
Jurisprudentie
AZ0049
Datum uitspraak2006-09-26
Datum gepubliceerd2006-10-13
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/7439 WWB
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-13
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers05/7439 WWB
Statusgepubliceerd
Indicatie
Recht op bijstandsuitkering? Het College heeft op goede gronden het standpunt ingenomen dat appellant onvoldoende inzicht heeft verschaft omtrent de wijze waarop hij ten tijde hier van belang in zijn levensonderhoud heeft voorzien.
Uitspraak
05/7439 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 24 november 2005, 05/1567 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen (hierna: College)
Datum uitspraak: 26 september 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.L. Crutzen, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg.nr. 05/7374 WWB, plaatsgevonden op 28 augustus 2006. Voor appellant is verschenen mr. Crutzen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door W.A.A. Buttolo, werkzaam bij de gemeente Heerlen. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. OVERWEGINGEN
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Appellant heeft op 10 maart 2005 een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Bij besluit van 13 mei 2005 heeft het College deze aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van 21 juni 2005 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank een verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Vervolgens heeft het College bij besluit van 4 juli 2005 het bezwaar tegen het besluit van 13 mei 2005 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft omtrent zijn financiële omstandigheden. Derhalve is appellant volgens het College tekortgeschoten in de nakoming van de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting waardoor niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate hij ten tijde hier van belang verkeerde in de omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB.
Op 6 juni 2005 heeft appellant opnieuw bijstand aangevraagd. In de resultaten van het hierop ingestelde onderzoek heeft het College aanleiding gezien om met ingang van de laatstvermelde datum wel bijstand aan appellant toe te kennen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 juli 2005 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Bij de aanvraag heeft appellant aangegeven dat hij over één bankrekening beschikt. Uit een door de sociale recherche ingesteld onderzoek is gebleken dat van deze bankrekening uitsluitend vaste lasten worden afgeschreven. Appellant heeft vervolgens verklaard dat hij leeft van geld van zijn moeder, die in een verzorgingstehuis verblijft. In bezwaar heeft appellant verklaard dat zijn moeder hem heeft gemachtigd om geld op te nemen van haar bankrekening en dat hij wisselende bedragen van deze rekening pint. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft bij voormelde uitspraak van 21 juni 2005 geoordeeld dat appellant geen inzicht heeft gegeven in de hoogte van dit leefgeld. Appellant heeft ook nadien niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aangetoond dat en tot welke bedragen hij ten tijde hier van belang - mede - met geld van zijn moeder in de noodzakelijke kosten van het bestaan heeft voorzien.
Gelet op het voorgaande is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het College op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat appellant onvoldoende inzicht heeft verschaft omtrent de wijze waarop hij ten tijde hier van belang in zijn levensonderhoud heeft voorzien.
De Raad ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de bij het onderzoek naar aanleiding van de aanvraag van 6 juni 2005 naar voren gekomen feiten en omstandigheden mede hadden moeten worden betrokken bij de heroverweging op grondslag van het bezwaar. Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen, vloeit uit de in artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting tot volledige heroverweging van het primaire besluit onder meer voort dat op een bezwaarschrift in beginsel moet worden beslist met inachtneming van alle ten tijde van het nemen van die beslissing van belang zijnde feiten en omstandigheden. Dat betekent onder meer dat die heroverweging dient te geschieden op grond van alle - relevante - op de zaak betrekking hebbende gegevens die op dat moment bekend zijn bij het bestuursorgaan voor zover deze betrekking hebben op de periode in geding, in gevallen als het onderhavige in beginsel vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit; in dit geval derhalve van 10 maart 2005 tot en met 13 mei 2005. De vorenbedoelde onderzoeksbevindingen hebben betrekking op een latere datum en zijn derhalve terecht buiten beschouwing gelaten.
De Raad is voorts met de rechtbank en het College van oordeel dat, nu appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft omtrent zijn financiële omstandigheden in de hier van belang zijnde periode, hij niet heeft voldaan aan de op hem ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB rustende inlichtingenverplichting. Hierdoor is het recht op bijstand ingevolge de WWB niet vast te stellen. Het College heeft de aanvraag van appellant om bijstand dan ook terecht afgewezen.
In hetgeen door appellant overigens is aangevoerd, ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet geen grond voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 september 2006.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) A.H. Polderman-Eelderink.
TG06092006