
Jurisprudentie
AZ0258
Datum uitspraak2006-10-04
Datum gepubliceerd2006-10-17
RechtsgebiedFaillissement
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers121500
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-17
RechtsgebiedFaillissement
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers121500
Statusgepubliceerd
Indicatie
Aan de bank verpande inventaris is binnen één jaar vóór het faillissement verkocht aan een zustervennootschap van curanda. De koopprijs is door curanda geleend aan de zuster en deze vordering is weer verpand aan de bank. Er is sprake van benadeling in de zin van artikel 42 Fw nu er geen vrij boedelactief is waarop de fiscus zich kan verhalen. De verkoop van de inventaris is nietig.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK HAARLEM
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 121500 / HA ZA 06-206
Vonnis van 4 oktober 2006
in de zaak van
MR. ROBERT JOHAN FRANS
in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Marvos B.V.,
wonende te Zaandijk, gemeente Zaanstad,
eiser,
procureur mr. G.J.F. Voss,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ROTASLIT INTERNATIONAL B.V.,
gevestigd te Westzaan, gemeente Zaanstad,
2. [GEDAAGDE sub 2],
wonende te [woonplaats], gemeente [X],
gedaagden,
procureur mr. H. Oomen,
advocaat mr. K.A. Cerutti te Hoorn.
Partijen zullen hierna curator en Rotaslit c.s. genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 31 mei 2006
- het proces-verbaal van comparitie van 14 juli 2006.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1. Bij vonnis van de rechtbank Haarlem van 6 september 2005 is de besloten vennootschap Marvos B.V., verder te noemen Marvos, in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. R.J. Frans tot curator.
2.2. De aandelen in Marvos zijn in eigendom van [gedaagde] Beheer B.V., verder te noemen Beheer. Beheer is voorts enig aandeelhouder in Marvex International B.V., verder te noemen Marvex, welke vennootschap enig aandeelhouder is in Rotaslit. Het (feitelijke) bestuur van voornoemde vennootschappen wordt gevoerd door gedaagde sub 2, verder te noemen [gedaagde]. De groep van bedrijven richtte zich op de bewerking van en handel in plastic folies.
2.3. Bij overeenkomst van 3 januari 2005 heeft Marvos alle materiële vaste activa, te weten verbouwingen, machines en inventaris volgens aan de overeenkomst gehechte specificaties verkocht aan Rotaslit. De koopsom bedroeg EUR 212.701,00, welk bedrag door Rotaslit is geleend van Marvos. Deze lening moest Rotaslit terugbetalen in 3 jaar vermeerderd met rente gelijk aan het rendement op 10-jaars staatsobligaties, te vermeerderen met 2 %. De boekwaarde van de overgedragen activa bedroeg volgens de balans in de jaarstukken van Marvos per 31 december 2004 EUR 562.101,00.
2.4. Op het moment van het faillissement van Marvos was Rotaslit uit hoofde van de lening nog een bedrag van EUR 122.701,52 verschuldigd. Aflossing had plaatsgevonden middels verrekening met vorderingen van Rotaslit op Marvos wegens door Rotaslit aan Marvos verrichte leveringen en wegens verhuur door Rotaslit aan Marvos.
2.5. Bij brief van 12 oktober 2005 heeft de curator ingevolge artikel 42 Faillissementswet (Fw) de nietigheid ingeroepen van de overeenkomst tot verkoop zijdens Marvos en daarbij ook een beroep gedaan op artikel 43 Fw, nu de overeenkomst onverplicht is aangegaan binnen 1 jaar voorafgaand aan het faillissement van Marvos.
2.6. Bij overeenkomst gedateerd 14 oktober 2005 heeft Rotaslit machines en transportmiddelen verkocht aan Multidisplay B.V., verder te noemen Multidisplay, voor EUR 108.000,00.
3. De vordering
3.1. De curator vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
1 voor recht verklaart dat de overeenkomst tot koop en verkoop van 3
januari 2005 en de daarmee samenhangende overeenkomsten nietig zijn;
2 Rotaslit c.s. veroordeelt om aan de curator te voldoen EUR 212.701,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 respectievelijk 11 januari 2006 en vermeerderd met de proceskosten, waaronder de kosten van het gelegde beslag.
3.2. De curator legt aan deze vordering ten grondslag dat de koopovereenkomst van 3 januari 2005 nietig is op grond van artikel 42 jo. 43 Fw. De goederen zijn verkocht aan Multidisplay, doch de curator vordert in plaats van ongedaanmaking van de overdracht(en) vervangende schadevergoeding, te stellen op de verkoopsom van EUR 212.701,00.
3.3. Rotaslit c.s. voeren verweer. Op dit verweer zal bij de beoordeling van het geschil worden teruggekomen.
4. De beoordeling
De vordering op Rotaslit
4.1. Op grond van artikel 42 Fw kan de curator een meerzijdige rechtshandeling vernietigen die de schuldenaar voor de faillietverklaring onverplicht heeft verricht, indien schuldenaar en degene met wie de schuldenaar de rechtshandeling verrichtte, wisten of behoorden te weten dat benadeling van schuldeisers daarvan het gevolg zou zijn. Gezien het bepaalde in artikel 43 Fw wordt wetenschap van benadeling verondersteld, onder meer op het moment dat het gaat om een rechtshandeling van een rechtspersoon met een andere rechtspersoon en in beide rechtspersonen voor ten minste de helft van het geplaatste kapitaal middellijk wordt deelgenomen door dezelfde rechtspersoon, alsmede als het gaat om rechtshandelingen door een schuldenaar, die rechtspersoon is, verricht met een groepsmaatschappij.
4.2. De verkoop door Marvos van alle materiële vaste activa aan Rotaslit is een onverplichte rechtshandeling. Nu deze is verricht binnen een jaar vóór het faillissement van Marvos en gezien de verhouding tussen Marvos en Rotaslit wordt wetenschap van (eventuele) benadeling van crediteuren verondersteld. Partijen verschillen van mening over de vraag of er sprake is van benadeling van crediteuren.
4.3. Van benadeling is sprake als het actief van de boedel kleiner is dan dit zou zijn geweest indien de gewraakte handeling niet zou zijn verricht (HR NJ 1980, 643), of indien onder de gezamenlijke schuldeisers een verschuiving van verhaalspositie heeft plaatsgevonden (HR RvdW 2005, 89). De situatie waarin schuldeisers zouden hebben verkeerd indien de gewraakte rechtshandeling niet zou zijn verricht, moet worden vergeleken met de situatie waarin de schuldeisers verkeren als de gewraakte handeling in stand blijft, waarbij voldoende is dat de benadeling aanwezig is op het moment van de onderhavige beslissing (HR NJ 2001, 654).
4.4. De curator heeft erop gewezen dat in de jaarstukken van Marvos een hogere waarde is opgenomen dan de verkoopprijs die Marvos en Rotaslit zijn overeengekomen bij de gewraakte transactie, doch verbindt daar verder geen gevolg aan, zodat de gehanteerde waarde tussen partijen ook kan gelden als de werkelijke waarde.
4.5. Tussen partijen is niet in geschil dat de machines en verdere inventaris, verder te noemen inventaris, waren verpand aan de ABNAMRO-bank. Ook de vordering van Marvos op Rotaslit in verband met de gewraakte transactie is verpand aan de ABNAMRO. Voor zover de gewraakte transactie niet had plaatsgevonden, had in beginsel moeten worden uitgegaan van de rechten van de ABNAMRO uit hoofde van artikel 57 lid 1 Fw als separatist. De curator had dan echter op grond van artikel 57 lid 3 Fw de belangen dienen te behartigen van bevoorrechte schuldeisers in rang boven de ABNAMRO-bank als pandhouder. Voor wat betreft de inventaris komt dan met name de fiscus in beeld, omdat deze beschikt over een bodemvoorrecht (artikel 21 Invorderingswet). De fiscus heeft in het faillissement een vordering ingediend van EUR 33.988,00 gebaseerd op artikel 29 lid 2 Wet Omzetbelasting. Van enig vrij boedelactief waarop de fiscus zich zou kunnen verhalen is geen sprake, zodat in ieder geval in zoverre sprake is van benadeling dat de aanspraak van de fiscus op het boedelactief tot een hoger bedrag geldend had kunnen worden gemaakt, indien de gewraakte transactie niet zou hebben plaatsgevonden; het actief in de boedel zou groter zijn geweest dan thans het geval is. Overigens kan de wijziging die is opgetreden met de gewraakte transactie eveneens worden gekwalificeerd als een verschuiving in de verhaalspositie en ook in zoverre als benadeling worden beschouwd.
Daarbij is niet van belang dat de fiscus vóór en ook nog enige tijd na het faillissement van Marvos zelf haar bodemrecht hadden kunnen uitoefenen, omdat de betreffende inventaris zich bevond op de bodem die werd gehuurd door Marvos. Dit was slechts relevant geweest, indien de fiscus op deze – of andere – wijze had voorzien in voldoening van haar vordering op Marvos, zodat de fiscus in het faillissement geen vordering meer zou hebben gehad. Op dit moment is die mogelijkheid er niet (meer) voor de fiscus, zodat moet worden uitgegaan van voormelde vordering.
Resumerend is er sprake van benadeling van crediteuren in de zin van artikel 42 Fw.
4.6. Bij conclusie van antwoord heeft Rotaslit geen verweer gevoerd tegen de stelling van de curator dat er bij haar ook sprake was van wetenschap van benadeling, behoudens het hiervoor verworpen standpunt dat de gewraakte transactie geen benadeling met zich brengt. Mede ook in het licht van het bepaalde in artikel 43 Fw had het op de weg van Rotaslit gelegen om concreet te stellen en te onderbouwen dat van wetenschap van benadeling geen sprake is. Bij gebreke daarvan gaat de rechtbank uit van wetenschap van benadeling aan de zijde van Rotaslit. De verkoop van de inventaris is nietig. De vordering van de curator om een verklaring voor recht zal worden toegewezen zoals na te melden.
4.7. Krachtens artikel 51 lid 1 Fw moet hetgeen door de vernietigde rechtshandeling uit het vermogen van de schuldenaar is gegaan, worden teruggegeven. Rechten van derden op de terug te geven goederen worden geëerbiedigd, voor zover deze derden anders dan om niet hebben verkregen. Gezien het feit dat Rotaslit de goederen heeft verkocht aan een derde, heeft de curator ervoor gekozen om de waarde – door hem gesteld op EUR 212.701,00 – te vorderen van Rotaslit, hetgeen mogelijk is op grond van artikel 51 lid 1 Fw jo. 6:203 jo. 6:74 BW.
4.8. Rotaslit heeft in dat verband aangevoerd dat door haar al een groot gedeelte van de koopprijs is betaald en dat de curator hetgeen hij heeft ontvangen uit hoofde van de transactie moet teruggeven. Rotaslit heeft voorts gesteld dat de curator ook nog een vordering heeft op Rotaslit, doch deze niet kan uitwinnen in verband met de verpanding van die vordering.
4.9. In artikel 51 lid 3 Fw is bepaald dat de curator moet teruggeven hetgeen door de schuldenaar is ontvangen uit hoofde van de vernietigde transactie, voor zover de boedel daardoor is gebaat.
Het is niet gebleken dat de boedel is gebaat door het feit dat voorafgaand aan het faillissement nota’s van Rotaslit ter zake van huur en leveranties zijn verrekend met hetgeen Rotaslit was verschuldigd aan Marvos uit hoofde van de vernietigde transactie. Dat Rotaslit hierdoor geen althans een lagere vordering heeft op Marvos, is immers geen bate in de boedel.
Met de vernietiging van de verkoop van de goederen vervalt ook – in ieder geval in de verhouding tussen Marvos en Rotaslit – de aanspraak van Marvos op de verkoopprijs en de daarmee samenhangende aanspraak van Marvos uit hoofde van de gesloten overeenkomst waarbij Marvos de koopprijs uitleent aan Rotaslit. Hieruit kan evenmin een bate voor de boedel worden afgeleid.
Nu Rotaslit verder geen verweer heeft gevoerd tegen de door de curator gestelde waarde van de goederen en derhalve gevorderde schadevergoeding, zal deze vordering van de curator worden toegewezen.
De vordering op [gedaagde]
4.10. Niet is gesteld door de curator dat [gedaagde] bij de gewraakte verkooptransactie tussen Marvos en Rotaslit en de verkoop van de goederen aan een derde heeft gehandeld in een andere hoedanigheid dan bestuurder van Marvos en/of Rotaslit. Het enkele feit dat de verkoop van de inventaris van Marvos aan Rotaslit paulianeus is, is zonder nadere onderbouwing – die ontbreekt – onvoldoende om te oordelen dat [gedaagde] ten opzichte van de curator in persoon aansprakelijk is uit hoofde van toerekenbare tekortkoming in de nakoming van zijn verplichtingen als (feitelijk) bestuurder ten opzichte van Marvos of onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van de gezamenlijke crediteuren van Marvos.
De vordering tegen [gedaagde] zal dan ook worden afgewezen.
Proceskosten
4.11. Rotaslit zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld voor zover deze betrekking hebben op de tegen Rotaslit aangespannen procedure. De kosten aan de zijde van de curator worden begroot op:
- dagvaarding EUR 84,87
- vast recht 4.584,00
- salaris procureur 2.000,00 (1,0 punt × tarief EUR 1.000,00)
Totaal EUR 6.668,87.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de curator te veroordelen in door [gedaagde] gemaakte proceskosten, nu Rotaslit en [gedaagde] zijn vertegenwoordigd door dezelfde raadsman, zodat aan het voeren van verweer door [gedaagde] geen extra kosten zijn verbonden.
4.12. Curator vordert Rotaslit c.s. te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering zal worden afgewezen, nu de curator een revindicatoir beslag heeft gelegd en er in deze procedure voor heeft gekozen schadevergoeding te vorderen.
5. De beslissing
De rechtbank
5.1. verklaart voor recht dat de overeenkomst van 3 januari 2005 tussen Marvos en Rotaslit tot koop en verkoop van de inventaris van Marvos nietig is,
5.2. veroordeelt Rotaslit om aan de curator te betalen een bedrag van EUR 212.701,00 (tweehonderd twaalf duizend zevenhonderd en één euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 januari 2006,
5.3. veroordeelt Rotaslit in de proceskosten aan de zijde van de curator, tot op heden begroot op EUR 6.668,87,
5.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5. wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens en in het openbaar uitgesproken op 4 oktober 2006.?