Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0134

Datum uitspraak2006-10-06
Datum gepubliceerd2006-10-16
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/2061 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Beperking kennisneming medische stukken. 6 EVRM.


Uitspraak

04/2061 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 9 maart 2004, 2003/495 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) Datum uitspraak: 6 oktober 2006 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J. In ’t Ven, advocaat te Echt, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De werknemer [werknemer] (hierna: werknemer) van appellante heeft niet gereageerd op de door de Raad aan hem gestelde vraag of hij al dan niet toestemming geeft om appellante inzage te geven in zijn medische gegevens, zodat de toestemming om de medische gegevens ter kennisname van appellante te brengen in hoger beroep moet worden geacht niet te zijn verleend. In verband hiermee heeft de Raad in hoger beroep toepassing gegeven aan artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waardoor kennisname van de medische stukken is voorbehouden aan mr. In ’t Ven, voornoemd. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 14 juli 2006, waar partijen – met voorafgaand bericht – niet zijn verschenen. II. OVERWEGINGEN Bij besluit van 10 maart 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv ongegrond verklaard het namens appellante ingediende bezwaar tegen het besluit van 16 mei 1997 waarbij aan werknemer met ingang van 11 juni 1997 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Namens appellante heeft mr. In ’t Ven bij brief van 29 april 2003 in beroep -kort samengevat- aangevoerd dat appellante uitsluitend deugdelijke gronden tegen de toekenning van de WAO-uitkering aan werknemer kan formuleren indien zij zelf de beschikking heeft over alle aan het bestreden besluit ten grondslag liggende gegevens. Bij gebrek aan kennisname van de medische gegevens kan appellante niet anders dan ontkennen dat werknemer enig recht op een WAO-uitkering had. Nadat de werknemer desgevraagd aan de rechtbank heeft verklaard dat hij geen toestemming geeft om gegevens omtrent zijn medische toestand aan appellante te verstrekken heeft de rechtbank aan mr. In ’t Ven de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medische stukken toegezonden onder toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb. Bij schrijven van 23 januari 2004 heeft mr. In ’t Ven de rechtbank meegedeeld niet langer op te treden als gemachtigde van appellante. Daarop heeft appellante verzocht om toezending aan haar van alle aan het bestreden besluit ten grondslag liggende stukken. Bij brief van 2 februari 2004 heeft appellante gesteld dat nu zij zelf de medische stukken van de rechtbank niet mag inzien zij niet bij machte is om sluitende beroepsgronden te formuleren. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Ten aanzien van de grief met betrekking tot het niet bij machte zijn om de medische gegevens op hun merites te bezien, heeft de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 7 januari 2003, 01/1795 WAO, gepubliceerd in USZ 2003/139, overwogen dat geen sprake is van een onevenredig nadelige positie van de werkgever omdat de gemachtigde van appellante in staat moet worden geacht, al dan niet in samenwerking met een arts, de belangen van appellante in voldoende mate te behartigen. Voor wat betreft de inhoudelijke kant van de zaak heeft de rechtbank overwogen dat zij geen aanknopingspunten heeft gevonden om aan te nemen dat het bestreden besluit op onjuiste gronden zou berusten. In hoger beroep is van de zijde van appellante tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd dat zij nadat in beroep was besloten dat zij zonder gemachtigde de procedure zou voortzetten, zelf alsnog de beschikking had moeten krijgen over de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medische gegevens. Bij gebreke hiervan was zij als werkgever niet in staat om de medische gegevens op hun merites te bezien en te overwegen in hoeverre een medische contra-expertise kan bijdragen aan een (nadere) deugdelijke formulering van de beroepsgronden. De betrokken partijen beschikten zo niet over gelijke procesinformatie waarmee appellante als persoonlijk procederende partij wezenlijk is benadeeld en in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) geen eerlijk proces heeft gehad. Toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb ten aanzien van de medische gegevens moet ten opzichte van een werkgever die zonder gemachtigde procedeert achterwege blijven omdat de werkgever anders het recht om persoonlijk te procederen (gedeeltelijk) wordt ontnomen. De Raad overweegt dienaangaande als volgt. Onder verwijzing naar zijn vaste jurisprudentie, waaronder zijn uitspraak van 20 juli 2001, gepubliceerd in USZ 2001/199, RSV 2001/205, JB 2001/256 en AB 2001/252, is de Raad van oordeel dat aan de uit artikel 6 van het EVRM voortvloeiende elementaire eisen ten aanzien van een eerlijk proces wordt voldaan indien – de artikelen 88c en 88g van de WAO in zoverre buiten toepassing latend – in rechterlijke procedures met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb wordt bepaald dat inzage in dan wel kennisneming of toezending van de (op de zaak betrekking hebbende) medische gegevens van de werknemer is voorbehouden aan een gemachtigde van de werkgever die arts of advocaat is dan wel daartoe van de rechter bijzondere toestemming heeft gekregen en dat deze gemachtigde(n) – voor zover het de medische aspecten betreft – in de plaats van de werkgever treden. De Raad wijst erop dat hij in zijn jurisprudentie – onder meer in de bovengenoemde uitspraak van 20 juli 2001 en de uitspraak van 7 januari 2003, gepubliceerd in USZ 2003/139 – expliciet heeft onderkend dat wat de medische stukken met betrekking tot de werknemer betreft de werkgever met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb niet op geheel gelijke voet als de werknemer en het bestuursorgaan aan het geding kan deelnemen, maar tevens heeft blijk gegeven van het oordeel dat van een wezenlijk nadeliger positie ten opzichte van de andere partijen geen sprake is. De Raad onderkent dat de toegang tot de rechter voor de werkgever wordt bezwaard doordat hij niet zelf alle stukken mag inzien maar zich voor een adequate procesvoering zal moeten laten bijstaan door een (of meerdere) hulppersoon (hulppersonen) die ex artikel 8:32, tweede lid, van de Awb de medische stukken dient (dienen) te beoordelen, maar is van oordeel dat de beperking van kennisname van de medische stukken door appellante zelf haar rechtvaardiging vindt in het zwaarder wegende recht op privacy van de werkneemster. Gezien het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2006. (get.) J. Janssen. (get.) M.C.T.M. Sonderegger. MK