
Jurisprudentie
AZ0282
Datum uitspraak2006-10-13
Datum gepubliceerd2006-10-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/3839 TW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/3839 TW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Beëindiging recht op toeslag krachtens TW. Voldoet betrokkene aan voorwaarde dat zijn inkomen lager is dan minimiumloon?
Uitspraak
04/3839 TW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 mei 2004, 03/1673 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 13 oktober 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2006. Appellant is daar – met voorafgaand bericht – niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.
II. MOTIVERING
Appellant ontving sinds 13 oktober 1977 wegens bij hem bestaande arbeidsongeschiktheid uitkeringen krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Sedert
1 februari 1989 ontving appellant tevens een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW). Bij besluit van 7 februari 2001 heeft de rechtsvoorganger van het Uwv de aan appellant toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van 29 juli 1999 herzien en nader vastgesteld naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Bij besluit van 15 november 2002 heeft het Uwv ingaande 29 juli 2000 de ingevolge de TW toegekende toeslag beëindigd, op de grond dat appellant niet langer voldeed aan de voorwaarde, dat hij per dag een inkomen heeft dat lager is dan het minimumloon. Daarbij is het Uwv er van uitgegaan dat het inkomen van appellant € 91,04 per dag bedroeg en het minimumloon € 63,73 per dag.
Bij beslissing op bezwaar van 15 april 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van 15 november 2002 na bezwaar gehandhaafd.
Nadat namens appellant tegen het bestreden besluit beroep was ingesteld, heeft het Uwv een door de rechtbank voorgelegde vraag bij brief van 3 mei 2004 als volgt beantwoord:
“Uit de gegevens in het dossier blijkt dat eisers recht op toeslag had moeten worden beëindigd met ingang van de ophoging van zijn Wao-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%, dus met ingang van 29 juli 1999. Per abuis is dit eerst met ingang van 29 juli 2000 gebeurd, kennelijk doordat er per vergissing is uitgegaan van een wachttijd van
52 weken sinds de toename van de arbeidsongeschiktheid. Zorgvuldigheidshalve zullen wij op de gehanteerde onjuiste datum niet terugkomen.
Voor wat betreft de in de beslissing op bezwaar van 15 april 2003 genoemde beroepsprocedure moeten wij u mededelen dat hier sprake is van een feitelijke onjuistheid, die naar ons oordeel geen gevolgen heeft voor de juistheid van de beëindiging van het recht op toeslag. Juist is de volgende omschrijving van gebeurtenissen die hebben geleid tot het nemen van de bestreden en in bezwaar gehandhaafde beslissing:
‘Bij uitspraak van 9 juli 1999 heeft de rechtbank uw beroep ongegrond verklaard, hetgeen betekende dat wij u terecht ingaande 1 juni 1995 voor 35-45% arbeidsongeschikt achtten.
Vervolgens meldde u zich ingaande 1 juli 1999 toegenomen arbeidsongeschikt. Die toename kon naar ons oordeel niet leiden tot verhoging van uw uitkering, aangezien u voor de toename van uw klachten niet verzekerd was.
Tegen dit oordeel bent u in bezwaar gekomen, hetgeen leidde tot de beslissing op bezwaar van 7 februari 2001. Met die beslissing op bezwaar bent u ingaande vier weken na 1 juli 1999, ingaande 29 juli 1999 derhalve, voor 80-100% arbeidsongeschikt geacht. De toename van uw klachten kwam voort uit dezelfde ziekteoorzaak als die had geleid tot het toekennen van de uitkering, u was dus wel verzekerd.
Bij de afhandeling van de bezwaarprocedure werd vastgesteld dat aan u uitkering moest worden nabetaald en dat de door u genoten bijstandsuitkering moest worden verrekend. Verder moest opnieuw worden beoordeeld of u, met het oog op de verhoging van uw Wao-uitkering, ingaande 29 juli 2000 nog recht had op een toeslag.’
Wij verzoeken u de bestreden beslissing aldus gewijzigd te lezen.
Voorts verzoeken wij u, indien de gevraagde eerder ontbrekende gegevens naar uw oordeel tot gegrondverklaring van het beroep zouden moeten leiden, het beroep niet terug te verwijzen doch op basis van de inmiddels bekende gegevens zelf te voorzien in de zaak, dan wel de rechtsgevolgen in stand te laten. Eisers inkomen lag immers ook op de naar nu blijkt onjuiste datum 29 juli 2000 met € 91,04 boven het minimum van € 63,73 per dag, zodat terecht is geoordeeld dat hij geen recht meer had op toeslag.”
Ter zitting van de rechtbank op 12 mei 2004 is voorts door de gemachtigde van het Uwv – onder meer – verklaard dat zowel in het primaire besluit als in de beslissing op bezwaar onjuiste bedragen zijn vermeld. Ten tijde van belang bedroeg het gezinsinkomen van appellant in werkelijkheid € 63,73 per dag (= 70% van het dagloon), terwijl het minimumloon € 55,65 per dag was.
De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat geen aanleiding bestaat consequenties te verbinden aan de onjuiste motivering van het bestreden besluit, nu niet is gebleken dat appellant daardoor in zijn belangen is geschaad. De rechtbank heeft in dit verband vastgesteld dat ook op grond van de ter zitting genoemde bedragen het gezinsinkomen van appellant vanaf 29 juli 2000 hoger was dan het minimumloon, zodat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat met ingang van die datum geen recht op toeslag ingevolge de TW meer bestond.
In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat appellant met ingang van 29 juli 2000 geen recht meer had op toeslag ingevolge de TW. Appellant meent namelijk onveranderd recht te hebben op een toeslag op grond van de TW, aangezien zijn WAO-uitkering per die datum minder bedraagt dan het voor hem geldende minimumloon.
De Raad overweegt als volgt.
Evenals de rechtbank komt de Raad tot het oordeel dat het Uwv terecht en op goede gronden de aan appellant toegekende toeslag ingevolge de TW ingaande 29 juli 2000 heeft beëindigd. De Raad stelt vast dat appellant er niet in geslaagd is zijn stelling, dat hij na die datum nog aan de voorwaarden voor het recht op toeslag voldeed, te onderbouwen.
Naar het oordeel van de Raad kan het bestreden besluit van 15 april 2003 echter desondanks niet in stand blijven. Het besluit is immers – naar van de zijde van het Uwv is erkend – gebaseerd op onjuiste bedragen, waardoor voor appellant onduidelijkheid is ontstaan omtrent zijn aanspraak op toeslag. Het besluit dient derhalve wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden vernietigd. Nu deze onjuiste motivering niet kan leiden tot continuering van het recht op toeslag ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.
Ten slotte acht de Raad termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 483,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 805,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 15 april 2003 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 805,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 133,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2006.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) P.H. Broier.