Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0093

Datum uitspraak2006-10-11
Datum gepubliceerd2006-10-30
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers05/5663
Statusgepubliceerd


Indicatie

Man/vrouw-firma. De werkzaamheden van eiseres in het samenwerkingsverband dat als hoofdactiviteit het maken van fotografische producten voor bedrijven heeft, zijn niet hoofdzakelijk van ondersteunende aard. Eiseres heeft recht op de zelfstandigenaftrek.


Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer Procedurenummers: AWB 05/5663 en 05/5664 Uitspraakdatum: 11 oktober 2006 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen X, wonende te Z, eiseres, en de inspecteur van de Belastingdienst P, verweerder. 1. Ontstaan en loop van het geding Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2001 een navorderingsaanslag en voor het jaar 2002 een aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen, beide met dagtekening 19 november 2004, opgelegd, respectievelijk berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.608 en € 12.097. Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 13 oktober 2005 zowel de navorderingsaanslag als de aanslag gehandhaafd. Eiseres heeft daartegen bij brief van 24 oktober 2005, ontvangen bij de rechtbank op 25 oktober 2005, beroep ingesteld. Bij brief van 22 november 2005, bij de rechtbank ontvangen op 24 november 2005, heeft eiseres de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2006 te Haarlem. Eiseres is daar in persoon verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot Y. Namens verweerder is verschenen A. Ter zitting zijn beide beroepen gezamenlijk behandeld. Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De rechtbank rekent deze pleitnota tot de gedingstukken. 2. Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast: 2.1. Eiseres exploiteert met haar echtgenoot een fotostudio in de vorm van een vennootschap onder firma, onder de naam “Fotostudio B V.O.F.”. De vennootschap is per 1 november 1986 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Eiseres is voor de inkomstenbelasting aangemerkt als ondernemer. 2.2. In het dossier bevindt zich een ondernemingsovereenkomst gedateerd november 2000 waarin – onder meer – het volgende is overeengekomen: (...) 3. Beide vennoten dragen verantwoordelijkheid en zijn aansprakelijk voor de ondernemersrisico’s en financiële verplichtingen die uit het drijven van een onderneming voortvloeien. 4. Beide vennoten delen in de winst die de onderneming opbrengt, Y voor 55 % en X voor 45 %. 5. Beide vennoten zijn onbeperkt bevoegd in het nemen van beslissingen en hebben beide tekeningsbevoegdheid voor alle zaken de onderneming Fotostudio B betreffend. 6. Beide vennoten zullen belangrijke beslissingen aangaande het beleid, de financiën en de investeringen in gezamenlijk overleg nemen en zijn beiden verantwoordelijk voor de effecten van genomen besluiten. (...) 8. De feitelijke uitvoering van de doelstelling wordt gerealiseerd door beide vennoten waarbij de taken vanaf de opstartfase als volgt zijn verdeeld: Y: - uitvoeren van fotografische opdrachten met een zo hoog mogelijk kwaliteitsniveau - inbreng van creativiteit en inventiviteit met het oog op de fotografie alsmede de gehele bedrijfsvoering (...) X: - uitvoeren van alle voorkomende kantoorwerkzaamheden, (....); - verantwoordelijk voor assurantiën en financieel beheer, (....); - verzorgt coördinatie, traffic, requisieten, modellen & props bij fotografische producties en assisteert indien nodig in de studio of op locatie bij fotografische producties; - is 1e aanspreekpunt voor relaties en klanten; - neemt initiatieven voor een consistent acquisitiebeleid en draagt zorg voor een zo professioneel mogelijke performance hetzij telefonisch, hetzij door fysieke aanwezigheid op netwerkbijeenkomsten, beurzen of (eigen) beurspresentatie; - mede zorgdragen voor het verkrijgen van nieuw relaties en het onderhouden van bestaande relaties; - houdt ontwikkelingen op marktpotentieel bij alsook de fiscale en vaktechnische ontwikkelingen; - is verantwoordelijk voor de interieurverzorging en huishoudelijke aangelegenheden. 2.3. Eiseres heeft voor het jaar 2001 aangifte gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.933. De aanslag 2001 is conform de aangifte vastgesteld. De navorderingsaanslag 2001 is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.608. Voor het jaar 2002 heeft eiseres aangifte gedaan van een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.374. De aanslag 2002 is vastgesteld berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 12.097. 2.4. Op 13 april 2004 heeft verweerder bij eiseres een boekenonderzoek ingesteld. In het naar aanleiding van dit onderzoek op 28 oktober 2004 opgemaakte rapport is geconcludeerd dat het samenwerkingsverband tussen eiseres en haar echtgenoot vanaf 2001 ongebruikelijk is en dat de door eiseres verrichte werkzaamheden grotendeels van ondersteunende aard zijn, hetgeen betekent dat eiseres niet in aanmerking komt voor de zelfstandigenaftrek ten bedrage van € 4.675 (2001) en van € 5.922 (2002). Naar aanleiding van dit rapport heeft verweerder de navorderingsaanslag en de aanslag opgelegd. De correcties betreffen het niet in aanmerking nemen van de zelfstandigenaftrek; tevens is voor 2002 sprake van twee niet in geschil zijnde correcties van per saldo negatief € 199. 3. Geschil In geschil is het antwoord op de vraag of eiseres recht heeft op de zelfstandigenaftrek als genoemd in artikel 3.76 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB 2001). Het geschil spitst zich toe op de vragen of de werkzaamheden van eiseres hoofdzakelijk van ondersteunende aard zijn en of het samenwerkingsverband tussen eiseres en haar echtgenoot ongebruikelijk is in de zin van artikel 3.6, tweede lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001. 4. Standpunten van partijen Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting hebben partijen hier –zakelijk weergegeven- nog het volgende aan toegevoegd. Eiseres: ik neem alle ondernemersrisico’s en ben hoofdelijk aansprakelijk. Zonder mijn inbreng (van financiële middelen, regelen van verzekeringen, onderhandelingen met de bank, opzet van de boekhouding) is er geen onderneming. Onze studio is gespecialiseerd in reclamefotografie en is niet vergelijkbaar met fotostudio’s die zich richten op portret- of bruidsfotografie. Het daadwerkelijk fotograferen is slechts een onderdeel van de hoofdactiviteit van onze onderneming; het verzorgen van reclamefotografie voor bedrijven. In dit kader verrichten zowel mijn echtgenoot als ik werkzaamheden. We bepalen samen de inrichting van de “set” en bouwen deze op. Verder zorg ik voor de styling en het selecteren en aantrekken van modellen. Dit zijn werkzaamheden die anders door de fotograaf zouden worden gedaan. De verdeling van de tijd gedurende welke ik voor de onderneming werkzaam ben, is ongeveer 1/3 deel administratief werk, 1/3 deel aquisitie en beleid en 1/3 deel studiowerk. Verweerder: in de branche van eiseres zijn mij geen vergelijkbare samenwerkingsverbanden bekend tussen niet-verbonden personen. Het maken van foto’s is de hoofdactiviteit. Hiervoor zijn persoonlijke, gekwalificeerde en vakinhoudelijke kwaliteiten nodig, waarover alleen de echtgenoot van eiseres beschikt. De specifieke kennis en vaardigheden van de echtgenoot stellen hem als fotograaf in staat winst uit de fotostudio te behalen. De werkzaamheden van eiseres zijn ondersteunend en dienstbaar hieraan. Voor de onderneming essentiële werkzaamheden kunnen ondersteunend zijn. Als er al sprake is van werkzaamheden van niet ondersteunende aard, is niet aannemelijk dat die meer dan 30 % daarvan uitmaken, zodat de verrichte werkzaamheden hoofdzakelijk van ondersteunende aard zijn. De wetswijziging van 2001 staat aan een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel in de weg. 5. Beoordeling van het geschil 5.1. Ingevolge artikel 3.76, eerste lid, van de Wet IB 2001 heeft de ondernemer die aan het urencriterium voldoet en bij het begin van het kalenderjaar de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt recht op de zelfstandigenaftrek. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, van de Wet IB 2001wordt onder urencriterium verstaan: het gedurende het kalenderjaar besteden van ten minste 1225 uren aan werkzaamheden voor een of meer ondernemingen waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet. In het tweede lid, onderdeel a, van genoemd artikel is bepaald dat voor de toepassing van het eerste lid, aanhef, niet in aanmerking komen de werkzaamheden ten behoeve van een onderneming waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet en die deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer met hem verbonden personen, indien de door de belastingplichtige verrichte werkzaamheden ten behoeve van het samenwerkingsverband hoofdzakelijk van ondersteunende aard zijn en het ongebruikelijk is dat een dergelijk samenwerkingsverband tussen niet-verbonden personen wordt aangegaan. 5.2. Eiseres en haar echtgenoot zijn verbonden personen in de zin van artikel 3.6 van de Wet IB 2001. Beoordeeld dient te worden of de door eiseres ten behoeve van de onderneming verrichte werkzaamheden voor de toepassing van het eerste lid, aanhef, van artikel 3.6 van de Wet IB 2001 in aanmerking kunnen worden genomen. Onderdeel a van het tweede lid van laatstgenoemd artikel bestaat uit twee cumulatieve uitsluitingsgronden. De eerste uitsluitingsgrond is dat de werkzaamheden van de belastingplichtige ten behoeve van het samenwerkingsverband hoofdzakelijk van ondersteunende aard zijn. De tweede uitsluitingsgrond is dat het ongebruikelijk is dat een dergelijk samenwerkingsverband tussen niet-verbonden personen wordt aangegaan. Naar het oordeel van de rechtbank ziet het woord “hoofdzakelijk” op de vraag of de werkzaamheden van eiseres in tijd gemeten voor tenminste 70% bestaan uit ondersteunende werkzaamheden. 5.3. De hoofdactiviteit van de onderneming van eiseres en haar echtgenoot bestaat uit het maken van fotografische producties voor bedrijven. Deze producties worden met name vervaardigd voor reclamedoeleinden. Eiseres heeft ter zitting onweersproken verklaard dat het maken van deze producties onder meer bestaat uit het verzamelen van requisieten, het selecteren en aantrekken van modellen, het ontwerpen en opbouwen van de set en het fotograferen. Het fotograferen maakt in tijd gemeten slechts een gering deel van de totale aan een productie bestede tijd uit. Eiseres is belast met de verzorging van de requisieten en het aantrekken van modellen. Het ontwerpen en opbouwen van de set doen eiseres en haar echtgenoot samen en haar echtgenoot is belast met het fotograferen. De producten worden niet eerder naar de klanten verstuurd dan nadat zowel eiseres als haar echtgenoot deze hebben gecontroleerd en goedgekeurd. 5.4. De rechtbank is van oordeel dat de hoofdactiviteit van de onderneming niet beperkt is tot het daadwerkelijk maken van foto’s maar dat deze zich uitstrekt tot het vervaardigen van de gehele fotografische productie. Hiertoe behoren derhalve alle werkzaamheden die aan het maken van de foto’s voorafgaan en van groot belang zijn voor het slagen van het eindproduct alsmede de kwaliteitscontrole van de foto’s voordat deze worden verstuurd naar de opdrachtgevers. Tot de werkzaamheden die in het kader van de hoofdactiviteit van de onderneming worden verricht dienen naar het oordeel van de rechtbank ook gerekend te worden de onder 5.3 genoemde werkzaamheden die door eiseres hetzij alleen hetzij in samenwerking met haar echtgenoot worden verricht. Dit geldt te meer nu eiseres ter zitting heeft verklaard dat de door haar verrichte werkzaamheden die direct samenhangen met het maken van een productie bij andere vergelijkbare bedrijven veelal door de fotograaf zelf worden verricht. 5.5. Nu door eiseres onweersproken is verklaard dat 1/3 deel van de tijd die zij voor de onderneming werkzaam is bestaat uit werkzaamheden als genoemd onder 5.3 kan niet worden gezegd dat de ten behoeve van het samenwerkingsverband verrichte werkzaamheden hoofdzakelijk van ondersteunende aard zijn. De andere in het tweede lid van artikel 3.6 van de Wet IB 2001 genoemde uitsluitingsgrond (het ongebruikelijke samenwerkingsverband) behoeft vanwege het cumulatieve karakter van de twee uitsluitingsgronden verder geen bespreking meer. 5.6. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres ten minste 1225 uur aan werkzaamheden ten behoeve van de onderneming heeft besteed, zodat zij recht heeft op de zelfstandigenaftrek. 5.7. De beroepen zullen gegrond worden verklaard. 6. Proceskosten Nu eiseres in het gelijk wordt gesteld zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proceskosten, zijnde de reiskosten per openbaar vervoer voor het bijwonen van de zitting ten bedrage van € 20. Andere voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten zijn niet gesteld. 7. Beslissing De rechtbank - verklaart de beroepen gegrond; - vernietigt de bestreden uitspraken; - vernietigt de navorderingsaanslag 2001; - vermindert de aanslag voor het jaar 2002 tot een berekend naar belastbaar inkomen uit werk en woning van € 6.175; - veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 20 onder aanwijzing van de Staat om deze kosten te betalen; - gelast de Staat de door eiseres gestorte griffierechten ad. € 74 te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan op 11 oktober 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. R.G. Kemmers, in tegenwoordigheid van drs. N. Hoens, griffier. Afschrift verzonden aan partijen op: De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum: - hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, dan wel - beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt. N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd. Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen: 1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie. Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.