Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0116

Datum uitspraak2006-10-13
Datum gepubliceerd2006-10-13
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers06/802473-05
Statusgepubliceerd


Indicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor opzetheling van goud(afval) tot een werkstraf van 240 uren.


Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN Sector Straf Meervoudige kamer Parketnummer: 06/802473-05 Uitspraak d.d.: 13 oktober 2006 Tegenspraak / dip VERKORT VONNIS in de zaak tegen: [verdachte], geboren te [plaats] op [geboortedatum] 1976, wonende te [adres en woonplaats] Onderzoek van de zaak Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 september 2006. De tenlastelegging Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting is gewijzigd is aan de verdachte ten laste gelegd dat: hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2000 tot en met 01 augustus 2005 te Eerbeek, gemeente Brummen en/of in de gemeente Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) een hoeveelheid goudklompjes (electrolytisch gewonnen goudnuggets) en/of platina heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft verkocht, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen en/of verkopen van genoemd goud en/of platina (telkens) wist, en/of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof; art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht art 417bis Wetboek van Strafrecht Taal- en/of schrijffouten Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Bewijsoverweging Door en namens verdachte is ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte eerst vanaf 2003 vermoedde dat de goudsheets afkomstig waren van diefstal dan wel verduistering. De rechtbank verwerpt dit verweer en is van oordeel dat verdachte gedurende de gehele periode van 1 mei 2000 tot en met 1 mei 2003 wist dat het goud dat hij van medeverdachte kreeg, uit illegale bron verkregen was. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking de verklaring van verdachte, zoals hij die heeft afgelegd bij de politie (dossierpagina 145), waarin hij verklaart dat hij zich nooit heeft afgevraagd waar het goud vandaan kwam en dat hij zichzelf niet in de vingers gaat snijden. Voorts acht de rechtbank de verklaring van [ge[getuige] (dossierpagina 120) van belang, waarin zij verklaart dat zij weet dat verdachte samen met medeverdachte goud gestolen heeft, dat verdachte dit zelf aan haar heeft verteld alsook dat hij heeft verteld dat [medeverdachte] bij [bedrijf] werkte. Hoewel de rechtbank beseft dat de inbraak in het bedrijf [bedrijf] niet aan de verdachte ten laste is gelegd, blijkt uit de verklaring van verdachte, bezien tegen de achtergrond van de verklaring van [getuige] evenwel dat verdachte in ieder geval wist dat het goud(afval) uit illegale bron verkregen was. Bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat: hij op tijdstippen in de periode van 1 mei 2000 tot en met 1 mei 2003 te gemeente Brummen en in de gemeente Amsterdam, telkens een hoeveelheid goudklompjes (elektrolytisch gewonnen goudnuggets) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en heeft verkocht, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van genoemd goud telkens wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof. Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde Wat meer of anders is ten las-te gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezene levert op het misdrijf: Opzetheling, meermalen gepleegd. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Oplegging van straf en/of maatregel De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank een taakstraf als na te melden op zijn plaats. Deze taakstraf zal moeten worden verricht op een projectplaats als opgenomen in de door de Stichting Reclassering Nederland gehanteerde lijst van projectplaatsen. De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte meermalen goud(afval) voorhanden heeft gehad, dit tezamen met zijn mededader heeft omgesmolten tot goudklompjes, terwijl hij wist dat dit goud een misdadige herkomst had. Door aldus te handelen heeft verdachte andere misdrijven ondersteund en deze daarmee begunstigd. In de omstandigheid dat verdachte reeds meerdere malen veroordeeld is terzake vermogensdelicten en in de omstandigheid dat hij – zoals hij ter zitting heeft verklaard – met de verkoop van dit goud een aanzienlijk bedrag, te weten 15.000 tot 20.000 euro, heeft verdiend, ziet de rechtbank termen aanwezig aan verdachte een werkstraf van langere duur op te leggen dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Toepasselijke wettelijke voorschriften Deze beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 57 en 416 van het Wetboek van Strafrecht. Beslissing De rechtbank beslist als volgt. Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden. Bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten: een werkstraf gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen. Beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht. Aldus gewezen door mrs. Van Hoorn, voorzitter, Vaandrager en Schmitz, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Meerdink, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 oktober 2006.