Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0160

Datum uitspraak2006-10-16
Datum gepubliceerd2006-10-16
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsZutphen
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 06/47686
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bewaring / vervolgberoep / gezinnen in detentie / zicht op uitzetting. Bij uitspraak van 29 september 2006 heeft de rechtbank het beroep van de vreemdelinge gericht tegen haar inbewaringstelling ongegrond verklaard. De vreemdelinge heeft vervolgens diezelfde dag beroep ingesteld tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring. De rechtbank verklaart dat beroep ongegrond. De minister heeft informatie verschaft over de ondernomen en nog te ondernemen stappen gericht op uitzetting van de vreemdelinge. Tevens heeft de minister informatie verschaft over de detentieomstandigheden van in bewaring gestelde gezinnen, zoals de vreemdelinge en haar minderjarige zoon, in het Detentiecentrum Zeist. Gelet op die informatie ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de bewaring niet langer gerechtvaardigd is. Wel vindt de rechtbank, gelet op de vorige uitspraak van 29 september 2006 dat verweerder moet stoppen met het vragen aan de vreemdelinge om haar minderjarige zoon elders – dus gescheiden van haar – onder te brengen. Verder vindt de rechtbank van belang dat de minister de door de vreemdelinge bij brief van 10 oktober 2006 verschafte gegevens over haar directe leefomgeving in China met uiterste voortvarendheid betrekt bij het onderzoek naar de identiteit en nationaliteit van de vreemdelinge. Ook over de door de vreemdelinge ingeroepen medische toestand van haarzelf en haar minderjarige zoon dient de minister zich zo snel mogelijk te beraden. Beroep ongegrond, afwijzing verzoek om schadevergoeding. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de bewaring van eiseres en het kind intussen is opgeheven.


Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE Zitting houdende te Zutphen Registratienummer: AWB 06/47686 VRONTN Datum uitspraak: 16 oktober 2006 UITSPRAAK op het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring, toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende: [eiseres] geboren op [geboortedatum] 1981, van Chinese nationaliteit, V-nummer 2006085047, eiseres, mede namens haar minderjarige zoon [naam zoon] geboren op [geboortedatum] 1998, gemachtigde: mr. M.A. Collet, advocaat te Rotterdam, tegen DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE verweerder, gemachtigde: A. van de Burgt, werkzaam bij de IND. 1. Procesverloop Eiseres heeft tegen het voortduren van de bewaring op 29 september 2006 beroep ingesteld. Bij brieven van 9 en 10 oktober 2006 heeft eiseres haar beroep van gronden voorzien. Het beroep strekt tevens tot toekenning van schadevergoeding. Daarnaast is gevraagd om vergoeding van gemaakte onderzoekskosten. Het beroep is behandeld ter zitting van 11 oktober 2006. Eiseresses gemachtigde is daarbij verschenen samen met drs. W.L. Frumau-van Pinxten, kinder- en jeugdpsycholoog. Eiseres is niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. De rechtbank heeft het verzoek van eiseres om op grond van artikel 8:62, tweede lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek ter zitting met gesloten deuren te laten plaatsvinden afgewezen. Ter zitting heeft de rechtbank drs. W.L. Frumau-van Pinxten, voornoemd, als informant gehoord. 2. Overwegingen 2.1 De rechtbank stelt voorop dat het beroep tegen de maatregel van bewaring, opgelegd op 19 september 2006, bij uitspraak van 29 september 2006 (AWB 06/45666) ongegrond is verklaard. Thans staat uitsluitend ter beoordeling of het voortduren van de bewaring sedert het sluiten van het onderzoek in die procedure rechtmatig is. Deze beoordeling wordt begrensd door het moment van sluiting van het onderzoek ter zitting van 11 oktober 2006. 2.2 Gelet op artikel 8:69, eerste lid, van de Awb, dient de rechtbank, voor zover van belang in deze procedure, de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring van eiseres te toetsen aan de hand van de daartegen aangedragen beroepsgronden. 2.3 Eiseres heeft de rechtbank verzocht verweerder te verbieden nog langer aan haar te vragen of zij haar zoon elders wil onderbrengen. Onder verwijzing naar de uitspraak van 29 september 2006, waarin is overwogen dat van eiseres als alleenstaande ouder niet gevergd kan worden dat zij haar minderjarige kind elders – gescheiden van haar – onderbrengt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder deze vraag niet langer aan eiseres kan en mag voorleggen, zoals nog is gedaan tijdens een vertrekgesprek van 3 oktober 2006. Voor zover eiseres voorts met verwijzing naar de belangen van haar minderjarige zoon heeft aangevoerd dat (diverse bepalingen van) het Verdrag inzake de rechten van het kind en de artikelen 5 en 8 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zich tegen haar inbewaringstelling verzetten, alsook dat verweerder ten onrechte aan haar inbewaringstelling ten grondslag heeft gelegd dat eiseres zich zal onttrekken aan haar uitzetting, overweegt de rechtbank dat daarop reeds is beslist bij de hiervoor vermelde uitspraak van 29 september 2006 inzake de inbewaringstelling. 2.4 De rechtbank overweegt dat blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting met eiseres op 3 oktober 2006 een vertrekgesprek is gevoerd en dat op 5 oktober 2006 is gerappelleerd bij de Chinese autoriteiten in het kader van de gebruikelijke – maandelijkse – rappèlfrequentie. Voorts heeft verweerder ter zitting naar voren gebracht dat wordt bezien of eiseres, ook al zijn nog niet alle door de Chinese autoriteiten verlangde identiteitsgegevens voorhanden, in persoon kan worden gepresenteerd bij de Chinese autoriteiten ten behoeve van de afgifte van een laissez-passer. Er is daarmee in deze procedure, gelet op de voorgedragen beroepsgronden, geen grond voor het oordeel dat verweerder niet met de in dit geval vereiste voortvarendheid werkt aan de uitzetting van eiseres en haar minderjarige zoon. Tevens kan niet worden gezegd dat daarop geen reëel zicht (meer) bestaat. De rechtbank neemt daarbij nog in aanmerking dat eiseres, op wie de plicht rust actief en volledig mee te werken aan het onderzoek naar de vaststelling van haar identiteit en nationaliteit, bij brief van 10 oktober 2006, naar ter zitting door haar gemachtigde is gesteld, concrete gegevens over haar directe woonomgeving in China heeft verschaft. Verweerder dient deze gegevens met uiterste voortvarendheid te betrekken bij evenvermeld onderzoek. 2.5 Gezien het voorgaande is verdere toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring van eiseres, mede gezien de duur daarvan, niet in strijd met de Vreemdelingenwet 2000. Evenmin is gebleken dat het voortduren van de bewaring bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verweerder bij brieven van 9 en 10 oktober 2006 informatie heeft verschaft over de aan (een) ouder(s) met kind(eren) geboden faciliteiten en voorzieningen in het Detentiecentrum Zeist. In de enkele stelling van eiseres en haar minderjarige zoon dat geen onderwijs wordt gegeven, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de omstandigheden in het Detentiecentrum Zeist zich verzetten tegen het voortduren van de bewaring van eiseres, mede bezien in het licht van de belangen van haar minderjarige zoon. De stelling dat eiseres en met name haar zoon psychische en fysieke schade ondervinden als gevolg van de inbewaringstelling, onderbouwd met een door drs. M.P. Noten-Collet, psycholoog, opgesteld psychologisch rapport en ter zitting nader toegelicht door drs. W.L. Frumau-van Pinxten, voornoemd, kan thans niet tot een ander oordeel leiden. De rechtbank laat daarbij wegen dat verweerder ter zitting heeft aangegeven dat de door eiseres ingebrachte medische gegevens zullen worden voorgelegd aan het Bureau Medische Advisering (BMA) van de IND. De rechtbank overweegt nadrukkelijk dat consultatie van het BMA alsmede een standpuntbepaling van verweerder naar aanleiding daarvan op korte termijn hun beslag dienen te krijgen. 2.6 Het vorenstaande afwegend dient het beroep ongegrond verklaard te worden en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 2.7 De rechtbank ziet gelet op het vorenstaande geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling noch voor vergoeding van de door eiseres gemaakte onderzoekskosten. 3. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Aldus gegeven door mr. R.J. van Lochem en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2006 in tegenwoordigheid van mr. M.P. Schutte als griffier. Afschrift verzonden op: Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.