Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0137

Datum uitspraak2006-10-11
Datum gepubliceerd2006-10-16
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/2327 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

WAO-schatting.


Uitspraak

04/2327 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 maart 2004, reg. nr. 03/3054 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 11 oktober 2006 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft L. Öz, werkzaam bij Aldoss, Juridisch Informatie & Advies Bureau te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2006. Appellant noch zijn gemachtigde is verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door A.W.G. Determan. II. OVERWEGINGEN De Raad neemt als vaststaand aan de feiten en omstandigheden die als zodanig zijn vermeld in de aangevallen uitspraak. In de aangevallen uitspraak is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellant per 7 maart 2003 een WAO-uitkering te verstrekken, omdat appellant per die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Appellant heeft bij de Raad een uitgebreid hoger beroepschrift ingediend, maar in essentie heeft hij dezelfde gronden als in het beroepschrift - zoals aangevuld ter zitting bij de rechtbank - naar voren gebracht. In hoger beroep heeft appellant geen nieuwe verklaringen van een medicus of een andere deskundige ingebracht met betrekking tot zijn gezondheidssituatie en zijn (on)mogelijkheden om per 7 maart 2003 de hem door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies te verrichten. De in hoger beroep ingezonden verklaring van de huisarts van appellant van 30 juni 2003 maakte reeds deel uit van de gedingstukken in de procedure bij de rechtbank. De rechtbank heeft aan deze verklaring in de aangevallen uitspraak een overweging gewijd. De Raad is van oordeel dat de rechtbank de grieven van appellant afdoende heeft besproken en genoegzaam heeft gemotiveerd waarom die grieven niet kunnen slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig. Nu appellant in hoger beroep geen gronden heeft aangevoerd die niet door de rechtbank zijn beoordeeld en de Raad, zoals hiervoor overwogen, het oordeel van de rechtbank juist acht, treft het hoger beroep geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris-van Huusssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2006. (get.) J. Brand. (get.) A.C.W. Ris-van Huusssen. MH