Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0059

Datum uitspraak2006-09-29
Datum gepubliceerd2006-10-13
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/4780 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

WAO-schatting.


Uitspraak

04/4780 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 juli 2004, 04/270 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 29 september 2006 I. PROCESVERLOOP Namens appellante is hoger beroep ingesteld door mr. M. Verbraaken - Vooys, advocaat te ’s-Gravenhage. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2006. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Verbraaken - Vooys. Voor het Uwv is verschenen mr. R.A.C. Rijk. II. OVERWEGINGEN Bij besluit op bezwaar van 10 december 2003 is ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van 30 september 2002 waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer waarnaar haar laatstelijk een WAO-uitkering is toegekend, per 25 november 2002 is herzien en nader vastgesteld naar een mate van 25-35%. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante tegen dat besluit op bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat zij geen aanknopingspunten heeft gevonden voor het oordeel dat het Uwv is uitgegaan van onjuiste medische beperkingen. Daarbij heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Appellante is lichamelijk onderzocht door de verzekeringsarts die tevens inlichtingen heeft ingewonnen bij de behandelend sector. De door de appellante behandelend psychiater R.W. Jessurun alsnog verstrekte gegevens hebben de verzekeringsarts geen aanleiding gegeven de door hem op 4 september 2002 getrokken conclusies en de door hem opgestelde functionele mogelijkhedenlijst (FML) te wijzigen. Bij de FML is rekening gehouden met de rugklachten van appellante en zijn beperkingen aangenomen ten aanzien van psychisch belastende factoren als tijdsdruk, conflicthantering en verantwoordelijkheid. Appellante is in de bezwaarfase, op 5 juni 2003, eveneens onderzocht door de bezwaarverzekeringsarts die in zijn bevindingen noch in de van de appellante behandelend internist G.G. van Essen verkregen inlichtingen aanleiding heeft gevonden tot aanscherping van de FML. Dusdoende zijn voldoende gegevens naar voren gekomen om tot een afgewogen oordeel over de voor appellante geldende beperkingen te kunnen komen. De door appellante in beroep overgelegde medische stukken hebben de rechtbank niet doen twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de beide verzekeringsartsen. Het inwinnen van een medisch deskundigenadvies is niet nodig. Wat de arbeidskundige kant van de zaak betreft heeft de rechtbank overwogen dat de drie functies waarop de schatting is gebaseerd de grenzen van de FML niet overschrijden, dat ten aanzien van de markeringen (ten teken van mogelijke overschrijding van de belastbaarheid) afdoende is gemotiveerd waarom er geen sprake is van overschrijding van de belastbaarheid ten tijde in geding en dat niet is gebleken van relativering van de belasting van de functies. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij ten tijde in geding medisch gezien, fysiek en psychisch, volledig arbeidsongeschikt was. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante gewezen op diverse door de haar sedert 1997 wegens een recidiverend chronisch depressief toestandsbeeld behandelend psychiater Jessurun afgegeven verklaringen alsook de tot de gedingstukken behorende verklaringen van de neuroloog dr. R.W.M. Keunen, de internist Van Essen en haar huisarts W.H. Bharos, uit welke verklaringen is af te leiden dat haar fysieke en psychische toestand in toenemende mate is verslechterd. Onder verwijzing naar de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige, waarin wordt ingegaan op de door appellante overgelegde medische verklaringen respectievelijk het door haar ingenomen standpunt wat de arbeidskundige kant van de zaak betreft, heeft het Uwv bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. De Raad kan zich in de aangevallen uitspraak vinden. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden staande gehouden dat er sprake is van onzorgvuldig, ondeugdelijk of anderszins onjuist medisch onderzoek vanwege het Uwv en evenmin dat appellante per 25 november 2002 in medisch opzicht minder mogelijkheden had dan door de verzekeringsarts op 4 september 2002 is vastgelegd in de FML. De Raad acht hetgeen appellante in verschillende stadia van de procedure heeft aangevoerd afdoende weerlegd door de bezwaarverzekeringsarts die dan ook geen aanleiding heeft gezien de FML aan te scherpen. Daarbij betrekt de Raad dat appellante weliswaar in de loop van de procedure melding heeft gemaakt van in omvang en ernst toegenomen en toenemende klachten en beperkingen, maar dat te dezen de situatie op de datum in geding - 25 november 2002 - bepalend is, wat uiteraard niet wegneemt de mogelijkheid om op grond van na die datum beschikbaar gekomen stukken en ingestelde onderzoeken conclusies te trekken met betrekking tot de medische situatie op die datum. De appellante rakende gebeurtenissen die zich na de datum in geding hebben voorgedaan kunnen, hoe ingrijpend ook, dus evenmin als de gevolgen daarvan voor appellante, in de thans aanhangige procedure in beschouwing worden genomen. In de door appellante ter ondersteuning van haar standpunt dat zij reeds in medisch opzicht volledig arbeidsongeschikt is, overgelegde stukken wordt dat onderscheid niet steeds goed gemaakt. Hetgeen appellante heeft verklaard over wat zij nog wel en niet meer kan, is in de loop van de procedure steeds meer gaan afwijken van wat zij aanvankelijk heeft verklaard. De drie in de loop van de procedure door de haar behandelend psychiater Jessurun afgelegde verklaringen - waarvan de eerste dateert van 16 september 2002, dus van voor de datum in geding - liggen niet met elkaar in lijn en sporen ook niet met de verklaring van de huisarts van 25 oktober 2002, nu daarin in het geheel geen melding wordt gemaakt van psychische klachten. De aan de gemachtigde van appellante gerichte verklaring van Jessurun van 26 november 2002 is dezelfde als diens aan de verzekeringsarts gerichte verklaring van 16 september 2002, behoudens het laatste onderdeel ”Conclusie en beantwoording van de vragen”; in die laatste, na het primaire besluit afgegeven verklaring schetst Jessurun een aanmerkelijk ernstiger beeld dan in die eerste. De verklaringen van Jessurun hebben de Raad dan ook niet kunnen overtuigen wat de situatie ten tijde in geding betreft. De door appellante in beroep overgelegde verklaring van de neuroloog Keunen dateert van 15 augustus 2003 en is gebaseerd op poliklinisch onderzoek dat op 16 maart 2003 heeft plaatsgevonden waarbij ook hetgeen appellante toentertijd heeft verklaard over wat zij heeft meegemaakt en (subjectief) ervaren heeft, is meegewogen. Die verklaring kan, ook al vanwege hetgeen appellante tussentijds is overkomen, niet maatgevend worden geacht voor de situatie ten tijde in geding. De Raad acht onder de gegeven omstandigheden een nader medisch onderzoek door een onafhankelijke deskundige nodig noch geïndiceerd. Wat de arbeidskundige kant van de zaak betreft kan, uitgaande van de FML zoals die door de verzekeringsarts op 4 september 2002 is vastgesteld en sedertdien niet is aangescherpt, niet worden staande gehouden dat appellante ten tijde in geding niet in staat was tot het vervullen van de aan haar voorgehouden functies waarop de schatting is gebaseerd. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep faalt, waaruit volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 september 2006. (get.) D.J. van der Vos. (get.) P.H. Broier. BKH 290906