
Jurisprudentie
AZ0061
Datum uitspraak2006-06-12
Datum gepubliceerd2006-10-18
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
ZittingsplaatsHaarlem
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 04/45715, 04/45717
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-18
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
ZittingsplaatsHaarlem
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 04/45715, 04/45717
Statusgepubliceerd
Indicatie
Wav / weigering twv / vertrouwensbeginsel / restrictief toelatingsbeleid.
Verweerder was bevoegd om de aanvraag van eiser af te wijzen omdat eiser niet beschikt over een tewerkstellingsvergunning en hij daarom niet voldoet aan de voorwaarden voor verlening van de gevraagde vergunning. De door eiser aangevoerde omstandigheden zijn niet dusdanig bijzonder dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om geen gebruik te maken van zijn bevoegdheid om van het beleid af te wijken. Het vertrouwensbeginsel houdt in dat gerechtvaardigde verwachtingen, zo dat enigszins mogelijk is, worden gehonoreerd. Voornoemd beginsel is kennelijk tot uitgangspunt genomen in verweerders beleid, zoals weergegeven in B1/1.1.8 Vc 2000. Ingevolge dat beleid wordt in het geval als het onderhavige, waarin niet aan de aan de vergunning te verbinden beperking wordt voldaan, geen vergunning verleend. Dit beleid laat echter onverlet dat de rechtbank zelfstandig dient te oordelen of sprake is van een te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel.
Een vreemdeling aan wie een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) is verleend, mag er in de regel van uit gaan dat zijn aanvraag om een verblijfsvergunning in Nederland zal worden ingewilligd. Dit lijdt uitzondering indien het de vreemdeling duidelijk is dan wel had moeten zijn dat verlening van de mvv het gevolg is van een ambtelijke misslag of indien sprake is van gewijzigde feiten of omstandigheden. Nu van voornoemde uitzonderingen geen sprake is, is bij eiser het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat hij in Nederland in het bezit zou worden gesteld van de gevraagde verblijfsvergunning. Verweerder heeft er echter van af kunnen zien het bij eiser gewekte gerechtvaardigde vertrouwen te honoreren. Verlening van de gevraagde vergunning is in strijd met de tekst en strekking van de Wav. Aan het met deze bepalingen gediende algemeen belang van de Nederlandse staat bij consequente toepassing van het restrictieve toelatingsbeleid tot de Nederlandse arbeidsmarkt heeft verweerder zwaarder gewicht kunnen toekennen dan aan het belang van eiser bij honorering van het bij hem gewekte vertrouwen. Beroep ongegrond, afwijzing verzoek.
Uitspraak
RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht
Nevenzittingsplaats Haarlem
zaaknummer: AWB 04 / 45715 (beroep)
AWB 04 / 45717 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 12 juni 2006
in de zaak van:
[eiser],
geboren op [geboortedatum] 1976, van Togolese nationaliteit,
eiser / verzoeker,
verder te noemen eiser,
gemachtigde: mr. J.L. Muller, advocaat te Amsterdam,
tegen:
de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
verweerder,
gemachtigde: mr. W.B. Klaus, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te ’s-Gravenhage.
1. Procesverloop
1.1 Eiser heeft op 27 september 2002 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘arbeid in loondienst bij [werkgever].’. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 20 maart 2003 afgewezen. Eiser heeft tegen het besluit op 17 april 2003 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 17 september 2004 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit op 15 oktober 2004 beroep ingesteld.
1.2 Eiser heeft op 15 oktober 2004 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.
1.3 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.4 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 9 maart 2006. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
2. Overwegingen
2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.
Feiten
2.2 Eiser heeft op 5 april 2001 bij de Nederlandse vertegenwoordiging te Accra (Ghana) een aanvraag gedaan om afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als beperking ‘arbeid in loondienst’. Bij brieven van 31 oktober en 29 november 2001 is [werkgever]., hierna: de werkgever, door de korpschef van de Dienst Vreemdelingenpolitie Amsterdam-Amstelland in de gelegenheid gesteld om voor de aanvraag relevante stukken te overleggen. Op 18 februari 2002 heeft voornoemde korpschef een negatief advies uitgebracht omtrent de afgifte van de gevraagde mvv. Op diezelfde dag heeft hij bij brief aan de werkgever laten weten dat zijn advies omtrent afgifte van de mvv negatief is en de Visadienst, ondergebracht bij de IND, binnenkort een beslissing zal nemen. Op 12 juli 2002 heeft het Hoofd van de Visadienst namens de minister van Buitenlandse Zaken een besluit genomen conform het negatieve advies van de korpschef van 18 februari 2002. Bij brief van 12 juli 2002 heeft het Hoofd van de Visadienst aan de werkgever laten weten dat geen bezwaar bestaat tegen de afgifte van een mvv. Op 17 september 2002 is door de Nederlandse vertegenwoordiging te Accra aan eiser een mvv afgegeven, met een geldigheidsduur tot 17 maart 2003. Op 15 april 2003 heeft de werkgever een aanvraag ingediend om verlening van een tewerkstellingsvergunning (twv). Deze aanvraag is bij besluit van 20 mei 2003 van de Centrale organisatie voor Werk en Inkomen (CWI) afgewezen.
Toepasselijke regelgeving
2.3 Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier wordt ingevolge artikel 13 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) slechts ingewilligd indien internationale verplichtingen daartoe nopen, met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.
2.4 Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder g, Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen indien de vreemdeling niet voldoet aan de beperking, verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven.
2.5 In artikel 3.31 Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) is, voor zover hier van belang, bepaald dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid in loondienst, onder de in het tweede lid gestelde voorwaarden, wordt verleend aan de vreemdeling die in Nederland arbeid in loondienst verricht of gaat verrichten en waarvoor na toetsing aan prioriteitgenietend aanbod op de Nederlandse arbeidsmarkt een twv als bedoeld in artikel 1, onder e, Wet arbeid vreemdelingen (Wav) is afgegeven.
2.6 In B1/1.1.8 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) is bepaald dat aan de houder van een geldige mvv, uit het oogpunt van rechtszekerheid, slechts in uitzonderlijke gevallen een verblijfsvergunning kan worden geweigerd. Hiervan is sprake indien blijkt dat niet aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is voldaan. Daartoe wordt in ieder geval gerekend de situatie waarin de vreemdeling niet voldoet aan de aan de verblijfsvergunning te verbinden beperking.
2.7 In paragraaf B5/2.1 Vc, voor zover hier van belang, is de beleidsregel neergelegd dat bij het ontbreken van een twv een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdende met arbeid in loondienst wordt afgewezen.
2.8 Ingevolge artikel 2, eerste lid, Wav is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder twv.
2.9 In de artikelen 3 en 4 Wav zijn categorieën vreemdelingen opgesomd, ten aanzien van wie het verbod van artikel 2 Wav niet van toepassing is.
Standpunten partijen
2.10 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarde dat hij dient te beschikken over een twv. Er is terecht geen gebruik gemaakt van de inherente afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser wordt niet gevolgd in zijn stelling dat met de afgifte van de mvv het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat aan eiser verblijf in Nederland zou worden toegestaan. De verblijfsweigering leidt voorts niet tot onevenredige gevolgen voor eiser.
2.11 Eiser heeft hier in beroep - samengevat - het volgende tegen ingebracht. Doordat aan eiser een mvv is verleend, is bij hem het gerechtvaardigde vertrouwen opgewekt dat aan hem de gevraagde verblijfsvergunning zou worden verleend. Aan eiser dient een verblijfsvergunning te worden verleend zonder dat daaraan de voorwaarde wordt verbonden dat hij over een twv beschikt. Verweerder heeft ten onrechte geen gebruik gemaakt van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid in de zin van artikel 4:84 Awb. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte een deel van eisers gronden in bezwaar buiten beschouwing gelaten.
2.12 Verweerder heeft zich in zijn verweerschrift op het standpunt gesteld dat, zelfs indien wordt aangenomen dat er sprake is van gerechtvaardigd opgewekt vertrouwen, dit niet tot gevolg kan hebben dat verweerder in strijd met de Wav dient te handelen. Het feit dat abusievelijk een mvv is afgegeven, is onvoldoende voor het oordeel dat verweerder gebruik had dienen te maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid.
Oordeel rechtbank
2.13 Niet in geschil is dat eiser niet beschikt over een twv en hij daarom niet voldoet aan de voorwaarden voor verlening van de gevraagde vergunning. Verweerder was dan ook bevoegd om op die grond de aanvraag van eiser af te wijzen.
2.14 De door eiser aangevoerde omstandigheden, inhoudende dat hij en zijn gezin in het land van herkomst in een moeilijke positie verkeren en de verdiensten uit arbeid in Nederland hem de mogelijkheid bieden om zijn gezin te onderhouden, zijn niet dusdanig bijzonder dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om geen gebruik te maken van zijn bevoegdheid om van het beleid af te wijken.
2.15 Met betrekking tot eisers beroep op het vertrouwensbeginsel wordt het volgende overwogen.
2.16 Het vertrouwensbeginsel houdt in dat gerechtvaardigde verwachtingen, zo dat enigszins mogelijk is, worden gehonoreerd.
2.17 Voornoemd beginsel is kennelijk tot uitgangspunt genomen in verweerders beleid, zoals hierboven onder 2.6 weergegeven. Ingevolge dat beleid wordt evenwel in het geval als de onderhavige, waarin niet aan de aan de vergunning te verbinden beperking wordt voldaan, geen vergunning verleend. Dit beleid laat echter onverlet dat de rechtbank zelfstandig dient te oordelen of sprake is van een te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel.
2.18 Daarmee komt het allereerst aan op de vraag of door aan eiser een mvv te verlenen bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat hem een verblijfsvergunning zou worden verleend onder de gevraagde beperking. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Hiertoe is het volgende redengevend.
2.19 De aanvraag om afgifte van een mvv wordt getoetst aan de voorwaarden die gelden voor verlening van de verblijfsvergunning in Nederland voor het verblijfsdoel dat overeenkomt met het doel waarvoor de mvv is aangevraagd. Hieruit vloeit voort dat een vreemdeling aan wie een mvv is verleend, er in de regel van uit mag gaan dat zijn aanvraag om een verblijfsvergunning in Nederland zal worden ingewilligd. Dit lijdt uitzondering indien het de vreemdeling duidelijk is dan wel had moeten zijn dat verlening van de mvv het gevolg is van een ambtelijke misslag of indien sprake is van gewijzigde feiten of omstandigheden.
Niet in geschil is dat de verlening van de mvv aan eiser op een ambtelijke misslag berust. Voor de rechtbank is niet komen vast te staan dat dit eiser duidelijk was dan wel had kunnen zijn. Verweerders stelling in het verweerschrift dat de werkgever van eiser, en daarmee eiser, gelet op het negatieve advies van de korpschef, had kunnen vermoeden dat de brief van 12 juli 2002 van de Visadienst op een fout berustte, volgt de rechtbank niet. In de eerste plaats bieden de gedingstukken en het verhandelde ter zitting geen aanknopingspunten om aan te nemen dat eiser door zijn werkgever over het advies van de korpschef geïnformeerd is. In de tweede plaats staat een negatief advies niet aan een positief besluit in de weg. Nu voorts sinds het moment dat aan eiser de mvv is verleend geen sprake is van gewijzigde feiten of omstandigheden, dient te worden geconcludeerd dat door die verlening bij eiser het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat hij in Nederland in het bezit zou worden gesteld van de gevraagde verblijfsvergunning.
2.20 Vervolgens is het de vraag of verweerder er van af heeft kunnen zien het bij eiser gewekte gerechtvaardigde vertrouwen te honoreren.
2.21 De rechtbank stelt vast dat de toepasselijke bepalingen van de Vreemdelingenwet en het Vreemdelingenbesluit er niet aan in de weg staan dat verweerder eiser de gevraagde verblijfsvergunning verleent. Het gerechtvaardigde vertrouwen van eiser zou dan gehonoreerd worden zonder dat verweerder daarmee in strijd handelt met die wettelijke bepalingen. Verweerder heeft er echter terecht op gewezen dat hij met verlening van de gevraagde vergunning in strijd komt met tekst en strekking van de Wav. Eiser behoort immers niet tot de in artikel 3 en de bij en krachtens artikel 4 Wav bepaalde categorieën vreemdelingen op wie het verbod van artikel 2 Wav niet van toepassing is. Verlening van de gevraagde vergunning kan dan ook niet plaatsvinden zonder dat verweerder de dwingendrechtelijke bepalingen van de Wav overtreedt. Aan het met deze bepalingen gediende algemeen belang van de Nederlandse staat bij consequente toepassing van het restrictieve toelatingsbeleid tot de Nederlandse arbeidsmarkt heeft verweerder zwaarder gewicht kunnen toekennen dan aan het belang van eiser bij honorering van het bij hem gewekte vertrouwen.
2.22 Gelet op het vorenstaande dient de hierboven onder 2.20 opgeworpen vraag bevestigend te worden beantwoord.
2.23 Gelet op het voorgaande kan de stelling van eiser dat, indien de gevraagde verblijfsvergunning wordt verleend het beleid ter bescherming van de Nederlandse arbeidsmarkt niet wordt doorkruist, nu de mvv per vergissing is afgegeven en er geen precedent wordt geschapen, niet worden gevolgd.
2.24 De rechtbank heeft, anders dan door eiser gesteld, niet kunnen vaststellen dat verweerder in het bestreden besluit niet in voldoende mate is ingegaan op de door eiser in bezwaar aangevoerde gronden.
2.25 De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.
2.26 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.
2.27 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.
3. Beslissing
De rechtbank:
3.1 verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter:
3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C. Greeuw, voorzitter, en mrs. E.B. de Vries – van den Heuvel en E.J. van Keken, leden van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzakenrechter, en op 12 juni 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. P.C. Ypma, griffier.
Afschrift verzonden op:
Coll:
Rechtsmiddel
Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.