Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0229

Datum uitspraak2006-11-14
Datum gepubliceerd2006-11-15
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers01844/06 U
Statusgepubliceerd


Indicatie

Geen dreigende schending van het specialiteitsbeginsel a.b.i. art. 14 EUV en art. 12 UW op de grond dat de rb in haar uitspraak niet heeft aangegeven tot welke vermindering van de door de Noorse rechter opgelegde vrijheidsstraf haar ontoelaatbaarverklaring der verzochte uitlevering t.z.v. het in de stukken omschreven feit XII dient te leiden, nu a.) aan gedeeltelijke toelaatbaarverklaring van een ter executie van een opgelegde straf verzochte uitlevering niet in de weg staat dat de uitleveringsrechter niet in staat is te beoordelen welk deel van die straf geacht moet worden te zijn opgelegd t.z.v. het feit of de feiten waarvoor ingevolge het van toepassing zijnde verdrag uitlevering kan worden toegestaan, aangezien dit ter beoordeling staat van de bevoegde autoriteiten van de verzoekende staat, die gehouden zijn om, nadat de uitlevering heeft plaatsgevonden, de tul van de straf tot evenbedoeld gedeelte te beperken (HR NJ 1989, 304), en b.) de beantwoording van de vraag of de verzochte uitlevering moet afstuiten op een dreigende schending van het specialiteitsbeginsel niet toekomt aan de uitleveringsrechter (HR NJ 2000, 367).


Conclusie anoniem

Nr. 01844/06 U Mr Machielse Zitting 10 oktober 2006 Conclusie inzake: [De opgeëiste persoon] 1. Bij uitspraak van 13 juni 2006 heeft de Rechtbank te Amsterdam de door de Noorse autoriteiten verzochte uitlevering van de opgeëiste persoon ter stafvervolging en executie toelaatbaar verklaard behoudens voorzover het uitleveringsverzoek een verkeersovertreding betrof.(1) 2. Mr. T.N. van Riel, advocaat te Amsterdam, heeft beroep in cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen tot cassatie. 3.1. Het eerste middel richt zich tegen de toelaatbaarverklaring van de uitlevering ter fine van executie. Uit de Noorse veroordeling van 18 augustus 2000 blijkt niet hoe de strafmaat is berekend. Niet duidelijk is derhalve hoeveel van de opgelegde gevangenisstraf van vier jaren en drie maanden door de (veroordeling voor de) verkeersovertreding wordt bestreken.(2) Voor de opgeëiste persoon is het derhalve niet duidelijk hoeveel tijd in mindering dient te worden gebracht op de aan de hem opgelegde gevangenisstraf. Door niet apart te vermelden wat de strafmaat is voor het verkeersfeit, voor welk feit de executie-uitlevering ontoelaatbaar is verklaard, heeft de rechtbank art. 12 Uitleveringswet geschonden. 3.2. Art. 12 Uitleveringswet(3) luidt - voor zover van belang - als volgt: "1. Uitlevering wordt niet toegestaan dan onder het algemene beding, dat de opgeëiste persoon alleen met uitdrukkelijke toestemming van Onze Minister zal worden vervolgd, gestraft, of op enige andere wijze in zijn persoonlijke vrijheid beperkt, terzake van feiten die vóór het tijdstip van zijn uitlevering zijn begaan en waarvoor hij niet is uitgeleverd. 2. Onze Minister kan de in het vorige lid bedoelde toestemming geven ten aanzien van: a. strafbare feiten waarvoor de opgeëiste persoon, krachtens het toepasselijke verdrag, aan de staat van wie het verzoek om toestemming is uitgegaan had kunnen worden uitgeleverd; b. andere feiten, voor zover deze zowel naar het recht van de staat van wie het verzoek om toestemming is uitgegaan als naar dat van Nederland strafbaar zijn en de mogelijkheid van uitlevering daarvoor niet krachtens de artikelen 8-11 van deze wet is uitgesloten. 3. Uitlevering wordt voorts niet toegestaan dan onder het algemene beding, dat de opgeëiste persoon alleen met uitdrukkelijke toestemming van Onze Minister ter beschikking zal worden gesteld van de autoriteiten van een derde staat, terzake van feiten die vóór het tijdstip van zijn uitlevering zijn begaan. De toestemming kan worden gegeven ten aanzien van strafbare feiten waarvoor de opgeëiste persoon door Nederland aan de derde staat had kunnen worden uitgeleverd. (...)" 3.3. In de kern wijst de steller van het middel op de mogelijkheid van een dreigende bestraffing voor een ander feit dan waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard, namelijk de bestraffing voor de verkeersovertreding. De steller van het middel betoogt dat door een gebrek aan inzichtelijkheid in de opbouw van de strafmaat de Noorse autoriteiten zelf kunnen bepalen hoe lang de opgeëiste persoon in gevangenschap blijft. 3.4. De beantwoording van de vraag of de verzochte uitlevering moet afstuiten op hetgeen namens de opgeëiste persoon is aangevoerd omtrent de dreigende bestraffing voor andere feiten dan waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard, komt in beginsel niet toe aan de rechter die ingevolge de Uitleveringswet heeft te oordelen over de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering, onverminderd diens bevoegdheid om van zijn oordeel dienaangaande blijk te geven in het door hem op de voet van het bepaalde in art. 30, tweede lid, Uitleveringswet aan de Minister van Justitie uit te brengen advies.(4) 3.5. Aldus is het aan de Minister van Justitie, indien hij zulks nodig acht, om de Noorse autoriteiten te verzoeken antwoord te geven op de vraag op welke wijze en in welke mate de ontoelaatbaarverklaring voor de uitlevering van de verkeersovertreding doorwerkt in de executie van de vrijheidsstraf.(5) Het middel faalt. 4.1. Het tweede middel klaagt over schending van art. 18 Uitleveringswet en/of artikel 12 Uitleveringswet doordat enkele feiten waarvoor de vervolgingsuitlevering toelaatbaar is verklaard niet zo nauwkeurig mogelijk qua tijd en plaats zijn omschreven. 4.2. Gezien de uitspraak en de toelichting op het middel gaat het om de volgende (in bijlage 1 bij de uitspraak opgenomen) strafbare feiten: "- In de periode vóór 30 maart 2006 in Nederland, heeft hij/zij als onderdeel van de praktijken van een georganiseerde criminele groep, een zeer grote hoeveelheid verdovende middelen aangeschaft; - In de periode vóór 30 maart 2006 in Nederland, heeft hij/zij als onderdeel van de praktijken van een georganiseerde criminele groep, een zeer grote hoeveelheid verdovende middelen voorhanden gehad;" 4.3. Art. 18, derde lid, Uitleveringswet luidt - voor zover van belang -: "1. Een verzoek tot uitlevering kan slechts in overweging worden genomen, indien het voldoet aan de vereisten omschreven in de navolgende leden van dit artikel. (...) 3. Het verzoek moet vergezeld gaan van: (...) b. een uiteenzetting van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, met een zo nauwkeurig mogelijke vermelding van de tijd en de plaats waarop deze zijn begaan; (...)" 4.4. In Handboek Strafzaken(6) heeft mijn voormalig ambtgenoot Keijzer het volgende geschreven: "De uiteenzetting der feiten dient onder andere om de omvang van het uitleveringsverzoek vast te leggen, en om het de autoriteiten van de aangezochte staat mogelijk te maken te beoordelen of ter zake aan de verdragsvoorwaarden voor uitlevering is voldaan(7) en de opgeëiste persoon in staat te stellen daaromtrent het nodige aan te voeren.(8) Voor de opgeëiste persoon is zij van belang omdat zij, voor zover het uitleveringsverzoek met betrekking tot de opgegeven feiten wordt ingewilligd, na de uitlevering de grondslag zal vormen voor toepassing van de specialiteitsregel. Voor de raadsman is het daarom zaak te waken tegen al te grote vaagheid. In geval van onduidelijkheid kan de rechtbank navraag laten doen bij de verzoekende staat.(9) De uiteenzetting der feiten heeft niet ten doel de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen om zijn onschuld aan te tonen.(10) Voor de uiteenzetting der feiten gelden dan ook niet dezelfde eisen als naar Nederlands recht worden gesteld aan een tenlastelegging. Weliswaar moet zij zo nauwkeurig mogelijk zijn (vgl. art. 12 tweede lid onder b EUV), in het bijzonder ten aanzien van vervolgingsuitleveringen dient er rekening mee te worden gehouden dat tijd en plaats van de aan de opgeëiste persoon verweten feiten nog slechts bij benadering kunnen worden opgegeven.(11) Indien een opgave van het tijdstip geheel ontbreekt is de uitlevering echter ontoelaatbaar.(12) 4.5. In casu wordt als pleegperiode in de periode vóór 30 maart 2006 genoemd, zonder in de feitomschrijvingen een aanvangsdatum te noemen. 4.6. Nog los van het feit dat uit het proces-verbaal noch uit de uitspraak kan blijken dat ter zitting een dergelijk verweer is gevoerd, gaat de steller van het middel eraan voorbij dat voornoemde feiten gezien moeten worden in relatie tot en in samenhang met een ander in bijlage 1 genoemd feit, namelijk: "- Donderdag 30 maart 2006 hebben hij/zij een poging gedaan om een zeer grote hoeveelheid verdovende middelen van Nederland via Duitsland naar Noorwegen in te voeren. Haar/zijn opzet is mislukt omdat de Duitse politie de invoer van de verdovende middelen in Duitsland heeft gestopt." 4.7. Het ligt voor de hand de periode vóór 30 maart 2006 te beperken tot de periode waarin er handelingen zijn verricht (o.a. het aankopen van de verdovende middelen en andere voorbereidingshandelingen) die tot een geslaagd drugstransport op 30 maart 2006 hadden moeten leiden. Zulks moge tevens blijken uit hetgeen de officier van justitie ter zitting heeft verklaard: "De periode, zoals vermeld in de tenlastelegging(13), lijkt ruim maar uit het dossier en de brief van 23 mei 2006 blijkt dat het gaat om het transport dat op 30 maart 2006 in Duitsland is onderschept." Aldus bezien zijn de feiten wel degelijk zo nauwkeurig mogelijk omschreven. Ook dit middel faalt. 5. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Gronden voor ambtshalve vernietiging heb ik niet aangetroffen. 6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 Deze zaak hangt samen met de zaak onder nummer 01844/06 U en de zaak onder nummer 01797/06 U, in welke zaken ik heden eveneens concludeer. 2 Ik had mij kunnen voorstellen dat de rechtbank de uitlevering voor de verkeersovertreding op de voet van art. 2 lid 2 EUV ook had toegestaan, nu overtreding van art. 12 WVW 1994 - anders dan de officier van justitie aan de rechtbank voorhield - strafbaar is gesteld met onder meer maximaal 2 maanden hechtenis. Ook kan alsnog aanvullende toestemming worden gegeven voor de executie van de totaal opgelegde straf, inclusief voorzover opgelegd voor de verkeersovertreding. Zie HR 14 april 2006, LJN AU9724 en HR 14 december 2004, LJN AR4923 rov. 4.5. 3 Dit artikel behelst het specialiteitsbeginsel. 4 Zie HR 28 maart 2000, NJ 2000, 367, rov. 3.4. 5 Gezien de zwaarte van de overige feiten (harddrugs en wapens) komt het mij voor dat de invloed van de verkeersovertreding op de strafmaat te verwaarlozen is. 6 Handboek Strafzaken (oktober 2005), [91.5]-5/6. 7 HR 23 mei 1978, NJ 1979, 8; HR 20 mei 1980, NJ 1980, 539 en HR 25 april 1989, DD 89.397. 8 HR 1 juli 1988, DD 89.009. 9 Vgl. HR 20 september 2005, LJN AU1978. 10 HR NJ 1979, 9; HR NJ 1980, 539 en HR 7 april 1987, NJ 1988, 313. 11 HR 29 mei 1984, NJ 1985, 107; HR 2 februari 1988, NJ 1989, 757, m.nt. AHJS en HR 23 juni 1992, DD 93.012. 12 HR 26 mei 1987, NJ 1988, 377. 13 De officier van justitie zal wel het uitleveringsverzoek bedoeld hebben.


Uitspraak

14 november 2006 Strafkamer nr. 01844/06 U RB/SG/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Amsterdam van 13 juni 2006, nummer 13/497255-06, op een verzoek van het Koninkrijk Noorwegen tot uitlevering van: [De opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Noord-Holland Noord" te Zwaag. 1. De bestreden uitspraak De Rechtbank heeft de verzochte uitlevering deels toelaatbaar, deels ontoelaatbaar verklaard, een en ander op de wijze als in de bestreden uitspraak omschreven. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. M.H. Aalmoes, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van het eerste middel 3.1. Het middel klaagt over de dreigende schending van het specialiteitsbeginsel als bedoeld in art. 14 EUV en art. 12 UW op de grond dat de Rechtbank in haar uitspraak niet heeft aangegeven tot welke vermindering van de door de Noorse rechter opgelegde vrijheidsstraf haar ontoelaatbaarverklaring der verzochte uitlevering ter zake van het in de stukken onder XII omschreven feit dient te leiden, zodat - aldus het middel - "de Noorse autoriteiten zelf kunnen bepalen hoe lang [de opgeëiste persoon] in arrest blijft, waardoor de ontoelaatbaarheid van de uitlevering terzake feit XII - en het component hiervan in de vrijheidsbeneming - teniet wordt gedaan". 3.2. Het middel faalt omdat a. aan de gedeeltelijke toelaatbaarverklaring van een ter executie van een opgelegde straf verzochte uitlevering niet in de weg staat dat de uitleveringsrechter niet in staat is te beoordelen welk deel van die straf geacht moet worden te zijn opgelegd ter zake van het feit of de feiten waarvoor ingevolge het van toepassing zijnde verdrag uitlevering kan worden toegestaan, aangezien dit ter beoordeling staat van de bevoegde autoriteiten van de verzoekende Staat, welke autoriteiten gehouden zijn om, nadat de uitlevering heeft plaatsgevonden, de tenuitvoerlegging van de straf tot evenbedoeld gedeelte te beperken (vgl. HR 1 juli 1988, NJ 1989, 304), en b. de beantwoording van de vraag of de verzochte uitlevering moet afstuiten op een dreigende schending van het specialiteitsbeginsel - behoudens hier niet terzake doende uitzonderingen - niet toekomt aan de uitleveringsrechter (vgl. HR 28 maart 2000, NJ 2000, 367). 4. Beoordeling van het tweede middel Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 5. Slotsom Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen. 6. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 14 november 2006.