Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0035

Datum uitspraak2006-10-10
Datum gepubliceerd2006-10-12
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
ZittingsplaatsRoermond
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 05/36396
Statusgepubliceerd


Indicatie

Gezinshereniging / verblijf hier te lande / verplaatsing hoofdverblijf / geen ontlening verblijfsrechten meer aan artikel 10, tweede lid, Vw. Bij uitspraak van 10 oktober 2006 heeft de rechtbank het door verzoekster ingestelde beroep onder het procedurenummer AWB 05/36395 ongegrond verklaard. Gelet op de beslissing in de hoofdzaak is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening dient dan ook te worden afgewezen.


Uitspraak

RECHTBANK ’S GRAVENHAGE ZITTINGHOUDENDE TE ROERMOND Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken Vreemdelingenkamer Uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Proc.nr. : AWB 05/36396 Inzake : [verzoekster], verzoekster, gemachtigde mr. W.M.J. Saes, advocaat te Roermond, tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie te ’s Gravenhage, verweerder. I. PROCESVERLOOP Op 10 augustus 2005 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 3 augustus 2005. Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van verzoekster van 3 juni 1998 tegen het besluit van 8 mei 1998 ongegrond verklaard. Het beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder het procedurenummer AWB 05/36395. Voorts heeft verzoekster op 10 augustus 2005 de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht bij wijze van voorlopige voorziening uitzetting te verbieden tot op het beroep is beslist. Op 9 september 2005 heeft verzoekster de gronden van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kenbaar gemaakt. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden. De ingezonden stukken zijn in afschrift aan verzoekster gezonden. De openbare behandeling van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening heeft plaatsgevonden op 2 juni 2006. Zoals vooraf bij schrijven van 1 mei 2006 is aangekondigd, is verzoekster niet in persoon verschenen, maar heeft zij zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde mr. Saes. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. M.A.M. Janssen. Tevens is ter zitting de moeder van verzoekster, mw. [naam moeder], verschenen. Voormeld beroep is eveneens op 2 juni 2006 op een zitting behandeld. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting van het beroep is de behandeling van dat beroep op verzoek van de gemachtigde van verzoekster met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Awb geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen een nader standpunt kenbaar te maken. Om die reden is ook de behandeling van het onderhavige verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening geschorst, met toepassing van artikel 8:83, eerste lid, van de Awb in samenhang met voormeld artikel 8:64, eerste lid, van de Awb. De gemachtigde van verzoekster heeft van de geboden gelegenheid tot het innemen van een nader standpunt gebruik gemaakt bij fax van 15 juni 2006. Verweerders reactie daarop is op 27 juni 2006 per fax ingezonden. Vervolgens hebben partijen toestemming gegeven als bedoeld in artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb juncto artikel 8:83, eerste lid, van de Awb om een nadere zitting ter zake van het onderhavige verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening achterwege te laten, waarna de voorzieningenrechter op 14 juli 2006 het onderzoek heeft gesloten en de uitspraak nader heeft bepaald op heden. II. OVERWEGINGEN Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaande aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Bij uitspraak van heden heeft de rechtbank het door verzoekster ingestelde beroep als vermeld in rubriek I ongegrond verklaard. Gelet op de beslissing in de hoofdzaak is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening dient dan ook te worden afgewezen. Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de voorzieningenrechter niet gebleken. Mitsdien wordt beslist als volgt. III. BESLISSING De voorzieningenrechter: wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af. Aldus gedaan door mr. F.H. Machiels in tegenwoordigheid van mr. W.A.M. Bocken als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2006. Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier: Afschrift verzonden op: 11 oktober 2006. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.