Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0112

Datum uitspraak2006-05-30
Datum gepubliceerd2006-10-13
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersC200500790
Statusgepubliceerd


Indicatie

Deurwaarder hoefde niet te weten dat huurder gedetineerd was. maar zelfs als hij dat wist, dan nog mocht de dagvaarding worden uitgebracht aan de woning van de huurder.


Uitspraak

typ. LD rolnr. C0500790/BR ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH, zevende kamer, van 30 mei 2006, gewezen in de zaak van: [X.], ten tijde van de appeldagvaarding en de memorie van grieven gedetineerd in het huis van bewaring te Krimpen aan den IJssel, appellant bij exploot van dagvaarding van 21 april 2005, verder te noemen: huurder, procureur: mr. C.C.J. Aarts, tegen: de stichting WONINGSTICHTING ARAMIS, rechtsopvolgster van de Algemene Regionale Woningstichting (Arwon), gevestigd te [vestigingsplaats], geïntimeerde bij gemeld exploot, verder te noemen: verhuurster, procureur: mr. J.J. Geuze, op het hoger beroep van het onder rolnummer 04/6468 door de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Bergen op Zoom gewezen vonnis van 9 februari 2005 tussen huurder als opposant en verhuurster als geopposeerde. 1. Het geding in eerste aanleg Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het daarin bekrachtigde verstekvonnis van 25 augustus 2004. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Bij memorie van grieven heeft huurder 2 grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het verzet- en het verstekvonnis en, kort gezegd, tot afwijzing van de vorderingen van verhuurster met haar veroordeling in de kosten in beide instanties. 2.2. Bij memorie van antwoord heeft verhuurster de grieven bestreden. 2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. 3. De gronden van het hoger beroep Voor de inhoud van de grieven en de toelichting daarop verwijst het hof naar de memorie van grieven. 4. De beoordeling 4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende. 4.1.1. Huurder huurde van verhuurster de woning aan de [adres] te [woonplaats] tegen een huurprijs ten tijde van de inleidende dagvaarding van € 297,31 per maand. 4.1.2. Huurder is na terugkeer van een vakantie gearresteerd en is sedert 9 juni 2004 gedetineerd en was ten tijde van de memorie van grieven nog steeds gedetineerd. 4.1.3. Stellende dat huurder per 9 augustus 2004 (kort vóór de inleidende dagvaarding van 16 augustus 2004) een achterstand in de betaling van de huur had van drie maanden (juni, juli en augustus 2004), heeft verhuurster betaling, de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming gevorderd met nevenvorderingen. 4.1.4. Bij verstekvonnis van 25 augustus 2004 zijn deze vorderingen toegewezen. 4.1.5. Huurder heeft bij dagvaarding van 22 oktober 2004 verzet ingesteld. Hij voert daarin aan op 19 augustus 2004 de bank te hebben gemachtigd € 576,- aan huur te voldoen en dat hij hooguit één maand huurachterstand heeft, welke achterstand ontoereikend is om de ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen te rechtvaardigen. Hij voert tevens aan noch een sommatie, noch een exploot van dagvaarding, noch een exploot van betekening van het verstekvonnis te hebben ontvangen. 4.1.6. De inleidende dagvaarding en het vonnis zijn huurder aan het woonadres (het gehuurde) betekend, maar niet in persoon. De ontruiming heeft plaatsgevonden op 15 september 2004. 4.1.7. In het verzetvonnis is de kantonrechter er, mede om redenen van proceseconomie, vanuit gegaan dat huurder tijdig in verzet is gekomen, zulks ondanks de betwisting door verhuurster. De omstandigheid dat hij brieven en exploten niet heeft ontvangen als gevolg van vakantie en detentie, oordeelt de kantonrechter te komen voor zijn, huurders, risico. Ten slotte stelt de kantonrechter vast dat huurder ten tijde van de inleidende dagvaarding een huurachterstand had van drie maanden en reeds eerder in rechte betrokken is geweest wegens huurachterstand. Het verstekvonnis werd bekrachtigd. Huurder kan zich hiermee niet verenigen en is in hoger beroep gekomen. 4.2. Het hof oordeelt als volgt. 4.2.1. Ook in hoger beroep heeft huurder niet betwist dat ten tijde van de inleidende dagvaarding een huurachterstand bestond van drie maanden, dat hij door verhuurster eerder in rechte betrokken is geweest wegens huurachterstand (vonnis 22 november 2000) en dat hij regelmatig te laat was met betaling van de huur. 4.2.2. Het hof is van oordeel dat deze omstandigheden, bijzondere omstandigheden door huurder te stellen daargelaten, voldoende zijn om de ontbinding van de huurovereenkomst en haar gevolgen te rechtvaardigen. Reeds hierom kunnen de grieven niet tot een andere beslissing aanleiding geven. 4.2.3. Toereikende bijzondere omstandigheden zijn door huurder niet gesteld. Zijn vakantie en detentie rechtvaardigen niet het onbetaald laten van de huur. Het feit dat hij eerder huur tijdelijk onbetaald heeft gelaten, maar uiteindelijk wel heeft betaald (waaruit huurder de conclusie trekt dat verhuurster ook nu betaling kon verwachten) neemt de tekortkoming niet weg. Dit eerder onbetaald laten van de huur weegt integendeel ten nadele van huurder mee. Verhuurster hoeft immers ook herhaalde huurachterstanden niet te dulden. 4.2.4. De grieven luiden: Ten onrechte overweegt de Kantonrechter in overweging 3.3 dat er van uit moet worden gegaan, dat een aangetekend schrijven en formeel juist aangebrachte exploiten de betrokkene bereiken. en Ten onrechte overweegt de Kantonrechter, dat indien die stukken de betrokkenen niet bereikt door oorzaken, welke gelegen zijn in hem regarderende omstandigheden, zoals vakantie of detentie, dit voor rekening en risico van betrokkene komt. 4.2.5. Zonder nadere toelichting, die niet wordt gegeven, voldoen deze grieven niet aan de daaraan te stellen eisen. Het hof heeft niet kunnen begrijpen wat het bezwaar is van huurder tegen de gewraakte overwegingen, wat daaraan onjuist is noch wat het gevolg zou moeten zijn van de vernietiging van (één van) deze overwegingen. Immers, ook als de ingebrekestelling en de inleidende dagvaarding huurder niet hebben bereikt, dan nog leidt dit niet tot een andere beslissing in de verzetprocedure, althans huurder geeft niet aan op welke juridische grond dan wel tot een andere beslissing moet worden gekomen. De tweede gewraakte overweging is bovendien in haar algemeenheid juist. 4.2.6. Voor zover huurder zou bedoelen dat hij niet in verzuim kan zijn of dat de ontbinding van de huurovereenkomst niet kan worden uitgesproken als de ingebrekestelling of de inleidende dagvaarding hem niet in persoon hebben bereikt, faalt de grief omdat deze opvatting onjuist is. De betalingstermijnen voor de maandelijkse huur zijn fatale termijnen, zodat de huurder, bij onbetaald laten van een termijn, ook zonder ingebrekestelling in verzuim is. Ook als de inleidende dagvaarding aan het woonadres (het gehuurde) wordt betekend, kan ontbinding en ontruiming worden uitgesproken. 4.2.7. Voor zover de grief stoelt op de gedachte dat de betaling van (een deel van) de achterstand ingevolge de machtiging van 19 augustus 2004 aan de ontbinding van de huurovereenkomst in de weg staat, faalt de grief evenzeer omdat ook die opvatting onjuist is. Betaling achteraf kan de tekortkoming niet wegnemen, noch staat deze betaling achteraf (van hetgeen verschuldigd was) aan de tenuitvoerlegging van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde verstekvonnis in de weg. 4.2.8. Mogelijk dat de grieven referen aan de stellingen in de conclusie van repliek in oppositie inhoudende dat verhuurster, door alle exploten uit te brengen aan de woonplaats in plaats van aan de verblijfplaats van huurder, misbruik maakt van procesrecht en de exploten nietig maakt. Deze opvatting is evenwel onjuist. Ingevolge artikel 47 Rv mag de deurwaarder het exploot aan de woonplaats achter laten. De enkele omstandigheid dat de deurwaarder op 29 juni 2004 in een gesprek met de politie vernam dat huurder toen gedetineerd was noopte hem niet om op 16 augustus 2004 te onderzoeken of huurder nog steeds gedetineerd was en waar dan wel, teneinde de inleidende dagvaarding in persoon uit te brengen. Uit de brief van de politie van 13 juli 2004 blijkt niet van de detentie, alleen van twijfel aan het gebruik van de woning door huurder. Maar zelfs als de deurwaarder op 16 augustus 2004 zou hebben geweten dat huurder nog steeds gedetineerd was, hetgeen niet vast staat, mocht hij erop vertrouwen dat huurder inmiddels zodanige maatregelen had genomen dat een aan zijn woonhuis uitgebrachte inleidende dagvaarding hem tijdig zou bereiken en mocht hij de dagvaarding aan het woonadres uitbrengen. Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering stelt minder vergaande eisen aan betekening van een exploot dan het Wetboek van Strafvordering doet. Grief 1 faalt daarom. Van misbruik van procesrecht is daarom evenmin sprake. Daarbij komt dat de wet (Rv) geen sanctie stelt op het niet uitbrengen van de dagvaarding in persoon, terwijl ook de aard van het gestelde gebrek geen nietigheid meebrengt (artikel 65 Rv). Ten slotte is het hof van oordeel dat, zoal sprake is van een gebrek, dit gebrek is geheeld doordat huurder (tijdig) verzet heeft ingesteld en zijn verweer in volle omvang aan de rechter heeft kunnen voorleggen. 4.2.9. Ook in de toelichting op de grieven wordt gerefereerd aan het gesprek op 29 juni 2004 met de politie, waarbij de deurwaarder, en daarmee verhuurster, op de hoogte is gebracht van de detentie. Daaraan wordt toegevoegd dat deze detentie tevens blijkt uit het feit dat de betrokken deurwaarder op 4 oktober 2004 (dat is ná de ontruiming) een brief heeft verzonden naar het huis van bewaring. Met een beroep op het vonnis van de kantonrechter Dordrecht van 31 maart 2005, Prg 2005/78, stelt huurder dat is gehandeld in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor. 4.2.10. Hoewel niet met zoveel woorden uitgedrukt begrijpt het hof dat huurder klaagt over schending van hoor en wederhoor in de verstekprocedure. In de verzetprocedure is hij immers gehoord. In het midden kan blijven of in de verstekprocedure dit beginsel is geschonden. Huurder heeft geen belang bij deze grief. Zowel in de verzetzaak als in hoger beroep heeft hij zijn standpunt kunnen verwoorden en heeft de rechter daarop kunnen beslissen. 4.2.11. Uit de verwijzing naar de uitspraak van de kantonrechter Dordrecht begrijpt het hof tevens dat voor huurder de oproeping van belang is in verband met de aanvang van de verzettermijn. Ook in zoverre heeft huurder geen belang bij zijn grieven. De kantonrechter is er immers vanuit gegaan dat tijdig verzet is ingesteld. 4.2.12. Het beroep is mitsdien ongegrond. Het verzetvonnis zal worden bekrachtigd. Huurder wordt in de kosten verwezen. 5. De uitspraak Het hof: bekrachtigt het vonnis waarvan beroep; veroordeelt huurder in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van verhuurster gevallen, tot op heden begroot op € 244,- voor vast recht en op € 894,- voor salaris procureur. Dit arrest is gewezen door mrs. Koens, Van Etten en Den Hartog Jager en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 30 mei 2006.