Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0153

Datum uitspraak2006-10-10
Datum gepubliceerd2006-10-16
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/2657 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Overschrijding bezwaartermijn. De rechtbank heeft terecht het bestreden besluit vernietigd en het bezwaar met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb niet-ontvankelijk verklaard. Prematuur bezwaar. Voorschrift van openbare orde. Ambtshalve toetsing. Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar.


Uitspraak

06/2657 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 4 april 2006, 05/1020 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) Datum uitspraak: 10 oktober 2006 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat te Lelystad, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gloudi. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.D. van Someren. II. OVERWEGINGEN De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten. Aan appellant is met ingang van 5 februari 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsonge-schiktheid van 80 tot 100% toegekend. Appellant is in het kader van de eerstejaars herbeoordeling op 8 mei 2003 tijdens het spreekuur van de verzekeringsarts M.A.W. Iemenschot onderzocht. Iemenschot heeft appellant toen medegedeeld dat zij op basis van haar onderzoek hem met arbeid belastbaar achtte, rekening houdende met beperkte stressbestendigheid. Volgens haar rapport heeft appellant daarop gereageerd met de mededeling dat hij het daarmee wel eens was, mits de druk niet te hoog zou worden opgevoerd. Bij een op 4 september 2003 ontvangen brief aan de afdeling AG van UWV/GAK met als onderwerp "bezwaarschrift keuring WAO" verzocht appellant om een herkeuring door een andere verzekeringsarts omdat hij vond dat hij nog niet kon werken. De arbeidsdeskundige J. Koedam heeft op basis van de door de verzekeringsarts Iemenschot vastgestelde belastbaarheid functies geselecteerd en op 23 september 2003 met appellant gesproken. In haar rapport heeft Koedam onder meer aangegeven dat zij appellant heeft medegedeeld dat hij voor minder dan 15% arbeidsongeschikt werd beschouwd en dat appellant bezwaar kon maken als hij het met de te nemen beslissingen niet eens was. Appellant gaf volgens Koedam aan dat hij zeker in bezwaar zou gaan. Koedam heeft bij brief van 6 oktober 2003 een en ander schriftelijk aan appellant bevestigd. Bij besluit van 7 oktober 2003 heeft het Uwv de appellant toegekende uitkering ingevolge de WAO met ingang van 6 oktober 2003 ingetrokken, omdat appellant voor minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht. Bij brief van 1 maart 2004 heeft het Uwv appellant onder meer het volgende medegedeeld: "Hierbij bevestigen wij de ontvangst van uw bezwaarschrift. Ons is gebleken dat uw originele bezwaarschrift in september 2003 op de afdeling AG is ontvangen. Dat bezwaarschrift is echter nooit doorgestuurd naar de afdeling Bezwaar en Beroep. In februari 2004 heeft u een kopie van uw bezwaarschrift opgestuurd. Deze kopie is wel door de afdeling AG aan de afdeling Bezwaar en Beroep doorgestuurd. Wij merken uw bezwaarschrift aan als een te vroeg ingediend bezwaarschrift tegen de beslissing van 7 oktober 2003. U heeft uw bezwaarschrift namelijk in september 2003 ingediend, dus voordat de beslissing van 7 oktober 2003 was afgegeven. Het bezwaarschrift en het dossier worden thans bestudeerd door medewerkers van de afdeling bezwaar en beroep. Na bestudering van de stukken zal het besluit waartegen uw bezwaar is gericht worden heroverwogen." Vervolgens is bij besluit van 16 juni 2005, verder: het bestreden besluit, appellants bezwaar tegen het besluit van 7 oktober 2003 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en, zelf in de zaak voorziende, het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard met bepaling dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit. Voorts is het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellant en tot vergoeding van griffierecht. In de aangevallen uitspraak, waarin appellant "eiser" en het Uwv "verweerder" wordt genoemd, is onder meer het volgende overwogen: "Beoordeling van het beroep Eiser heeft bezwaar gemaakt op 4 september 2003. Het bezwaar is ingesteld voordat het arbeidskundig onderzoek was afgerond en voordat het primaire besluit was genomen. Er is derhalve sprake van een voortijdig ingediend bezwaarschrift. Op grond van artikel 6:10, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) blijft niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening: a. wel reeds tot stand was gekomen, of b. nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat hij uit de wijze waarop het medisch onderzoek heeft plaatsgevonden in mei 2003 heeft begrepen dat zijn WAO-uitkering zou worden ingetrokken. Dit was volgens eiser de reden waarom hij direct na het medisch onderzoek bezwaar heeft gemaakt. Gelet echter op de inhoud van de brief waarin eiser enkel aangeeft het niet eens te zijn met de wijze van keuring, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangenomen dat eiser redelijkerwijs kon menen dat het besluit tot intrekking van zijn uitkering reeds tot stand was gekomen. Bovendien heeft eiser ook niet onmiddellijk na het medisch onderzoek in mei 2003 bezwaar gemaakt, maar pas in september 2003. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 6:10 eerste lid sub b Awb. Het bezwaarschrift van 4 september 2003 kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin geacht worden te zijn gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit in de zin van artikel 6:12 Awb. Zoals hiervoor overwogen heeft eiser, gelet op de inhoud van het bezwaarschrift en op hetgeen ter zitting is aangegeven, met het bezwaar slechts beoogd een herkeuring aan te vragen. Op grond van het voorgaande is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Dit betekent dat het bestreden besluit geen stand kan houden. De rechtbank maakt gebruik van haar bevoegdheid op grond van artikel 8:72. vierde lid, van de Awb en bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit." In hoger beroep neemt appellant het standpunt in dat met betrekking tot de brief van 4 september 2003 er sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6:10, eerste lid aanhef en onder b van de Awb. Ook het Uwv is van oordeel dat de rechtbank ten onrechte het bestreden besluit niet in stand heeft gelaten. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het Uwv onder meer het volgende betoogd: " Artikel 6:6 Awb is een 'kan-bepaling' en bevat derhalve een discretionaire bevoegdheid: het bezwaar kan niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan een bij wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van een bezwaarschrift. Artikel 6:10 Awb geeft een nadere uitwerking van artikel 6:6 Awb voor een specifieke situatie: namelijk wanneer het bezwaarschrift voor het begin van de termijn is ingediend. In dat geval schrijft de wet dwingend voor dat niet-ontvankelijkverklaring achterwege blijft indien: a. het besluit wel reeds tot stand was gekomen, of b. betrokkene redelijkerwijs kon menen dat het besluit wel reeds tot stand was gekomen. Met de rechtbank zijn wij van mening dat de situaties a en b zich i.c. niet voordoen. Maar waar wij met de rechtbank van mening over verschillen is dat de rechtbank kennelijk van oordeel is dat de a en b grond limitatief zijn bedoeld. Dus dat niet-ontvankelijkverklaring alleen achterwege kan blijven als a of b zich voordoet. Tekst van noch toelichting op artikel 6:10 Awb bieden steun voor deze interpretatie. De tekst van artikel 6:10 Awb bepaalt dat niet-ontvankelijkverklaring (op grond van het feit dat het bezwaarschrift te vroeg is) achterwege blijft als a of b aan de orde is, en sluit daarmee geenszins uit dat niet-ontvankelijkverklaring ook op andere gronden achterwege kan blijven. De hoofdregel mbt niet-ontvankelijkverklaring, in artikel 6:6 Awb, geeft een discretionaire bevoegdheid, die slechts doorbroken wordt in situaties a en b. De hoofdregel blijft dus gelden voor overige situaties. De toelichting op artikel 6:10 Awb biedt steun voor deze lezing, zoals beschreven in ons hoger beroepschrift." De Raad oordeelt als volgt. Artikel 6:6 van de Awb houdt een discretionaire bevoegdheid in met betrekking tot een niet-ontvankelijkverklaring indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep. Die discretionaire bevoegdheid biedt een bestuursorgaan enige ruimte om al dan niet tot een niet-ontvankelijkverklaring van een bezwaar over te gaan. In de memorie van toelichting op artikel 6:6 van de Awb is vermeld dat het daarbij gaat om herstelbare vormverzuimen. In het onderhavige geval gaat het niet om herstelbare vormverzuimen, waarop artikel 6:6 van de Awb ziet, maar om de toepassing van de wettelijke voorschriften met betrekking tot de termijn voor het indienen van bezwaar en beroep, waaronder ook wordt begrepen de in artikel 6:10 van de Awb opgenomen regeling. In de wetsgeschiedenis op artikel 8:69 van de Awb is te vinden dat de wetgever dergelijke voorschriften beschouwt als van openbare orde en van oordeel is dat deze door de rechter ambtshalve dienen te worden toegepast, ook al zou tussen partijen de ontvankelijkheid van een bezwaar of beroep geen punt van geschil zijn. De Raad wijst op zijn uitspraak van 19 november 1996, LJN: ZB6549 en met name op zijn uitspraak van 27 maart 2002, LJN: AE1868, waaruit de Raad de volgende overweging citeert: "Dat de overschrijding door gedaagde van de beroepstermijn in eerste aanleg in hoger beroep geen punt van geschil tussen partijen is, is voor de Raad geen grond om deze bij zijn beoordeling buiten beschouwing te laten, aangezien hij van oordeel is dat hij zich over de toepassing van bepalingen van openbare orde, zoals die welke de tijdigheid van het indienen van een beroepschrift betreffen, in beginsel ambtshalve zal hebben uit te spreken. De Raad vindt daarvoor steun in de memorie van antwoord aan de Tweede kamer bij artikel 8:69 van de Awb, waarin de regering heeft uitgesproken dat regels inzake bevoegdheid en ontvankelijkheid van openbare orde zijn en niet ter vrije beschikking van partijen staan en dat de rechter zich niet zal conformeren aan een ten onrechte verschoonbaar geoordeelde termijnoverschrijding (Tweede Kamer 1992-1993, 22495, nr. 6 blz. 54)." Ook in een geval als het onderhavige, waarin eveneens sprake was van een prematuur bezwaarschrift dat door het Uwv als ontvankelijk was aangemerkt en waarbij de rechtbank het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk had verklaard, heeft de Raad al eerder geoordeeld dat het gaat om voorschriften van openbare orde die door de rechter ambtshalve dienen te worden getoetst. De Raad wijst op zijn uitspraak van 10 augustus 2005, LJN: AU0931. De Raad is daarom van oordeel dat de rechtbank terecht ambtshalve de ontvankelijkheid van het bezwaar heeft beoordeeld. Eveneens terecht heeft de rechtbank vastgesteld dat zich hier niet een van de gevallen als beschreven in artikel 6:10 van de Awb heeft voorgedaan waarin niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar achterwege dient te blijven. Met name was er noch na het onderzoek van de verzekeringsarts Iemenschot in mei 2003 noch op 4 september 2003 sprake van een situatie waarin appellant redelijkerwijs kon menen dat het besluit om zijn uitkering ingevolge de WAO in te trekken reeds tot stand was gekomen. Uit niets blijkt dat Iemenschot zich in die zin tegenover appellant mondeling of schriftelijk heeft uitgelaten en het arbeidskundig onderzoek dat tot de uiteindelijke intrekking aanleiding heeft gegeven heeft eerst na 4 september 2003 plaatsgevonden. Voorts overweegt de Raad dat de omstandigheid dat appellant uit de uitlatingen van Iemenschot heeft begrepen dat hij op termijn in staat werd geacht om in aangepast werk te hervatten niet impliceert dat hij op die grond redelijkerwijs kon menen dat het besluit tot intrekking van zijn uitkering reeds genomen was. Ten slotte overweegt de Raad ambtshalve dat de herhaalde inzending van de brief van 4 september 2003 in februari 2004 en dus na afloop van de bezwaartermijn van 6 weken heeft plaatsgevonden. Het in artikel 6:11 van de Awb bedoelde geval heeft zich hier niet voorgedaan, waarbij de Raad onder meer in aanmerking heeft genomen dat appellant door de arbeidsdeskundige Koedam op 23 september 2003 is gewezen is op de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen het intrekkingsbesluit. Dit alles leidt de Raad tot de slotsom dat de rechtbank terecht het bestreden besluit heeft vernietigd en het bezwaar met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb niet-ontvankelijk heeft verklaard. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en N.J. Haverkamp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2006. (get.) K.J.S. Spaas. (get.) M. Gunter. MH