
Jurisprudentie
AZ0071
Datum uitspraak2006-08-18
Datum gepubliceerd2006-10-25
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 05/8931 OB
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-25
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 05/8931 OB
Statusgepubliceerd
Indicatie
In geschil is de aan eiser opgelegde vergrijpboete ter zake van het niet betalen van omzetbelasting voor het tijdvak 2003/2004. De nageheven belasting bestaat uit twee componenten: de omzetbelasting verschuldigd voor het privé-gebruik van een personenauto (hiern: privé-gebruik) en de omzetbelasting die niet is betaald omdat de kleine-ondernemersregeling ten onrechte is toegepast. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat het aan de grove schuld van eiser te wijten is dat de omzetbelasting verschuldigd voor het privé-gebruik niet is betaald. Verweerder is er echter niet in geslaagd te bewijzen dat het aan eisers grove schuld te wijten is dat de kleine-ondernemersregeling ten onrechte is toegepast. Gesteld noch gebleken is dat eiser wist of behoorde te weten dat het achterwege blijven van een bijtelling ter zake van het privé-gebruik als sequeel had dat geen aanspraak op de kleine-ondernemersregeling bestond. Derhalve heeft eiser, door in zijn aangifte nochthans toepassing van de kleine-ondernemersregeling te vragen, niet dermate lichtvaardig gehandeld dat hem op dit punt grove schuld kan worden verweten.
Uitspraak
RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 05/8931 OB
Uitspraakdatum: 18 augustus 2006
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[X], wonende te [Z], eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst [te P], kantoor [Z], verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 22 november 2005 op het bezwaar van eiser tegen de bij de aan eiser voor het tijdvak 1 januari 2003 tot en met 31 december 2004 opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting (aanslagnummer [0000.00.00.000.00000]) genomen boetebeschikking (hierna: de boetebeschikking).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2006. Namens verweerder is verschenen mr. J.H.M. Heezen. Eiser is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 27 juni 2006 aan de gemachtigde van eiser E. Gruppen op het adres [a-straat] 53 te [Q], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Eiser is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van TPG Post is gebleken dat de brief is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.
1. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- herroept de boetebeschikking;
- stelt de boete vast op € 934;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 322, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;
- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 138 vergoedt.
2. Gronden
2.1. Eiser exploiteert een taxibedrijf en is als zodanig ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968.
2.2. Verweerder heeft bij eiser een boekenonderzoek ingesteld naar de juistheid van de door eiser gedane aanvragen tot teruggaaf van belasting van personenauto's en motorrijwielen over de periode 4 oktober 2001 tot en met 13 januari 2005. De uitkomsten van dit onderzoek zijn neergelegd in het controlerapport van verweerder van 27 juni 2005. Tijdens het boekenonderzoek heeft verweerder onder meer geconstateerd dat eiser de in zijn onderneming aanwezige auto in de jaren 2003 en 2004 mede heeft gebezigd anders dan in het kader van zijn onderneming, en dat eiser de omzetbelasting verschuldigd ter zake van dit privé-gebruik niet heeft aangegeven in de voor de tijdvakken gelegen in de jaren 2003 en 2004 ingediende aangiften omzetbelasting.
2.3. Naar aanleiding van deze constatering heeft verweerder aan eiser voor het tijdvak 1 januari 2003 tot en met 31 december 2004 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd. Met deze naheffingsaanslag heeft verweerder eveneens de als gevolg van de correctie voor het privé-gebruik van de auto in het jaar 2004 ten onrechte toegepaste vermindering van belasting voor kleine ondernemers (hierna: de kleine-ondernemersregeling) ten bedrage van € 1.250 gecorrigeerd. De naheffingsaanslag bedraagt € 4.988. Gelijktijdig met het opleggen van de naheffingsaanslag heeft verweerder bij beschikking aan eiser een vergrijpboete opgelegd ten bedrage van € 1.247 (hierna: de boete).
2.4. Vaststaat dat eiser de auto zowel in het kader van zijn onderneming als privé heeft gebruikt en dat hij de omzetbelasting verschuldigd ter zake van dit privé-gebruik niet heeft aangegeven.
2.5. In geschil is of verweerder de boete terecht en naar een juiste bedrag heeft opgelegd. Meer specifiek is in geschil of het aan de grove schuld van eiser is te wijten dat de omzetbelasting welke op aangifte moest worden voldaan niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn is betaald.
2.6. Eiser stelt dat hij niet wist dat hij omzetbelasting was verschuldigd over het privé-gebruik van de auto.
2.7. Verweerder heeft aangevoerd dat de boete terecht is opgelegd nu vaststaat dat eiser de auto zowel in het kader van zijn onderneming als privé heeft gebruikt en dat eiser op dat punt geen juiste administratie heeft gevoerd. Van eiser mag worden verwacht dat hij extra aandacht heeft voor de regels omtrent het privé-gebruik van de auto, zeker gelet op de specifieke bedrijfsvoering van eiser. Door de lichtvaardige houding van eiser is het aan hem te wijten dat te weinig belasting is afgedragen. Verweerder acht de boete terecht opgelegd, mede omdat is gebleken dat eiser over een lange periode geen aangifte heeft gedaan ter zake het privé-gebruik van de auto.
2.8. Ingevolge artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) kan de inspecteur aan een belastingplichtige een boete opleggen van ten hoogste 100 percent van het bedrag van de belasting dat niet of niet tijdig is betaald indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat belasting welke op aangifte moet worden voldaan niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn is betaald. Ingevolge het tweede lid van laatstgenoemd artikel, voor zover hier van belang, wordt de grondslag voor de boete gevormd door het bedrag van de belasting dat niet is betaald, voor zover dat bedrag als gevolg van de grove schuld van de belastingplichtige niet is betaald.
2.9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, op wie in deze de bewijslast rust, met hetgeen hij heeft gesteld aannemelijk gemaakt dat het aan de grove schuld, dat is in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid, van eiser is te wijten dat te weinig omzetbelasting is betaald ter zake van het privé-gebruik van de in zijn onderneming aanwezige auto (hierna: het privé-gebruik). Daarbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Eiser, die een taxibedrijf exploiteert, behoorde te weten dat hij omzetbelasting was verschuldigd ter zake van het privé-gebruik. Eiser heeft door zich niet te verdiepen in de regelgeving betreffende de verschuldigdheid van omzetbelasting ter zake van het privé-gebruik dermate lichtvaardig gehandeld dat er sprake is van een in laakbaarheid aan opzet grenzende onachtzaamheid, en derhalve van grove schuld ter zake van het niet betalen van omzetbelasting over het privé-gebruik. In zoverre is verweerder terecht overgegaan tot het opleggen van een vergrijpboete ingevolge artikel 67f van de AWR.
2.10. Verweerder is er naar het oordeel van de rechtbank echter niet in geslaagd aannemelijk te maken dat het aan de grove schuld van eiser is te wijten dat te weinig omzetbelasting is betaald doordat in 2004 ten onrechte toepassing is gegeven aan de kleine-ondernemersregeling. Gesteld noch gebleken is dat eiser wist of behoorde te weten dat het achterwege blijven van een bijtelling ter zake van het privé-gebruik als sequeel had dat geen aanspraak op belastingvermindering op grond van de kleine-ondernemersregeling bestond. Derhalve heeft eiser, door in zijn aangifte nochtans toepassing van de kleine-ondernemersregeling te vragen, niet dermate lichtvaardig gehandeld dat hem op dit punt grove schuld kan worden verweten.
2.11. Gelet hierop heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de boete verminderd.
2.12. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kos-ten die eiser in verband met de behande-ling van het beroep redelij-kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 322 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1).
Deze uitspraak is gedaan op 18 augustus 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. G.J. van Leijenhorst, in tegenwoordigheid van mr. I. Lampe-Selanno, griffier.