
Jurisprudentie
AZ0166
Datum uitspraak2006-10-06
Datum gepubliceerd2006-10-16
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers06/1696
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-16
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers06/1696
Statusgepubliceerd
Indicatie
Naar voorlopig oordeel is het telkens voor maximaal 6 weken huisvesten van buitenlandse (Poolse) werknemers in de recratiewoningen in strijd met de ter plaatse geldende bestemming verblijfsrecreatieve doeleinden. Om die reden wordt de bouwvergunning geschorst tot 6 weken na bekendmaking van de te nemen beslissing op bezwaar.
Uitspraak
RECHTBANK ZUTPHEN
Sector Bestuursrecht
Reg.nr.: 06/1696
UITSPRAAK
op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:
de stichting Gelderse Milieufederatie en de stichting Het Geldersch Landschap, te Arnhem, verzoekers,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Elburg, verweerder,
alsmede Total Team Onroerend Goed B.V., te Nistelrode, derde-partij.
1. Bestreden besluit
Besluit van 18 juli 2006, waarbij verweerder aan de derde-partij binnenplanse vrijstelling en reguliere bouwvergunning heeft verleend voor het geheel vernieuwen van
15 recreatiewoningen op het perceel kadastraal bekend gemeente Doornspijk, [kadasternummer], plaatselijk bekend [adres en nummer].
2. Procesverloop
Bij brieven van 21 juli 2006 hebben verzoekers bezwaar gemaakt en is verzocht om een voorlopige voorziening.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 26 september 2006. Namens verzoekers is ir. B.H.J.D. Oosting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.D. Post en mw. S. Kiwiet. Namens de derde-partij is mr. B.J.M. van Meer, advocaat te Arnhem, verschenen.
3. Motivering
Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan, of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist.
Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft deze uitspraak daaromtrent een voorlopig karakter en is deze niet bindend voor de beslissing in die procedure.
Het geschil spitst zich allereerst toe op de vraag of het door de derde-partij voorgenomen gebruik van de te vernieuwen recreatiewoningen in strijd is met het bestemmingsplan en of de bouwvergunning op grond daarvan had moeten worden geweigerd.
Tussen partijen is niet in geschil dat de derde-partij voornemens is de te vernieuwen recreatiewoningen voor een belangrijk deel te gebruiken voor het telkens voor maximaal zes weken huisvesten van buitenlandse (Poolse) werknemers.
Op de in geding zijnde gronden rust ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied Elburg” de bestemming “verblijfsrecreatieve doeleinden” met aanduiding “Verblijfsrecreatie in zomerhuizen”.
Ingevolge artikel 10, vierde lid, onder a, van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften, is het verboden zomerhuizen te gebruiken of te laten gebruiken voor permanente bewoning.
Ingevolge artikel 1 wordt in de planvoorschriften verstaan onder:
zomerhuis/recreatiewoning: een permanent ter plaatse aanwezig recreatiewoonverblijf dat bestemd is voor niet-permanente bewoning en waarvan de al dan niet steeds wisselende gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben;
permanente bewoning: het bewonen van een ruimte als hoofdwoonverblijf.
Naar voorlopig oordeel kan verweerder worden gevolgd in zijn standpunt dat het hiervoor omschreven voorgenomen gebruik niet is aan te merken als permanente bewoning in de zin van de planvoorschriften en om die reden niet met artikel 10, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften in strijd is te achten.
Ingevolge artikel 28, eerste lid, van de planvoorschriften is het echter evenzeer verboden gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming. Naar voorlopig oordeel is niet alleen uit de bestemmingsomschrijving “Verblijfsrecreatieve doeleinden” als zodanig, maar ook uit de in artikel 10, tweede lid, van de planvoorschriften neergelegde bestemmingsgerichte beschrijving in hoofdlijnen af te leiden dat de planwetgever niet heeft beoogd om ook vormen van niet-permanente bewoning voor andere dan recreatieve doeleinden (in het normale spraakgebruik: ontspanning, vrije tijdsbesteding) toe te staan.
Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting leidt de voorzieningenrechter af dat de buitenlandse werknemers in de recreatiewoningen zullen verblijven uitsluitend of hoofdzakelijk om hen in staat te stellen betaalde werkzaamheden in Nederland te verrichten, derhalve voor een ander dan recreatief doel. Naar voorlopig oordeel is het hiervoor omschreven voorgenomen gebruik dan ook in strijd met de ter plaatse geldende bestemming “Verblijfsrecreatieve doeleinden”. Daarbij is in aanmerking genomen dat een voorgenomen gebruik als hiervoor omschreven een wezenlijk andere ruimtelijke uitstraling heeft dan niet-permanente bewoning van recreatieve aard.
Naar voorlopig oordeel kan voorts niet worden gezegd dat de blijkens de plankaart aan de grond gegeven bestemming en de bewoordingen van de van toepassing zijnde planvoorschriften onverenigbaar zijn, nu de planvoorschriften vormen van niet-permanente bewoning met een ander dan recreatief doel niet uitdrukkelijk toelaten.
Het gegeven dat gedeputeerde staten van Gelderland goedkeuring hebben onthouden aan de in artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften neergelegde doeleindenomschrijving, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat die doeleindenomschrijving, voor zover van belang voor de beoordeling van het thans in geding zijnde bouwplan, materieel geen nadere omschrijving geeft van de blijkens de plankaart aan het in geding zijnde perceel gegeven bestemming.
Naar voorlopig oordeel is onder deze omstandigheden onzeker of de bestreden bouwvergunning na heroverweging in bezwaar stand kan houden en moet worden gezegd dat onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist, inhoudende dat de bouwvergunning zal worden geschorst.
Gelet op het voorgaande kan hetgeen verzoekers overigens in bezwaar hebben aangevoerd thans onbesproken blijven.
Niet is gebleken dat verzoekers proceskosten hebben gemaakt die op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen.
4. Beslissing
De voorzieningenrechter:
- schorst de bestreden bouwvergunning tot zes weken na bekendmaking van de te nemen beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat verweerders gemeente het betaalde griffierecht van € 281,- aan verzoekers vergoedt.
Aldus gegeven door mr. N.K. van den Dungen-Dijkstra en in het openbaar uitgesproken op
6 oktober 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.