Gedaagde] voert gemotiveerd verweer dat hierna, voorzover nodig, zal worden besproken 3. De beoordeling van het geschil 3.1. [Gedaagde] heeft primair aangevoerd dat de Hervormde Gemeente onvoldoende spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Dit verweer faalt. Onweersproken is dat de Hervormde Gemeente een nieuwe dominee als opvolger van [gedaagde] voor de wijkgemeente De Noord wenst aan te stellen en voldoende aannemelijk is dat deze op korte termijn zijn werkzaamheden zal aanvangen. Ingevolge artikel 10 van de generale regeling voor predikantstraktementen dient de Kerkenraad van de Hervormde Gemeente in beginsel zorg te dragen voor een passende woning voor deze dominee. In dit verband wenst de Hervormde Gemeente te beschikken over de pastorie teneinde deze als ambtswoning te kunnen aanbieden. Aldus heeft de Hervormde Gemeente voldoende spoedeisend belang en is zij derhalve in haar vorderingen ontvankelijk. 3.2. Vast staat dat [gedaagde] sedert 1 mei 2004 werkzaam is als predikant van de Hersteld Hervormde Gemeente te Katwijk aan Zee en sedert voornoemde datum geen werkzaamheden meer verricht voor de Hervormde Gemeente. In geschil tussen partijen is of [gedaagde] als gevolg hiervan de pastorie dient te verlaten en te ontruimen. Kernpunt betreft de beantwoording van de vraag of de pastorie te kwalificeren is als een (eigenlijke) dienstwoning, zodat [gedaagde] geen beroep toekomt op huurbescherming. Op zichzelf is het juist dat de voorzieningenrechter in het vonnis van 11 mei 2004 vooralsnog heeft geoordeeld dat [gedaagde] jegens de Hervormde Gemeente in beginsel geen aanspraken geldend kan maken waaronder aanspraken op gebruik van huisvesting. In die procedure was daadwerkelijke ontruiming van de pastorie door [gedaagde] niet aan de orde (de Hervormde Gemeente was daar de gedaagde partij). Eerst in het kader van de onderhavige procedure is de discussie omtrent de vraag of [gedaagde] gehouden is de pastorie te ontruimen in volle omvang gevoerd. Gegeven de daarbij naar voren gebrachte (nieuwe) feiten en omstandigheden leidt dit thans tot een andersluidend voorlopig oordeel. 3.3. Bij de beoordeling wordt voorop gesteld dat in beginsel van een dienst- of ambtswoning sprake is indien een bepaalde woning ter beschikking is gesteld met het oog op de aard van de uit de werkzaamheden voortvloeiende verplichtingen en de verplichting tot bewoning daarvan voortvloeit uit de contractuele relatie. Ook kan sprake zijn van een dienstwoning indien bewoning niet strikt noodzakelijk is maar wel bevorderlijk voor het op de juiste wijze uitoefenen van de betreffende functie. 3.4. Ingevolge hetgeen tussen partijen in de ligger is overeengekomen, diende de Hervormde Gemeente aan [gedaagde] een "ambtswoning" aan te bieden. Indien terzake geen dispensatie werd verkregen, diende [gedaagde] die woning ook te bewonen. Vast staat dat de pastorie in dit kader door de Hervormde Gemeente is aangeboden en door [gedaagde] sedertdien daadwerkelijk wordt bewoond. Dat bewoning van de pastorie is aangewezen met het oog op de aard van de te verrichten werkzaamheden danwel als zodanig ook nodig danwel bevordelijk is in de hiervoor onder 3.3. vermelde zin, is vooralsnog echter onvoldoende aannemelijk geworden. In dit verband wordt overwogen dat onweersproken is dat geen sprake is van bepaalde specifieke voorzieningen die in de pastorie zijn getroffen in verband met het uitoefenen van de functie van predikant door [gedaagde] (of zijn voorgangers). Evenmin is gesteld of gebleken dat de woning ruimte biedt voor het verrichten van pastorale werkzaamheden. Het gaat hier om een woning (met garage) aan de boulevard in Katwijk aan Zee die zich noch naar indeling noch naar uiterlijke kenmerken onderscheidt van de overige (aangrenzende) woningen in die straat. Daarnaast staat vast dat de pastorie niet is gelegen naast of in de nabijheid van het kerkgebouw van de wijkgemeente De Noord. De woning is immers gesitueerd buiten het kerkelijk gebied van deze wijkgemeente. Ook de omstandigheid dat de pastorie aan [gedaagde] te koop is aangeboden geeft een aanwijzing dat het bewonen ervan geen direct verband houdt met het uitoefenen van de functie van predikant bij de Hervormde Gemeente. Verder zijn, ook in de visie van de Hervormde Gemeente, in Katwijk aan Zee voldoende gelijkwaardige woningen te huur of te koop. Vooralsnog moet aangenomen worden dat ook deze woningen als passend in de zin van de ligger beschouwd kunnen worden. Onder deze omstandigheden staat thans onvoldoende vast dat in een eventuele bodemprocedure zal worden beslist dat de pastorie is te kwalificeren als een (eigenlijke) dienstwoning en dat [gedaagde] mitsdien geen aanspraak zou kunnen maken op huurbescherming. 3.5. Gelet op het voorgaande komen de vorderingen van de Hervormde Gemeente thans niet voor toewijzing in aanmerking. De Hervormde Gemeente zal verder, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. 4. De beslissing De voorzieningenrechter: wijst het gevorderde af; veroordeelt Hervormde Gemeente in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 1.064,-- waarvan € 816,-- aan salaris procureur, € 248,-- aan griffierecht; verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. E.A.G.M. van Rens en uitgesproken ter openbare zitting van 18 oktober 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.