Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0108

Datum uitspraak2006-09-05
Datum gepubliceerd2006-10-13
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersC200500336
Statusgepubliceerd


Indicatie

Gelet op vele faciliteiten rond reorganisatie-ontslag acht kantonrechter vordering/uitbetaling vakantiedagen in strijd met redelijkheid en billijkheid. Hof: niet “onaanvaardbaar”; bewijsopdracht dat afgesproken is dat werknemer de vakantiedagen voor ontslag moest opmaken.


Uitspraak

typ. MdL rolnr. C0500336/RO ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH, achtste kamer, van 5 september 2006, gewezen in de zaak van: [X.], wonende te [woonplaats], appellant bij exploot van dagvaarding van 24 februari 2005, procureur: mr. B.A. van Mens, tegen: AGERLAND BV, gevestigd te [vestigingsplaats], geïntimeerde bij gemeld exploot, procureur: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann, op het hoger beroep van het door de recht-bank Roermond, sector kanton, locatie Roermond gewezen vonnis van 30 november 2004 tussen appellant - [X.] - als eiser en geïntimeerde - Agerland – als gedaagde. 1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 123777/CV EXPL 04- 1291) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2. Het geding in hoger beroep Bij memorie van grieven heeft [X.] drie grieven aange-voerd, één productie overgelegd en geconcludeerd tot ver-nietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot het, uitvoerbaar bij voorraad, alsnog toewijzen van zijn vorderingen met veroordeling van Agerland in de pro-ceskosten in beide instanties. Bij memorie van antwoord heeft Agerland de grieven bestreden. Partijen hebben daarna de stukken overgelegd en uitspraak gevraagd. 3. De gronden van het hoger beroep Voor de grieven verwijst het hof naar de betreffende memorie. 4. De beoordeling 4.1.1. Het hof gaat uit van de volgende feiten. [X.] was bij Agerland (en/of haar rechtsvoorgangsters) in loondienst van 1 juli 1988 tot 1 augustus 2002. In 2002 heeft een reorganisatie plaatsgevonden waarbij ook de arbeidsplaats van [X.] is komen te vervallen. 4.1.2. Het terzake de reorganisatie overeengekomen Sociaal Plan houdt onder meer in dat medewerkers van wie de func-tie vervalt kunnen deelnemen in een Mobiliteitscentrum, in de vorm van het aangaan van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, waardoor de arbeidsovereenkomst met Ager-land verbroken wordt. Gedurende de periode overeenkomstig de normaal geldende opzegtermijn ontvangt de medewerker nog 100% van het laatste salaris. Voorts is voorzien in een uitkering bij in dienst treden van een nieuwe werkge-ver. Het Sociaal Plan houdt in: Het restant aan vakantiedagen bij indiensttreding bij het mobiliteitscentrum kan naar keuze van de werknemer worden meegenomen of kan worden uitbetaald. Voor medewerkers die niet kiezen voor het Mobiliteitscen-trum en voor oudere werknemers zijn regelingen opgenomen welke onder meer inhouden (onder 6.6 en 8.5) dat vakantie- dagen zoveel mogelijk voor het eind van de arbeidsovereen-komst moeten worden opgenomen. 4.1.3. [X.] heeft gekozen voor deelname in het Mobili-teitscentrum en is daarmee een arbeidsovereenkomst aange-gaan (waarbij Agerland zijn salaris doorbetaalde gedurende de normaliter voor hem geldende opzeggingstermijn). Per 1 oktober 2002 is [X.] in dienst getreden van Zuid-Chemie BV. Daarbij heeft hij ingevolge het Sociaal plan € 33.605,15 bruto uitbetaald gekregen. 4.1.4. In mei 2002 is door Agerland aan [X.] een over-zicht ter hand gesteld waaruit blijkt dat [X.] voor de periode 1 mei 2002 tot 1 augustus 2002 recht had op 242,63 vakantie-uren. 4.2. [X.] stelt (na wijziging van de vordering) dat hem eerst in de derde week van juni 2002 is verzocht zoveel mogelijk verlof uren op te nemen; dat het, in verband met veel reparaties in juli 2002 en het inwerken van een ander niet mogelijk was het overblijvende saldo op te maken voor 1 augustus 2002 en dat per die datum nog 133,68 uur open-ston-den. [X.] vordert in dit geding uitbetaling van die uren met de wettelijke verhoging ad 50%, met een specificatie terzake, met de wettelijke rente en met buitengerechtelijke incassokosten en veroordeling van Agerland in de gedingkosten. 4.3.1. Agerland stelt dat [X.] reeds op 4 april 2002 door het hoofd personeel en organisatie, [A.], is medegedeeld dat zijn verloftegoed op het moment van deel-name in het Mobiliteitscentrum opgenomen diende te zijn. Dit is alleen niet vastgelegd in de brief van 16 april 2002 die hem ter bevestiging van dit gesprek is toegezon-den. Door [X.] is toen niet aangegeven dat deze opname van vakantiedagen niet zou lukken. 4.3.2. Indien de vordering niet reeds op deze grond moet worden afgewezen stelt Agerland dat de vordering van [X.] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, omdat: - hij zijn verlofuren kon opnemen: - hij 2 maanden 100% salaris kreeg zonder werkzaamheden te behoeven verrichten (behoudens een enkel sollicitatie-gesprek); - hij reeds op 3 september 2002 een arbeidsovereenkomst met nieuwe werkgever tekende per 1 oktober 2002; zodat hij in ieder geval vanaf 3 september vakantie had; - hij een vertrekpremie kreeg van € 33.605,15 welke hij niet nodig had als suppletie en dat hij een VCA opleiding en - tot 1 oktober 2002 - op kosten van Agerland een HTS opleiding heeft gevolgd; - de vordering eerst is gepresenteerd nadat het dienstver-band reeds geruime tijd was geëindigd en de eindafrekening was gegeven. 4.4. De kantonrechter heeft de vordering van [X.] afge-wezen, na te hebben overwogen dat het in de gegeven omstandigheden (te weten dat [X.] 2 maanden 100% salaris kreeg zonder werkzaamheden te behoeven verrichten (behou-dens een enkel sollicitatiegesprek), dat [X.] een een-ma-lige uitkering kreeg van € 33.605,15 en dat hij een VCA-opleiding op kosten van Agerland en - tot 1 oktober 2002 - een HTS opleiding heeft gevolgd) in strijd is met de rede-lijkheid en billijkheid de vordering toe te wijzen; nu de vordering eerst is gepresenteerd nadat het dienst-ver-band reeds geruime tijd was geëindigd en de eindafrekening was gegeven. De kantonrechter heeft de proceskosten gecompenseerd. 4.5.1. De grieven 1 en 2 keren zich tegen het oordeel dat toewijzing van de gevorderde uitbetaling vakantiedagen in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Terecht betoogt [X.] dat een tussen partijen geldende regel slechts buiten toepassing wordt gelaten, voorzover toepassing naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. 4.5.2. Het hof is van oordeel dat gegeven de omstandighe-den weliswaar de redelijkheid en/of billijkheid van zoda-nige (toewijzing van de) vordering niet aanstonds in het oog springt, maar dat niet kan worden gezegd dat deze onaanvaardbaar is. Deze grieven slagen dus. 4.6.1. Gelet op de devolutieve werking van het hoger be-roep dient het hof zich thans te buigen over het verweer van Agerland dat met [X.] al op 4 april 2002 is afge-sproken dat niet genoten vakantiedagen vóór 1 augustus 2002 zouden worden opgenomen. [X.] heeft niet of onvoldoende betwist dat, indien dit op 2 april 2002 afgesproken was, hij alle dagen had kunnen en moeten opnemen, en dat er niets meer te vorderen zou zijn. Nu Agerland de afspraak stelt en [X.] deze betwist dient Agerland te worden belast met bewijslevering terza-ke. 4.6.2. Daarbij merkt het hof nog op, dat gegevens die Ager-lands stelling aannemelijk maken wel zijn te putten uit de brief van 1 oktober 2002 (prod. 2 bij conclusie van antwoord) en uit het Sociaal Plan, dat voor andere catego-rieën werknemers voorschrijft dat vakantiedagen zoveel mogelijk moeten worden opgenomen voor het ontslag (prod. I bij mvg, 6.6 en 8.5), maar dat het bewijs hiermee nog niet is geleverd. Agerland zal daarom, overeenkomstig haar uit-drukkelijk en gespecificeerd aanbod, worden toegelaten tot (verdere) bewijslevering. 4.7. Gelet op de beperkte omvang van de vordering en de kosten, gemoeid met bewijslevering door het horen van getuigen, geeft het hof partijen in overweging om na het inschatten van de wederzijdse bewijsmogelijkheden en pro-ceskansen een schikking als mogelijkheid in aanmerking te nemen. Daarbij is het hof vooralsnog van oordeel dat, als Agerland slaagt in de bewijslevering, het vonnis van de kantonrechter moet worden bekrachtigd met veroordeling van [X.] in de kosten van het hoger beroep. Slaagt Agerland niet in het opgedragen bewijs, dan moet, naar het voorlo-pig oordeel van het hof, het vonnis van de kantonrechter worden vernietigd en moet de vordering van [X.] worden toegewezen, met een door het hof redelijk geachte wette-lijke verhoging van 10%. 4.8. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. 5. De uitspraak Het hof: laat Agerland toe te bewijzen dat met [X.] op of omstreeks 4 april 2002 is afgesproken dat zijn vakantie-dagentegoed op het moment van deelname in het Mobilteits-centrum (1 augustus 2002) volledig opgenomen diende te zijn; bepaalt, voor het geval Agerland bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. Grapperhaus als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leegh-waterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum; verwijst de zaak naar de rolzitting van 19 september 2006 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinder-data van partijen zelf, hun raadslieden en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest; bepaalt dat de procureur van Agerland bij zijn opgave op genoemde rolzitting een fotokopie van het procesdos-sier zal overleggen; bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde rolzit-ting dag en uur van het getuigenver-hoor zal vaststellen; bepaalt dat de procureur van Agerland tenmin-ste zeven dagen voor het verhoor de namen en woon-plaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. Aarts, Grapperhaus en Waaijers en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 5 september 2006.