
Jurisprudentie
AZ0184
Datum uitspraak2006-09-04
Datum gepubliceerd2006-10-16
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 05/7384 WWB
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-16
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 05/7384 WWB
Statusgepubliceerd
Indicatie
Betreft bijzondere bijstand voor legeskosten verblijfsvergunning.
Uitspraak
Rechtbank 's-Gravenhage
sector bestuursrecht
tweede afdeling, enkelvoudige kamer
Reg. nr. AWB 05/7384 WWB
UITSPRAAK
als bedoeld in artikel 8:77
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Uitspraak in het geding tussen
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van [gemeente], verweerder.
Ontstaan en loop van het geding
Op 19 november 2004 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB).
Bij besluit van 26 november 2004 heeft verweerder deze aanvraag voor zover het de aanvraag om bijzondere bijstand voor de legeskosten voor drie verblijfsvergunningen betreft afgewezen.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 7 januari 2005 tijdig bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 7 september 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder, in afwijking van het advies van de Bezwaarschriftencommissie Sociale Voorzieningen, het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 26 november 2004 gedeeltelijk herroepen, en in plaats daarvan een gedeelte van de gevraagde bijzondere bijstand verleend.
Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 17 oktober 2005 beroep ingesteld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
Het beroep is op 13 juni 2006 ter zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde], medewerker van Stichting Vluchtelingenwerk [gemeente], die daartoe een machtiging heeft overgelegd. Verweerder is met bericht niet verschenen.
Motivering
Eiser heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor de legeskosten van de aanvraag voor respectievelijk de verlenging van verblijfsvergunningen voor zijn vrouw [naam vrouw] en zijn minderjarige zoon [naam zoon] en dochter [naam dochter] ten bedrage van € 855,- (€ 285,- per vergunning).
Bij het bestreden besluit heeft verweerder op grond van individuele omstandigheden (alsnog) bijzondere bijstand verleend voor de legeskosten inzake de verblijfsvergunning van de zoon en dochter, en wel voor een bedrag van € 570,-.
In geding resteert daardoor thans de vraag of verweerder terecht geen bijzondere bijstand heeft verleend voor de legeskosten van de verlenging van de verblijfsvergunning van de vrouw van eiser, op de grond dat het algemene kosten betreffen die in beginsel uit de bijstandsnorm dienen te worden voldaan.
Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de WWB heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Hierbij zijn de artikelen 31, tweede lid en artikel 34, tweede lid, van de WWB niet van toepassing. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.
De Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) heeft onder de werking van de Algemene bijstandwet (hierna: Abw) omtrent verlening van bijzondere bijstand in verschillende uitspraken (CRvB 1 juni 2004, LJN AP0975, JWWB 2004/255, CRvB 8 november 2005, LJN AU6266; JWWB 2006/14 en CRvB 16 mei 2006, 05/945, LJN AX 9506) als volgt geoordeeld.
De legeskosten behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, welke kosten de betrokkene in beginsel uit de bijstandsnorm dient te voldoen. De onverwacht extreme verhoging en het jaarlijks terugkeren van de legeskosten zijn geen bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 39, eerste lid van de Abw, hetgeen - zo leest de rechtbank - niet uitsluit dat er door het ontbreken van reserveringscapaciteit of een financieringsmogelijkheid sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden die tot bijstandverlening moeten leiden. Ten aanzien van de vraag of sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan heeft het college, gelet op de tekst van die bepaling, geen beoordelingsvrijheid. Een zekere beoordelingsvrijheid komt het college wel toe bij de vraag of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm en de aanwezige draagkracht. Voorts houdt artikel 39, eerste lid, van de Abw een gebonden bevoegdheid in waarbij geen sprake is van beleidsvrijheid.
De rechtbank is van oordeel dat deze rechtspraak zijn gelding behoudt ten aanzien van artikel 35, eerste lid, van de WWB, dat sinds 1 januari 2004 van kracht is.
De rechtbank overweegt dat verweerder zich - in het licht van de aangehaalde jurisprudentie - terecht op het standpunt stelt dat onderhavige legeskosten in beginsel tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten behoren. Verweerder heeft echter niet onderzocht in hoeverre eiser reserveringscapaciteit had of een lening had kunnen afsluiten. Voor een dergelijk onderzoek bestond in het onderhavige geval gelet op de stukken van het geding voldoende aanleiding, nu eiser eerst per 1 juli 2004 bijstand ontvangt en hieraan voorafgaand een toelage in het kader van de Regeling Opvang Asielzoekers, gevolgd door een toelage van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers, heeft ontvangen. Ter zitting is gebleken dat eiser inmiddels inkomsten uit arbeid ontvangt, maar onduidelijk is gebleven hoeveel inkomsten hij ontvangt en sinds wanneer.
Door dit onderzoek onder deze omstandigheden na te laten komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking nu het tot stand gekomen is in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat eiser heeft aangevoerd dat het bestreden besluit een schending oplevert van het recht op respect voor het gezinsleven zoals neergelegd in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar het oordeel van de rechtbank faalt dit betoog en belet het bestreden besluit niet de voortzetting van het familie- of gezinsleven tussen eiser en zijn partner.
Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en zal verweerder met inachtneming van het bovenstaande een nieuw besluit op het bezwaar dienen te nemen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Rechtbank 's-Gravenhage,
RECHT DOENDE:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
bepaalt dat de gemeente [gemeente] aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 37,-, vergoed
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Aldus gegeven door mr. M. Munsterman en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2006, in tegenwoordigheid van de griffier mr. F. Mulder.