
Jurisprudentie
AZ0175
Datum uitspraak2006-10-10
Datum gepubliceerd2006-10-16
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersC0400316
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-16
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersC0400316
Statusgepubliceerd
Indicatie
Geschil omtrent toereikendheid volmacht broer om koopovereenkomst mbt percelen landbouwgrond aan te gaan. Hof onderschrijft oordeel rechtbank dat aangenomen mocht worden dat er een toereikende volmacht was.
Uitspraak
typ. LD
rolnr. C0400316/HE
ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,
tweede kamer, van 10 oktober 2006,
gewezen in de zaak van:
[APPELLANT],
wonende te [woonplaats], [gemeente],
appellant, tevens geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel appel,
procureur: mr. G.R.A.G. Goorts,
tegen:
[geïntimeerde] B.V.,
gevestigd te [plaats],
geïntimeerde, tevens appellante in voorwaardelijk incidenteel appel,
procureur: mr. A.A.H.M. van der Wijst,
ten vervolge op het in deze zaak gewezen arrest d.d.
30 november 2004 waarin werd beslist op een incidentele vordering van [appellant] tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het in eerste aanleg in conventie tussen partijen gewezen vonnis.
6. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
6.1. Na voormeld arrest in het incident heeft [appellant] bij memorie van grieven, onder overlegging van een productie, dertien grieven aangevoerd en geconcludeerd tot, kort gezegd, vernietiging van het vonnis van de rechtbank van
19 november 2003 en afwijzing alsnog van de vorderingen van [geïntimeerde] (hierna verder [geïntimeerde] te noemen) en tot restitutie van hetgeen [appellant] op grond van het bestreden vonnis aan [geïntimeerde] heeft betaald.
6.2. [geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord in het principaal appel, tevens houdende memorie van grieven in het voorwaardelijk incidenteel appel, onder overlegging van twee producties, de grieven bestreden, harerzijds in voorwaardelijk incidenteel appel twee grieven voorgedragen en geconcludeerd als aan het slot van voormelde memorie vermeld.
6.3. Na een memorie van antwoord van [appellant] in het voorwaardelijk incidenteel appel, waarbij door [appellant] nog acht producties zijn overgelegd, hebben de partijen de procesdossiers voor uitspraak overgelegd.
7. De gronden van het hoger beroep
Voor de precieze inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memories van grieven in het principaal en het voorwaardelijk incidenteel appel.
8. De beoordeling
8.1. De rechtbank heeft in de rechtsoverwegingen 1.1 t/m 1.10 de feiten opgesomd die zij als vaststaand heeft aangenomen. Behalve ten aanzien van het onder 1.4 overwogene heeft [appellant] deze vaststelling van de feiten niet door enige grief bestreden, zodat ook het hof van die feiten, die door [geïntimeerde] evenmin zijn betwist, zal uitgaan, zulks met inachtneming van hetgeen in verband met grief II in het principaal appel nog nader zal worden overwogen.
8.2.1. Het gaat in het principaal appel om het volgende. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in conventie van [appellant] primair nakoming gevraagd van een volgens [geïntimeerde] tussen partijen gesloten koopovereenkomst betreffende de verkoop door [appellant] aan [geïntimeerde] van een aantal percelen landbouwgrond (in totaal 32.87.81 hectare) te [plaats], [gemeente], voor een koopprijs van f 8,50 per m2 (derhalve in totaal f 2.794.638,50) k.k. en onder een aantal verdere bedingen als vermeld onder 1.5 van het vonnis van de rechtbank.
8.2.2. [geïntimeerde] heeft met betrekking tot de totstandkoming van de door haar gestelde koopovereenkomst, kort samengevat, onder meer onbetwist gesteld:
o [geïntimeerde] heeft [appellant] telefonisch haar interesse in de verwerving van de percelen meegedeeld. Vervolgens heeft tussen partijen een bespreking plaatsgevonden op 29 januari 2001. Deze bespreking is gehouden ten huize van de - tegenover [appellant] wonende - broer van [appellant], [broer appellante]. [broer appellante] en diens echtgenote waren naast [appellant] en de heer [naam] (directeur [geïntimeerde]) bij de bespreking aanwezig.
o [directeur geïntimeerde] heeft hierna verdere telefonische contacten gehad met [broer appellante]. Door [broer appellante] is bij een van die contacten een vraagprijs van f 8,50 per m2 genoemd, welke prijs door [geïntimeerde] is geaccepteerd.
o [geïntimeerde] heeft de verkoopvoorwaarden waarover tussen [directeur geïntimeerde] en [broer appellante] overeenstemming was bereikt bevestigd in een brief van 28 februari 2001 aan [appellant] met het verzoek de brief voor akkoord ondertekend te retourneren. [broer appellante] heeft naar aanleiding van deze brief telefonisch contact opgenomen met [directeur geïntimeerde] en nog enkele aanvullingen voorgesteld die door [directeur geïntimeerde] werden geaccepteerd. De brief van 28 februari 2001 is vervolgens, met handmatige toevoeging van de telefonisch besproken aanvullingen (en nog een andere toevoeging die volgens [directeur geïntimeerde] in diens getuigenverklaring conform het eerder besprokene was), geretourneerd, voorzien van een handtekening voor akkoord onder de naam van [appellant].
o Bij brief van 21 maart 2001 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] abusievelijk een concept koopovereenkomst doen toekomen van een (door)verkoop van de betreffende percelen door [geïntimeerde] aan een derde (Amvest Vastgoed B.V.). Bij brief van 26 maart 2001 (prod. 3 conclusie van eis) heeft [geïntimeerde] die vergissing hersteld en aan [appellant] de als productie 4 bij conclusie van eis overgelegde concept koopovereenkomst betreffende de gestelde verkoop van de percelen door [appellant] aan [geïntimeerde] doen toekomen. De koopprijs voor de percelen in de conceptovereenkomst tussen [geïntimeerde] en Amvest Vastgoed BV was hoger dan die in de concept overeenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellant].
o Bij brief van 28 maart 2001 heeft de raadsman van [appellant], mr. Goorts, namens [appellant] op de brief van 26 maart 2001 gereageerd en gesteld dat volgens [appellant] tussen partijen geen koopovereenkomst met betrekking tot de percelen is gesloten.
8.2.3. Tijdens het geding in eerste aanleg heeft een voorlopig deskundigenonderzoek plaatsgehad en is een voorlopig getuigenverhoor gehouden. Het voorlopig deskundigenonderzoek betrof een handschriftkundig onderzoek door mevrouw R. ter Kuile-Haller met betrekking tot (onder meer) de vraag of de handtekening voor akkoord onder de brief van 28 februari 2001 de handtekening van [appellant] was. In haar rapport concludeert mevrouw Ter Kuile dat die handtekening hoogstwaarschijnlijk niet afkomstig is van [appellant]. Mevrouw ter Kuile concludeert verder dat die handtekening aan het begin een vormgeving heeft die als een letter P kan worden geïnterpreteerd en die lijkt op een handtekening van [broer appellante] op een akte van inbreng.
8.2.4. De rechtbank heeft in het geding in conventie overwogen dat het gaat om de vraag of [broer appellante] beschikte over een toereikende volmacht om namens [appellant] met [geïntimeerde] te onderhandelen dan wel [geïntimeerde] redelijkerwijs mocht aannemen dat [broer appellante] een dergelijke volmacht had. De rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord en, gezien de tussen [broer appellante] en [geïntimeerde] bereikte overeenstemming over de door [geïntimeerde] gestelde koopovereenkomst, de primaire vordering van [geïntimeerde] toegewezen.
8.2.5. De grieven in het principaal appel richten zich tegen voormeld oordeel en de door de rechtbank daaraan ten grondslag gelegde rechtsoverwegingen. Nu de grieven, naar [appellant] heeft benadrukt, de strekking hebben het geschil (in conventie) in volle omvang aan het oordeel van het hof te onderwerpen, zal het hof, na bespreking van de grieven I en II, de overige grieven niet alle afzonderlijk bespreken.
8.3.1. Voor zover grief I het verwijt behelst dat de rechtbank buiten de grondslag van de vordering van [geïntimeerde] zou zijn getreden omdat [geïntimeerde] slechts een overeenkomst tussen [appellant] en haar zou hebben gesteld en zich er niet op heeft beroepen dat zij mocht aannemen dat aan [broer appellante] een voldoende volmacht was verleend, verwerpt het hof deze grief. In de door [geïntimeerde] aan haar vordering ten grondslag gelegde feiten zoals hiervoor in r.o. 8.2.2 (deels) gerelateerd ligt onmiskenbaar besloten dat [geïntimeerde] zich terzake de totstandkoming van de overeenkomst beroept op een handelen door [broer appellante] namens diens broer. De weergave door [geïntimeerde] van de diverse omstandigheden (het voeren van de eerste bespreking in de woning van [broer appellante], de actieve deelname van [broer appellante] aan die bespreking en het verzoek van [appellant] om een verder contact via zijn broer te laten lopen) is naar het oordeel van het hof door de rechtbank terecht opgevat als stelling van [geïntimeerde] dat en waarom zij [broer appellante] tot onderhandeling namens [appellant] bevoegd mocht achten.
8.3.2. [appellant] heeft voorts zijn verwijt dat de rechtbank het bepaalde in art. 150 Rv zou hebben miskend niet verder toegelicht. Nu uit het bestreden vonnis van een dergelijke miskenning van bewijslastverdeling evenmin zonder meer blijkt, faalt grief I ook voor het overige.
Het hof merkt in dit verband nog op dat op verzoek van [geïntimeerde] en krachtens beschikking van de rechtbank van 24 oktober 2001 (prod. 15 en 16 bij repliek in conventie) een voorlopig deskundigenonderzoek en een voorlopig getuigenverhoor zijn gehouden zodat reeds bewijsvoering door [geïntimeerde] (en contra-enquête van [appellant]) voorhanden was en in het geding in eerste aanleg ter beoordeling voorlag.
8.4.1. In grief II voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte in onderdeel 1.4 van het vonnis als vaststaand feit heeft vermeld: [appellant] verwees [directeur geïntimeerde] voor verdere contacten naar [broer appellante] en gaf hem daartoe diens telefoonnummer.
8.4.2. Zoals [appellant] zelf in de toelichting op deze grief stelt blijkt uit r.o. 3.7 van het vonnis voldoende duidelijk dat de rechtbank met voormelde zinsnede niet meer heeft willen vaststellen dan de erkenning van [appellant] dat hij - omdat hij zelf telefonisch slecht bereikbaar was - voor het opnemen van verdere contacten met [appellant] maar naar diens broer [broer appellante] moest bellen en dat daartoe het telefoonnummer van [broer appellante] aan [directeur geïntimeerde] werd gegeven. Het hof zal hetgeen onder 1.4 van het bestreden vonnis is vastgesteld, evenals de rechtbank, in deze zin begrijpen. Grief II leidt evenmin tot vernietiging van het vonnis.
8.5.1. De grieven II t/m XII zijn gericht tegen de door de rechtbank aan haar beslissing in conventie ten grondslag gelegde rechtsoverwegingen 3.5 t/m 3.8. Zoals gezegd zal het hof deze grieven niet afzonderlijk bespreken.
8.5.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het in het geschil tussen partijen gaat om de vraag of [geïntimeerde] [broer appellante] al dan niet bevoegd mocht achten om namens [appellant] de door [geïntimeerde] gestelde overeenkomst tot verkoop van de percelen aan te gaan. Voor de door haar gestelde overeenkomst beriep [geïntimeerde] zich immers op een tussen haar en [broer appellante] daarover bereikte overeenstemming en door [appellant] is niet betwist dat zijn broer [broer appellante] namens hem akkoord is gegaan met een verkoop van de percelen onder de verkoopvoorwaarden vermeld in de onder 1.5 van het vonnis van de rechtbank genoemde brief. Voor zijn verweer dat tussen partijen geen overeenkomst als door [geïntimeerde] tot stand was gekomen, beriep [appellant] zich erop dat zijn broer niet bevoegd was om namens hem te handelen en dat de brief van 28 februari 2001 waarbij de overeenkomst werd bevestigd niet door hem is ondertekend. [appellant] stelde dat deze brief door zijn broer uit zijn, [appellant]'s, brievenbus is ontvreemd en dat zijn broer deze brief ondertekend aan [geïntimeerde] heeft geretourneerd.
8.5.3. Op de door hem gestelde onbevoegdheid van [broer appellante] om namens hem een koopovereenkomst met [geïntimeerde] betreffende de percelen aan te gaan kan [appellant] zich jegens [geïntimeerde] niet beroepen indien [geïntimeerde] op grond van een verklaring of gedraging van [appellant] redelijkerwijze mocht aannemen dat [broer appellante] voor zijn handelen namens [appellant] een toereikende volmacht was verleend (art. 3:61 lid 2 BW). Voor de toepasselijkheid van voormelde bepaling gaat het erom of door toedoen van degene in wiens naam is gehandeld zelf de schijn van aanwezigheid van een toereikende volmacht is gewekt. Niet nodig is dat de verklaring of gedraging rechtstreeks tot de wederpartij is gericht, terwijl ook omstandigheden die zich na de totstandkoming van de rechtshandeling hebben voorgedaan kunnen meewegen bij de beoordeling van de vraag of de wederpartij ten tijde van de rechtshandeling redelijkerwijs van een voldoende volmacht mocht uitgaan.
8.5.4. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank terecht gewicht gehecht aan de omstandigheid dat [appellant], nadat [geïntimeerde] hem telefonisch haar interesse in het kopen van zijn percelen landbouwgrond kenbaar had gemaakt, de bespreking tussen partijen heeft doen plaatsvinden in aanwezigheid van en ten huize van zijn broer [broer appellante] en diens echtgenote. Dit geldt temeer nu, naar door [geïntimeerde] is gesteld en door [appellant] niet is betwist, [broer appellante] daadwerkelijk bij de bespreking was betrokken en tezamen met [appellant] het woord heeft gevoerd. Daar komt bij dat [appellant] weliswaar heeft gesteld dat het een vrijblijvende bespreking was doch niet heeft betwist dat het een uitvoerige bespreking was.
8.5.5. Het feit dat [appellant] alleen in verband met zijn slechte telefonische bereikbaarheid aan [directeur geïntimeerde] te kennen zou hebben gegeven dat hij voor een verder contact zijn broer [broer appellante] maar moest bellen, laat onverlet dat dit feit naast de betrokkenheid van [broer appellante] bij de bespreking van 29 januari 2001, bij [geïntimeerde] gerechtvaardigd het vertrouwen teweeg heeft kunnen brengen dat zij terzake de landbouwpercelen van [appellant] [broer appellante] kon benaderen.
8.5.6. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank voorts bij haar overwegingen terecht de omstandigheid betrokken dat [broer appellante] bij zijn verhoor als getuige heeft verklaard dat hij de telefoontjes van [directeur geïntimeerde] steeds aan zijn broer heeft gemeld. Door [appellant] zelf is daarover weliswaar anders verklaard doch de verklaring van [broer appellante] vindt steun in het feit dat [broer appellante] blijkens de getuigenverklaring van [directeur geïntimeerde] ook in zijn telefonische contacten met [directeur geïntimeerde] heeft gewaagd van nog met zijn broer te plegen overleg. Het hof gaat daarom, evenals de rechtbank, uit van de juistheid van de verklaring van [broer appellante] op dit punt. De omstandigheid dat [appellant], bekend met de onderhandelingen tussen zijn broer en [geïntimeerde], jegens [geïntimeerde] niet kenbaar heeft gemaakt dat zijn broer tot die onderhandelingen niet bevoegd zou zijn, draagt eveneens bij tot de rechtvaardiging van het vertrouwen van [geïntimeerde] in een voldoende volmacht van [broer appellante] tot het voeren van die onderhandelingen namens [appellant].
Dat [broer appellante] als getuige verklaarde dat hij de vraagprijs van f 8,50 niet met zijn broer had afgestemd doet, nog daargelaten de vraag of van de juistheid van deze verklaring kan worden uitgegaan, aan het voorgaande niet af nu door [broer appellante] niet is verklaard dat hij zulks ook aan [geïntimeerde] kenbaar zou hebben gemaakt. De verklaring van
[broer appellante] dat hij eerder tegen [directeur geïntimeerde] had gezegd dat zijn broer nog geen prijs kon noemen, geeft evenmin blijk van een dergelijke mededeling en wijst juist op het tegendeel.
8.5.7. Daar komt bij dat [broer appellante] bij de onderhandelingen en de tussen [geïntimeerde] en hem bereikte overeenstemming over een zodanig gedetailleerde kennis van zaken beschikte (zoals de voorgestelde aanvulling van de percelen met een extra stuk grond) dat er voor [geïntimeerde] ook in dat opzicht geen aanleiding was voor twijfel over een handelen van [broer appellante] in samenspraak met en namens [appellant].
8.5.8. Tot het gerechtvaardigde vertrouwen van [geïntimeerde] door toedoen van [appellant] in een voldoende volmacht heeft tenslotte, naar de rechtbank terecht heeft overwogen, bijgedragen het feit dat de aan [appellant] toegezonden schriftelijke bevestiging van de overeenkomst voor akkoord bevestigd aan [geïntimeerde] is geretourneerd. Indien een door [geïntimeerde] aan het adres van [appellant] verstuurde brief wordt geretourneerd met een daarop geplaatste handtekening voor akkoord, mag [geïntimeerde] ervan uitgaan dat zulks door [appellant] is geschied. Bijzondere omstandigheden waarom zij daarop in dit geval niet zou hebben mogen vertrouwen (bijvoorbeeld in het geval van een door meer gelijknamige personen gedeelde brievenbus) zijn door [appellant] niet gesteld of anderszins gebleken. De door [appellant] gestelde omstandigheid dat zijn broer de bewuste brief uit zijn brievenbus heeft ontvreemd is een omstandigheid waarvan de rechtbank terecht heeft overwogen dat die voor rekening van [appellant] zelf komt.
8.5.9. Het hof verwerpt het verweer van [appellant] dat de brief van 28 februari 2001 hem niet kan worden tegengeworpen omdat hij daarvan geen kennis heeft genomen en dit voor risico van [geïntimeerde] komt omdat zij de brief niet aangetekend heeft verzonden. Met dit verweer miskent [appellant] dat in dit geval de ontvangst van de brief op het juiste adres niet ter discussie staat, de ontvreemding van de brief uit de brievenbus een omstandigheid is die voor risico van [appellant] zelf komt, en het te dezen gaat om het vertrouwen dat [geïntimeerde] aan de retournering van de brief na ondertekening voor akkoord heeft mogen ontlenen. Het aanbod van [appellant] tot nader bewijs van zijn stelling dat zijn broer de brief uit de brievenbus heeft ontvreemd voordat hij, [appellant], daarvan kennis heeft kunnen nemen, wordt daarom als niet terzake dienende gepasseerd.
8.6.1. Op grond van het voorgaande onderschrijft het hof het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] door toedoen van [appellant] redelijkerwijs mocht aannemen dat aan [broer appellante] een toereikende volmacht was verleend en dat [appellant] daarom is gebonden aan de door [broer appellante] namens [appellant] met [geïntimeerde] gesloten overeenkomst. Dit betekent dat de grieven III t/m XII in het principaal appel falen en dat hetzelfde geldt voor grief XIII waarin [appellant] stelt dat hij ten onrechte in de proceskosten is verwezen omdat hij door de rechtbank ten onrechte in het ongelijk is gesteld.
8.6.2. [appellant] heeft nog gesteld dat hij bij de bespreking van 29 januari 2001 aan [directeur geïntimeerde] te kennen had gegeven dat hij eerst vervangende grond wilde hebben voordat hij verkoop van de in het geding zijn de percelen wilde overwegen. Voor zover [appellant] met die stelling wil betogen dat [geïntimeerde] om die reden redelijkerwijs geen toereikende volmacht van [broer appellante] had mogen aannemen, verwerpt het hof die stelling. Nog afgezien van het feit dat door [appellant] niets is aangevoerd op grond waarvan het [geïntimeerde] duidelijk zou hebben moeten zijn dat [appellant] nog geen zicht had op vervangende gronden, behoefde een niet handhaven van die voorwaarde [geïntimeerde] niet te bevreemden. Dat een partij niet vasthoudt aan een eerder genoemde voorwaarde, kan evengoed samenhangen met bijvoorbeeld een door de wederpartij geboden hogere prijs en/of andere gunstige voorwaarden. De onderhavige overeenkomst behelsde bijvoorbeeld een nog verblijven van de productierechten bij de verkoper gedurende een periode van zes jaren, hetgeen [appellant] de nodige tijd gaf om uit te zien naar vervangende gronden.
8.6.3. Hetgeen de rechtbank in r.o. 3.5 heeft overwogen ten aanzien van de door [broer appellante] in zijn getuigenverklaring genoemde telefonische mededeling van 10 maart 2001 en ten aanzien van een door [appellant] pas na kennisneming van de abusievelijk toegezonden conceptakte van de doorverkoop tegen een hogere prijs ontkennen van de verkoop en zijn bereidverklaring in de brief van zijn raadsman van 20 april 2001 (prod. 7 bij concl.v.eis) is voor het hierboven gegeven oordeel van het hof niet van doorslaggevende betekenis en behoeft om die reden verder geen bespreking. Het gaat hier om voorvallen van na de totstandkoming van de door [broer appellante] namens [appellant] gesloten overeenkomst (welke overeenkomst bij brief van 28 februari 2001 door [geïntimeerde] is bevestigd), die bij de totstandkoming van de overeenkomst geen rol hebben kunnen spelen.
8.6.4. Ten aanzien van de reacties van [appellant] bij de brieven van 28 maart 2001 en 20 april 2001 overweegt het hof voorts het volgende. [appellant] heeft bij conclusie van antwoord (onder 16) wel gesteld dat de brief van 26 maart 2001 de eerste brief van [geïntimeerde] is geweest die hij onder ogen heeft gekregen doch in de memorie van grieven (onder 18) stelt hij dat hij na ontvangst van de brief van 21 maart 2001 van [geïntimeerde] naar zijn broer is gegaan en deze om opheldering heeft gevraagd. [appellant] heeft niet verklaard waarom hij op de brief van 21 maart 2001, waarbij de verkeerde concept koopakte werd toegezonden en waarin naar de in de brief van 28 februari 2001 vastgelegde afspraken werd verwezen, niet direct heeft gereageerd en die brief vervolgens ook onvermeld heeft gelaten in de brief van zijn raadsman van 28 maart 2001 waarin wordt vermeld dat die brief een reactie van [appellant] is op de brief van [geïntimeerde] van 26 maart 2001. Deze handelwijze geeft, in samenhang met de inhoud van de brief van 20 april 2001 van de raadsman van [appellant], eerder steun aan de door [geïntimeerde] veronderstelde samenhang van de ontkenning door [appellant] van de door [broer appellante] namens hem gesloten overeenkomst en het bekend geworden zijn aan [appellant] van de prijs waarvoor [geïntimeerde] harerzijds de gronden aan Amvest had verkocht dan dat deze daaraan afbreuk doet.
8.6.5. Het hof acht verder, evenals de rechtbank, de enkele verklaring van [broer appellante] als getuige onvoldoende om een telefonische mededeling door [broer appellante] aan [geïntimeerde] op 10 maart 2001 aannemelijk te achten. Bovendien zou het, indien een dergelijke mededeling door [broer appellante] zou zijn gedaan, naar het oordeel van het hof voor de hand hebben gelegen dat [broer appellante] zich na de brief van 21 maart 2001 (waarmee hij volgens [appellant] is geconfronteerd) opnieuw tot [geïntimeerde] zou hebben gewend. Het achterwege gebleven zijn van een dergelijke reactie doet eveneens afbreuk aan de aannemelijkheid van een telefonische reactie van [broer appellante] op 10 maart 2001.
8.6.6. De bij de overeenkomst overeengekomen voorwaarde, dat door [persoon 1] werd afgezien van haar voorkeursrecht van de gronden, was een van de bij de onderhandelingen inzake de overeenkomst betrokken details waarvan het hof in r.o. 8.5.7 heeft overwogen dat deze er mede toe bijdroegen dat [geïntimeerde] geen twijfel behoefde te hebben aan de toereikende volmacht van [broer appellante]. De discrepantie in de getuigenverklaringen van [appellant], [broer appellante], diens [echtgenote] en diens [schoonzoon] enerzijds en [directeur geïntimeerde] junior anderzijds over de vraag door wie de desbetreffende wederzijdse afstandsverklaring (na de tussen de partijen over de koopovereenkomst bereikte overeenstemming) van de zijde van [appellant] is ondertekend, is voor het in r.o. 8.6.1. samengevatte oordeel verder niet ter zake dienende en kan onbesproken blijven.
8.6.7. Door [appellant] is in hoger beroep nog in algemene bewoordingen bewijs aangeboden van al zijn stellingen. Het hof gaat aan dit bewijsaanbod voorbij omdat het onvoldoende is gespecificeerd. [appellant] heeft voorts aangeboden om de in het voorlopig getuigenverhoor gehoorde getuigen andermaal door het hof te laten horen. Het hof acht ook dit aanbod onvoldoende gespecificeerd en gaat daarom aan dit aanbod eveneens voorbij.
8.7.1. Nu geen van de in het principaal appel voorgedragen grieven doel treft, dient het vonnis waarvan beroep te worden bekrachtigd.
8.7.2. De grieven in het incidenteel appel behoeven geen bespreking nu aan de voorwaarde waaronder dit appel is ingesteld - het doel treffen van en of meer van de grieven in het principaal appel - niet is voldaan.
8.7.3. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de proceskosten van het principaal appel. Nu het incidenteel appel buiten behandeling is gebleven, kan een proceskostenveroordeling in het voorwaardelijk incidenteel appel achterwege blijven. Gelet op de vordering van [geïntimeerde] daartoe, zal dit arrest uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
9. De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van 19 november 2003 waarvan beroep;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het principaal appel, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op E. 288,= aan verschotten en op E. 894,= aan salaris procureur;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. Van Schaik-Veltman, Venhuizen en Keizer en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 10 oktober 2006.