
Jurisprudentie
AZ0118
Datum uitspraak2006-10-11
Datum gepubliceerd2006-10-16
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep kort geding
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers0500633
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-16
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep kort geding
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers0500633
Statusgepubliceerd
Indicatie
Hoger beroep tegen kort geding vonnis terzake van executie van de voorlopige uitspraak inzake het bestaan van pachtovereenkomst. Spoedeisend belang aanwezig geacht. Executiemaatregelen verboden.
Uitspraak
Arrest d.d. 11 oktober 2006
Rolnummer 0500633
HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN
Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:
[appellant],
wonende te [woonplaats appellant],
appellant,
in eerste aanleg: eiser,
hierna te noemen: [appellant],
procureur: mr P.R. van den Elst,
tegen
L. Vos Landbouwbedrijf B.V.,
gevestigd te Sint Oedenrode,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna te noemen: Vos Landbouwbedrijf B.V.,
procureur: mr J.V. van Ophem.
Het geding in eerste instantie
In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kortgedingvonnis uitgesproken op 21 november 2005 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen.
Het geding in hoger beroep
Bij exploot van 16 december 2006 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van Vos tegen de zitting van 28 december 2005.
De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep luidt:
"bij arrest, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op alle dagen en uren op de minuut, het vonnis van de Voorzieningenrechter te Groningen van 21 november 2005 onder het zaaknummer 82892 /KG ZA 05-348 tussen appellant als eiser en geïntimeerde als gedaagde gewezen te vernietigen en opnieuw rechtdoende alsnog de gevorderde voorlopige voorzieningen toe te wijzen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."
[appellant] heeft een memorie van grieven genomen en daarbij zijn eis gewijzigd in die zin dat:
"ook wordt bepaald dat Vos Landbouw het door [appellant] betaalde bedrag van euro 1.191,--, zulks vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van betaling, door [appellant] aan Vos Landbouw, tot en met de dag der algehele terugbetaling, aan [appellant] terugbetaalt."
Bij memorie van antwoord is door Vos verweer gevoerd met als conclusie:
"appellant niet ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, althans het door hem ingestelde beroep ongegrond te verklaren, onder bevestiging van het Kort Geding vonnis van de Voorzieningenrechter te Groningen van 21 november 2005, met veroordeling van appellant in de kosten van de procedure in beide instanties."
Voorts heeft [appellant] een akte genomen, en vervolgens heeft Vos een antwoordakte genomen.
Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.
De grieven
[appellant] heeft vijf grieven opgeworpen.
De beoordeling
Met betrekking tot de feiten
1. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet dan wel onvoldoende betwist het volgende vast:
a) De directeur van Vos Landbouwbedrijf B.V., [de directeur] (hierna verder [de directeur] te noemen), is eigenaar van een aantal landbouwpercelen, kadastraal bekend gemeente Oude Pekela E 876, E 93 en E 699, gelegen aan de [adres]. Op deze percelen staan een aardappelschuur en een werktuigberging welke in gebruik zijn bij [appellant], die daarvoor aan [de directeur] een vergoeding betaalt.
b) De genoemde opstallen kunnen per landbouwvoertuig en vrachtauto worden bereikt vanaf de Bronsveenlaan over een geasfalteerd pad, alsmede vanaf de Korenlaan over een halfverhard sintelpad. Beide paden maken onderdeel uit van perceel E 876.
c) [appellant] heeft vanaf 1996 van beide paden gebruik gemaakt met landbouwvoertuigen ten behoeve van het stallen van voertuigen alsmede de aanvoer van aardappelen, terwijl ook voor de afvoer van aardappelen met vrachtauto's van de beide paden gebruik is gemaakt.
d) Perceel E 876 is sinds 1 januari 2005 in gebruik bij [de directeur] dan wel Vos Landbouwbedrijf B.V. Voordien heeft [appellant] dit perceel gebruikt, maar partijen verschillen van mening over de hoedanigheid waarin hij dat heeft gedaan. [appellant] meent dat hij die percelen heeft gepacht, terwijl Vos Landbouwbedrijf B.V. van opvatting is dat hij slechts als loonwerker is opgetreden. Hierover voeren partijen een bodemprocedure bij de rechtbank Groningen.
e) Bij vonnis van 19 november 2004 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen in kort geding uitspraak gedaan tussen partijen (waarbij Vos Landbouwbedrijf B.V. als eiseres optrad en [appellant] als gedaagde) en daarbij - onder oplegging van een dwangsom - het volgende bepaald:
gebiedt gedaagde met ingang van 1 januari 2005 de gronden zoals behorend tot het landbouwareaal van eiseres (en terzake waarvan gedaagde pachtrechten claimt), ter vrije beschikking te stellen c.q. te laten van eiseres en zich te onthouden van enige inbreuk op de belangen van eiseres terzake of bewerkingshandelingen te plegen op deze grond of zich anderszins daarop te begeven, zolang niet door de pachtrechter bij gewijsde zal zijn vastgesteld dat gedaagde terzake van de exploitatie van deze grond enig recht toekomt.
Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel aangewend.
f) In oktober 2005 hebben voertuigen ten behoeve van de aan- en afvoer van aardappelen naar en van de door [appellant] gebruikte aardappelschuur zesmaal gebruik gemaakt van het sintelpad. Vos Landbouwbedrijf B.V. stelt zich op het standpunt dat [appellant] hierdoor het vonnis van 19 november 2004 heeft overtreden en zij heeft [appellant] door middel van een deurwaardersexploot op 21 oktober 2005 doen aanzeggen dat hij door het gebruik van bedoeld pad in oktober 2005 een bedrag van euro 75.000,= aan dwangsommen heeft verbeurd en hem tot betaling daarvan gesommeerd.
Wijziging van eis
[appellant] heeft bij memorie van grieven zijn petitum gewijzigd zoals hiervoor vermeld. Tegen deze wijziging van de eis heeft Vos Landbouwbedrijf B.V. zich niet verzet, zodat het hof de gewijzigde vordering van [appellant] heeft te beoordelen.
Met betrekking tot de grieven
Grief I
2. In deze grief verwijt [appellant] de voorzieningenrechter dat deze heeft geoordeeld dat hij geen spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, nu de raadsman van Vos Landbouwbedrijf B.V. ter zitting te kennen heeft gegeven dat geen executiemaatregelen zouden worden getroffen voordat in de bodemprocedure tussen [de directeur] en [appellant] een eindbeslissing is gegeven.
3. [appellant] stelt zich op het standpunt dat hij nog steeds een spoedeisend belang heeft, aangezien het voor hem van belang is dat Vos Landbouwbedrijf B.V. geen aanspraak kan maken op verbeurde dwangsommen wanneer door hem gebruik wordt gemaakt van het sintelpad, welk gebruik hij voor zijn bedrijf ook in de (nabije) toekomst noodzakelijk acht. [appellant] wijst erop dat, indien hij dwangsommen verbeurt door overtreding van het vonnis van 19 november 2004, hij deze zal dienen te betalen, ook wanneer hij in de bodemprocedure in het gelijk zou worden gesteld.
4. Het hof stelt voorop dat [appellant] bij inleidende dagvaarding - zakelijk samengevat - heeft gevorderd dat de voorzieningenrechter Vos Landbouwbedrijf B.V. zal verbieden dat zij enige executiemaatregel treft op basis van de feiten zoals weergegeven in het exploot van de deurwaarder van 21 oktober 2005, althans te gebieden de reeds getroffen executiemaatregelen ongedaan te maken.
5. Vos Landbouwbedrijf B.V. heeft bij memorie van antwoord aangegeven dat zij ter gelegenheid van het kort geding in eerste aanleg heeft meegedeeld dat zij geen afstand deed van haar claim terzake van de dwangsommen, maar dat zij vooralsnog niet tot feitelijke executiemaatregelen zou overgaan totdat duidelijk is hoe in de pachtprocedure wordt beslist.
6. Het hof is van oordeel dat [appellant], niettegenstaande de mededeling van Vos Landbouwbedrijf B.V. dat vooralsnog de executie niet zal worden voortgezet, nog steeds een spoedeisend belang heeft bij de door hem gevraagde voorziening. Het hof acht daarvoor voldoende dat het voor de beoordeling van de vordering van [appellant] noodzakelijk is om een inhoudelijk oordeel te geven over de vraag of het gebruik van het bedoelde sintelpad een overtreding oplevert van het vonnis van 19 november 2004. In het licht van de stelling van [appellant] dat hij ten behoeve van de aan- en afvoer van aardappels het halfverharde sintelpad nodig heeft, moet dan ook worden geoordeeld dat [appellant] bij zijn vordering een spoedeisend belang heeft.
7. De grief is terecht voorgedragen. Of dit [appellant] ook baat, zal worden bezien aan de hand van de beslissing op de overige grieven.
Met betrekking tot de grieven II en III
8. De positieve zijde van de devolutieve werking van het hoger beroep brengt mee dat de in eerste aanleg door partijen aan de orde gestelde, maar buiten behandeling gebleven stellingen en weren, alsnog ambtshalve door het hof moeten worden behandeld. De voorzieningenrechter heeft in eerste aanleg in een overweging ten overvloede nog overwogen dat naar zijn voorlopig oordeel Vos Landbouwbedrijf B.V. rechthebbende is ten aanzien van het sintelpad, tegen welk oordeel de grieven 2 en 3 zich richten. Het hof zal hetgeen partijen naar aanleiding van deze grieven over en weer hebben gesteld bij zijn beoordeling betrekken, voor zover nodig voor de beantwoording van de voor dit executiekortgeding van belang zijnde vraag of [appellant] het vonnis van 19 november 2004 in oktober 2005 heeft overtreden door met voertuigen gebruik te maken van het sintelpad.
9. [appellant] heeft in de eerste plaats betoogd dat het vonnis van 19 november 2004 geen betrekking heeft op perceel E 876 en dat hij alleen al daarom dit vonnis niet kan hebben overtreden, nu het sintelpad onderdeel uitmaakt van dat perceel. Verder heeft [appellant] nog aangevoerd dat in het vonnis van 19 november 2004 expliciet kenbaar is gemaakt dat het verbod enkel ziet op het landbouwkundig areaal waartoe wegen en waterlopen niet behoren. Deze stellingen zijn door Vos Landbouwbedrijf B.V. betwist.
10. Het hof is van oordeel dat deze stellingen van [appellant] geen beoordeling behoeven, gelet op hetgeen hierna zal worden overwogen, waarbij van de veronderstelling wordt uitgegaan dat het vonnis van de voorzieningenrechter van 19 november 2004 mee betrekking heeft op perceel E 876. Daarvan uitgaande zal de vraag worden beoordeeld of [appellant] bedoeld vonnis heeft overtreden.
11. Uit het deurwaardersexploot van 21 oktober 2005 blijkt dat Vos Landbouwbedrijf B.V. van mening is dat [appellant] het vonnis van 19 november 2004 heeft overtreden, doordat "aardappelauto's" zich in oktober 2005 in opdracht van [appellant] zesmaal op het (op perceel E 876 gelegen) sintelpad hebben begeven.
12. Het hof kan uit het vonnis van 19 november 2004 en de door partijen overgelegde stukken niet afleiden dat in die procedure het gebruik door [appellant] van de aardappelschuur en de werktuigberging onderwerp van debat is geweest. Veeleer was in die procedure de vraag aan de orde wie van partijen aanspraak kon maken op de landbouwkundige bewerking van de betrokken percelen, in welk kader de vraag van belang was of uit de door [appellant] verrichte werkzaamheden een pachtverhouding met Vos Landbouwbedrijf B.V. kon worden afgeleid. De voorzieningenrechter heeft die vraag vooralsnog ontkennend beantwoord en op grond daarvan [appellant] verboden om zich - onder meer - op perceel E 876 te begeven.
13. Het hof is dan ook van oordeel dat de voorzieningenrechter zich in zijn vonnis van 19 november 2004 niet heeft uitgesproken over het gebruik dat [appellant], zoals tussen partijen vaststaat, toen ook al maakte van de aardappelschuur en de werktuigberging, welke zich deels op perceel E 876 bevinden, en evenmin over de toegangswegen daarheen. Ook Vos Landbouwbedrijf B.V. heeft zich niet op het standpunt gesteld dat [appellant] op grond van het vonnis van 19 november 2004 geen gebruik van de schuur en berging zou mogen maken, omdat deze deels op perceel E 876 staan. Evenmin heeft Vos Landbouwbedrijf B.V. gesteld dat [appellant] uit hoofde van bedoeld vonnis geen gebruik van de geasfalteerde toegangsweg vanaf de Bronsveenlaan zou mogen maken, omdat deze eveneens op perceel E 876 is gesitueerd. Een en ander is ook niet onlogisch, omdat tussen partijen immers niet in geschil is dat [appellant] gebruik mag maken van de schuur en de berging en derhalve ook toegang tot deze opstallen moet kunnen krijgen.
14. Op grond van het voorgaande is het hof voorshands van oordeel dat het zich enkel begeven door [appellant] op het sintelpad onvoldoende is om te kunnen spreken van een overtreding van het vonnis van 19 november 2004. Dit zou slechts anders zijn, indien het desbetreffende gebruik van dat pad niet in verband staat met de exploitatie van de aardappelschuur en de werktuigberging, maar daarvan is in elk geval geen sprake geweest in de gevallen genoemd in het deurwaardersexploot van 21 oktober 2005. Dit betekent dat het vonnis van 19 november 2004 naar het voorlopig oordeel van het hof niet in de weg staat aan het gebruik door [appellant] van het sintelpad, voor zover dit gebruik verband houdt met het gebruik van de aardappelschuur en de werktuigberging.
15. Ten overvloede merkt het hof hierbij nog op dat deze conclusie geen oordeel inhoudt over de rechtsvraag die tussen [appellant] en [de directeur] in de bodemprocedure bij de rechtbank Groningen speelt.
16. Vos Landbouwbedrijf B.V. heeft verder nog aangevoerd dat [appellant] gehouden is om perceel E 876 op de voor de eigenaar minst bezwarende wijze te gebruiken hetgeen betekent dat hij niet van het sintelpad gebruik mag maken. Deze stelling gaat het kader van dit executiegeding, waarin uitsluitend de vraag voor ligt of [appellant] het vonnis van 19 november 2004 heeft overtreden, te buiten, zodat zij verder buiten beschouwing moet blijven.
17. De grieven treffen dan ook doel en de andere door partijen aangevoerde stellingen en weren behoeven geen behandeling meer.
Grief IV
18. Nu het vonnis waarvan beroep op grond van voorgaande overwegingen zal worden vernietigd, zal Vos Landbouwbedrijf B.V. ook in de kosten van het geding in eerste instantie moeten worden veroordeeld. De grief slaagt daarom; hetgeen [appellant] in de toelichting op de grief naar voren heeft gebracht, kan verder buiten beschouwing blijven. De in hoger beroep gewijzigde eis dat Vos Landbouwbedrijf B.V. wordt veroordeeld tot terugbetaling van de door [appellant] reeds voldane proceskosten van de eerste aanleg, zal worden toegewezen, nu [appellant] alsnog in het gelijk wordt gesteld en deze kosten aldus onverschuldigd heeft betaald. De vordering tot betaling van wettelijke rente daarover met ingang van de dag van betaling door [appellant] aan Vos Landbouwbedrijf B.V. is eveneens toewijsbaar, nu het executeren van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis dat in hoger beroep wordt vernietigd onrechtmatig is jegens de wederpartij, zodat op de voet van art. 6:83 aanhef en onder b BW het verzuim direct is ingetreden.
Grief V
19. Deze grief heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft daarom geen behandeling.
Slotsom
20. Dit alles resulteert erin dat het hoger beroep slaagt en dat het vonnis waarvan beroep moet worden vernietigd, onder toewijzing van de door [appellant] gevraagde voorlopige voorziening. Het hof ziet, gelet op de aard van deze voorziening, geen aanleiding voor het opleggen van een dwangsom, zoals door [appellant] gevorderd. Vos Landbouwbedrijf B.V. zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in beide.
Beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep
en opnieuw rechtdoende:
verbiedt Vos Landbouwbedrijf B.V. enige executiemaatregel te treffen op basis van de feiten zoals weergegeven in het exploit van de deurwaarder van 21 oktober 2005;
veroordeelt Vos Landbouwbedrijf B.V. tot betaling aan [appellant] van een bedrag van euro 1.191,=, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van betaling door [appellant];
veroordeelt Vos Landbouwbedrijf B.V. in de kosten van het geding in beide instanties en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant]:
in eerste aanleg op euro 329,60 aan verschotten en euro 816,= aan salaris voor de procureur,
in hoger beroep op euro 376,60 aan verschotten en euro 2.446,50 aan salaris voor de procureur;
verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Aldus gewezen door mrs Streppel, voorzitter, Verschuur en Keur, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 11 oktober 2006.