
Jurisprudentie
AZ0158
Datum uitspraak2006-09-29
Datum gepubliceerd2006-10-16
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/2008 WSF
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-16
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/2008 WSF
Statusgepubliceerd
Indicatie
Herziening recht op studiefinanciering. Bevoegdheid. Terugvordering te veel uitbetaalde toelage alsmede de OV-vergoeding. Vaststelling vordering wegens het niet tijdig inleveren van de OV-studentenkaart.
Uitspraak
05/2008 WSF
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 11 maart 2005, 04/1157 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene] (hierna: betrokkene),
en
appellante
Datum uitspraak: 29 september 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 7 juli 2006. Aldaar heeft appellante zich doen vertegenwoordigen door mr. M. Wiersma. Betrokkene is niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Betrokkene heeft voor een opleiding aan de Hoge Hotelschool te Maastricht telefonisch studiefinanciering aangevraagd.
Hierop heeft appellante betrokkene met ingang van 1 oktober 2003 voor het studiejaar 2003-2004 studiefinanciering in de vorm van een lening en een OV-vergoeding toegekend voor een opleiding ‘B hoger hotelonderwijs’ aan de Hogeschool Zuyd te Maastricht. Met ingang van 1 januari 2004 is haar een OV-studentenkaart verstrekt.
Na een inschrijvingscontrole heeft appellante de toekenning van studiefinanciering aan betrokkene over het studiejaar 2003-2004 bij besluiten van 28 mei 2004 herzien, in die zin dat is beslist dat zij vanaf 1 september 2003 geen recht op studiefinanciering heeft. Daarbij is de te veel uitbetaalde toelage alsmede de OV-vergoeding teruggevorderd. Verder is ten laste van betrokkene een vordering wegens het niet tijdig inleveren van de OV-studentenkaart vastgesteld.
Het bezwaar dat betrokkene hiertegen heeft ingediend, is bij besluit van 11 augustus 2004 (hierna: het bestreden besluit) door appellante ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat betrokkene studiefinanciering is toegekend voor de reguliere bachelor-opleiding en dat bij controle is gebleken dat betrokkene niet voor deze opleiding, maar voor de niet geaccrediteerde masteropleiding ‘Innovative Hospitality Management’ ingeschreven heeft gestaan. Appellante heeft haar herzieningsbeslissing gebaseerd op artikel 7.1, tweede lid, onder c, van de Wet studiefinanciering 2000 (hierna: WSF 2000). Verder is verwezen naar het bepaalde in artikel 3.27 van de WSF 2000.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door betrokkene tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dit besluit vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:4 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarbij heeft de rechtbank appellante opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen door de rechtbank is overwogen, een en ander met aanvullende beslissingen inzake griffierecht en proceskosten.
Haar oordeel heeft de rechtbank doen steunen op de overweging dat betrokkene telefonisch de juiste opleiding heeft doorgegeven, die door appellante onjuist is geregistreerd. Gelet op het feit dat betrokkene vooraf bij appellante heeft geïnformeerd naar de mogelijkheden van studiefinanciering en een juiste aanvraag heeft ingediend, had appellante niet mogen herzien zonder een belangenafweging te hebben doen plaats vinden. Verder is overwogen dat ten onrechte een vordering wegens het niet tijdig inleveren van de OV-studentenkaart ten laste van betrokkene is vastgesteld, aangezien betrokkene genoegzaam heeft aangetoond dat het niet tijdig inleveren van de OV-studentenkaart haar niet in redelijkheid verweten kan worden.
Appellante heeft zich niet kunnen verenigen met het oordeel van de rechtbank. Daartoe heeft appellante in essentie aangevoerd dat er in het onderhavige geval geen aanleiding is om niet ten volle gebruik te maken van de herzieningsbevoegdheid, aangezien betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij van tevoren bij appellante heeft geïnformeerd naar de mogelijkheden van studiefinanciering noch dat zij een juiste aanvraag heeft ingediend. Appellante hanteert als beleid dat indien een besluit tot stand komt op basis van door betrokkene verstrekte onjuiste gegevens herziening in beginsel ten volle plaats vindt. Ingeval van door betrokkene juist verstrekte, maar door appellante onjuist verwerkte gegevens vindt de herziening eveneens in beginsel ten volle plaats tenzij er ten aanzien van de registratie van de verkeerde gegevens sprake is van meerdere fouten aan de zijde van appellante, terwijl de betrokkene niet redelijkerwijs kon weten dat de oorspronkelijke beslissing onjuist was.
Ten aanzien van het oordeel dat de ten laste van betrokkene vastgestelde vordering wegens het niet tijdig inleveren van de OV-studentenkaart ten onrechte is gehandhaafd, heeft appellante aangevoerd dat niet is aangetoond dat betrokkene het niet tijdig inleveren van de OV-studentenkaart op geen enkele wijze kan worden toegerekend.
Betrokkene stelt wel degelijk telefonisch informatie te hebben ingewonnen en van begin af aan te hebben duidelijk gemaakt dat zij voor de masteropleiding studiefinanciering vroeg; appellante was hier van op de hoogte. Voorts stelt zij dat niet van haar gevergd kon worden dat zij de OV-kaart eerder inleverde dan de datum waarop zij zich bewust is geworden van het feit dat zij geen recht had op studiefinanciering.
De Raad overweegt als volgt.
Allereerst stelt de Raad vast dat betrokkene over het studiejaar 2003-2004 geen (wettelijk) recht had op studiefinanciering. Daartoe overweegt de Raad dat ingevolge de WSF 2000, voor zover in dit geding van belang, uitsluitend studiefinanciering kan worden toegekend aan studerenden die voldoen aan het formele vereiste dat zij ingeschreven staan voor een geaccrediteerde opleiding. Betrokkene heeft niet aan dit vereiste voldaan.
Verder is de Raad, anders dan de rechtbank, van oordeel dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat zich in het onderhavige geval (mogelijk) een situatie voordoet op grond waarvan appellante niet in redelijkheid ten volle gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid om een beschikking waarbij studiefinanciering is toegekend te herzien.
Daartoe overweegt de Raad dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voor de juiste opleiding studiefinanciering heeft aangevraagd. Uit de telefoonnotitie die van de aanvraag is opgemaakt is dat niet af te leiden. Er is mitsdien sprake van door betrokkene onjuist verstrekte gegevens, zodat op basis van het door appellante gevoerde – niet kennelijk onredelijke – beleid herziening dient plaats te vinden. Voor afwijking van het beleid bestaat geen aanleiding. Ten overvloede merkt de Raad nog het volgende op. Dat betrokkene heeft aangevoerd dat zij niet kon weten dat het toekenningsbesluit onjuist was doet aan het vorenstaande niet af. Het al dat niet kunnen weten of een toekenningsbesluit onjuist is kan bij de gebruikmaking van de bevoegdheid ex artikel 7, tweede lid, aanhef en onder c, van de WSF 2000 ingevolge het door appellant gevoerde beleid immers slechts een rol spelen in de hier niet aan de orde zijnde situatie dat betrokkene juiste gegevens heeft verstrekt. De Raad merkt overigens geheel ten overvloede op dat ook in de situatie dat betrokkene wel een juiste opgave had gedaan van haar studie appellante tot een herzieningsbeslissing als in geding had kunnen overgaan. Ook in die situatie is het
– nu er geen sprake van is dat appellante herhaaldelijk fouten heeft gemaakt bij de verwerking van door betrokkene verstrekte gegevens – niet van belang of betrokkene redelijkerwijs kon weten dat het toekenningsbesluit onjuist was.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen stelt de Raad vast dat betrokkene niet heeft voldaan aan de verplichting om de OV-studentenkaart tijdig in te leveren. Bij niet tijdig inleveren van de OV-studentenkaart is degene aan wie de kaart is verstrekt ingevolge artikel 3.27, derde lid, van de WSF 2000 voor het nog resterende deel van de geldig-heidsduur ervan een bedrag van € 68,- per halve kalendermaand of een deel van een halve kalendermaand verschuldigd, tenzij met betrekking tot die periode of een gedeelte daarvan wordt aangetoond dat het niet tijdig inleveren van de kaart betrokkene op geen enkele wijze kan worden toegerekend. Naar het oordeel van de Raad hanteert de rechtbank derhalve ten onrechte het criterium dat het inleveren van de kaart betrokkene in redelijkheid niet verweten kan worden. Dat er sprake is van een situatie waarin het niet tijdig inleveren van de kaart betrokkene op geen enkele wijze kan worden toegerekend, is in het onderhavige geval niet aangetoond.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep van appellante doel treft en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Verder is de Raad van oordeel dat het inleidend beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit alsnog ongegrond dient te worden verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J. Brand en
I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van
M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 september 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
MH