Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0051

Datum uitspraak2006-08-31
Datum gepubliceerd2006-10-13
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/7071 CSV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Is sprake van een beboetbare overtreding ter zake van het niet tijdig indienen van jaaropgaven? Is dit te wijten aan opzet/grove schuld van betrokkene?


Uitspraak

05/7071 CSV Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gevestigd te Amsterdam (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 november 2005, 03/5590 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [betrokkene], gevestigd te Londen (hierna: betrokkene) en appellant Datum uitspraak: 31 augustus 2006. I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2006. Appellant heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. D.M. Rensema, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Betrokkene heeft zich niet laten vertegenwoordigen. II. OVERWEGINGEN Appellant heeft betrokkene het verzuim te laste gelegd ondanks herhaalde verzoeken om inzending van de jaaropgaven van 2002 deze niet tijdig, te weten voor 1 februari 2003, althans bij wege van verzuimherstel zo snel mogelijk hierna, aan appellant te doen toekomen. Bij brief van 28 juli 2003 is betrokkene op de hoogte gesteld van het voornemen terzake van het niet tijdig indienen van de jaaropgaven een bestuurlijke boete op te leggen. Met het besluit van 22 augustus 2003 is betrokkene in kennis gesteld van het opleggen van een bestuurlijke boete. In navolging hiervan is op 25 augustus 2003 een boetenota van € 24.199,-- over 2002 afgegeven. Ook in het na bezwaar genomen besluit van 21 oktober 2003 heeft appellant het ervoor gehouden dat betrokkene niet heeft voldaan aan de verplichting ex artikel 12, lid 1 Loonadministratiebesluit om de jaaropgaven tijdig, in de maand januari, aan te leveren. Ook in rappelbrieven van 25 april en 30 mei 2003 ter herstel wordt uitsluitend gewag gemaakt van ontijdigheid van indiening van jaaropgaven. Deze waren gericht aan het bedrijfsadres te Londen in Engeland, niet aan het adres -van het gemachtigde administratiekantoor AAme te Delft- in Nederland. Appellant ziet een op opzet en grove schuld gebaseerde overtreding, welke tot een boete van 37,5%, uiteindelijk gemaximeerd op € 4.538,-- dient te leiden. Betrokkene stelt zich daarentegen op het standpunt dat de jaaropgaven 2002 wel tijdig zijn opgestuurd en dat zij niet te gelegener tijd ervan in kennis is gesteld dat deze niet verwerkt zijn omdat zij onvolledig waren, zodat zij enig verzuim niet tijdig concreet en correct heeft kunnen herstellen. Daarenboven is zich daartoe lenende correspondentie ten onrechte niet tevens aan AAme te Delft gestuurd. Eerst bij brief van 8 augustus 2003 heeft appellant betrokkene doen weten dat de aanlevering van loongegevens over 2002 als gevolg van ontbrekende of incomplete sofinummers is geweigerd, hetgeen tot een ambtshalve afrekening heeft geleid. Dit standpunt is evenwel niet de kern van het bestreden besluit van appellant en niet eerder duidelijk en eensluidend aan betrokkene kenbaar gemaakt. Bij de aangevallen uitspraak is de rechtbank tot de slotsom gekomen dat er van de zijde van betrokkene onder de gegeven omstandigheden geen sprake was van opzet/grove schuld en dat het bestreden besluit dan ook niet berust op een draagkrachtige motivering. Dit besluit is hierna vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellant heeft in hoger beroep vastgehouden aan zijn opvatting dat er sprake is van een beboetbare overtreding ter zake van het niet tijdig indienen van jaaropgaven, te wijten aan opzet/grove schuld van betrokkene. De Raad overweegt het volgende op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting. Vooropgesteld wordt dat diverse cruciale brieven, waaronder voornoemde rappelbrieven van 25 april en 30 mei 2003 en het besluit op bezwaar van 21 oktober 2003 -naast eventueel aan het bedrijfsadres in Groot-Brittannië- in elk geval aan het gemachtigde administratiekantoor AAme te Delft hadden dienen te worden gezonden. Aannemelijk is dat dit sneller tot een duidelijk inzicht bij betrokkene van het door appellant aan haar verweten feilen had kunnen leiden met een daaraan verbonden echte kans op verzuimherstel, maar de Raad ziet in één en ander toch onvoldoende grond om dit geding niet ten materiële te beslechten. Inzake de hoofdzaak oordeelt de Raad dat indien betrokkene een beboetbare overtreding te laste is gelegd, het hoe dan ook klip en klaar had behoren te zijn welke feilen door haar begaan waren en hoe die -zo mogelijk- onder welke condities concreet hersteld konden worden. Zowel in meerdere rappelbrieven en in het bestreden besluit als nog ter zitting van de Raad wordt betrokkene bij uitstek aangewreven niet tot tijdige indiening van jaaropgaven te zijn overgegaan. Deze motivering kan evenwel het bestreden besluit niet dragen. Er zijn immers door betrokkene wel degelijk jaaropgaven ingediend voor 1 februari 2003, doch deze hadden slechts gecompleteerd moeten worden met -het aan te geven onderdeel van- de ontbrekende sofinummers. Daarvoor was in het stelsel dat appellant aanhangt, verzuimherstel na 1 februari 2003 ook nog mogelijk, maar in de tot verzuimherstel strekkende rappelbrieven na 1 februari 2003 is hierop niet gewezen. Betrokkene kon daardoor dan ook niet duidelijk weten hoe zij tot verzuimherstel moest geraken. Uit andere tot het dossier behorende stukken -waaronder niet traceerbare, derhalve niet in de oordeelsvorming te betrekken brieven- is hiervan evenmin kunnen blijken. Na de wel duidelijke brief van 8 augustus 2003 bleek het voor verzuimherstel te laat. De Raad kan dan ook als slotsom niet anders vaststellen dan dat aan de besluitvorming van appellant een essentieël motiveringsgebrek kleeft dat ook weer uit het na bezwaar genomen besluit blijkt, maar hierna ook niet, zelfs niet ter zitting van de Raad, is weggenomen. Uit het voorgaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad ziet daarbij reden voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak; Veroordeelt het Uwv in de kosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 422,-- wordt geheven. Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en G. van der Wiel en L.J.A. Damen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.M.T. Kruls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2006. (get.) B.J. van der Net. (get.) C.M.T. Kruls. PR/210806