Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0026

Datum uitspraak2006-10-12
Datum gepubliceerd2006-10-12
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Breda
Zaaknummers4793/04
Statusgepubliceerd


Indicatie

Voorwaardelijke werkstraf treinmachinist. Artikel 165 Wetboek van Strafrecht. Seinen gemist. Aanmerkelijk onoplettend, etc.


Uitspraak

RECHTBANK BREDA Parketnummer(s): 4793/04 1 Partijen. Onderzoek van de zaak. In de zaak onder voormeld parketnummer van de officier van justitie in het arrondissement Breda tegen: [naam verdachte], geboren op [datum en plaats], wonende te [woonplaats], heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank het volgende vonnis gewezen. De rechtbank heeft de gedingstukken gezien en de zaak onderzocht ter terechtzitting. Zij heeft de vordering van de officier van justitie gehoord en het verweer dat naar voren is gebracht door de verdachte en de raadsman, mr. Van der Laan, advocaat te Amsterdam. 2 De tenlastelegging. Verdachte staat terecht, terzake dat hij op 30 september 2004 te Roosendaal als machinist een trein (zijnde een reizigerstrein van N.V. Nederlandse Spoorwegen N.S. voorzien van nummer 8728) besturend, terwijl hij over een van de spoorweg(en) reed, welke gelegen zijn aan de zuidzijde van het emplacement Roosendaal, zeer, althans aanmerkelijk, onoplettend en/of onvoorzichtig en/of onachtzaam, terwijl hij bij het vertrek vanaf het perron het voor hem bestemde uitrijsein (voorzien van nummer 176) nog niet gezien had, niet zijn voortdurende aandacht bij het op dat moment ter plaatse voor hem geldende seinbeeld heeft gehad en/of gehouden, maar diverse gegevens in het diagnosescherm van de boordcomputer van de trein heeft ingevoerd en/of (mede) daardoor vervolgens voornoemd uitrijsein nummer 176 niet (voldoende) heeft waargenomen en/of vervolgens sein nummer 216 is voorbijgereden op het moment dat dat voor hem - verdachte - rood (stoptonend) licht uitstraalde, terwijl tezelfdertijd een locomotief van NMBS-Cargo (voorzien van nummer 2554) over dezelfde spoorweg, de door hem - verdachte - bestuurde reizigerstrein tegemoet reed ten gevolge waarvan voornoemde reizigerstrein en voornoemde locomotief op elkaar botsten, welke botsing tot gevolg had dat een aantal perso(o)n(en) (te weten een of meer inzittend(en) van de reizigerstrein en de machinist van voornoemde locomotief van NMBS-Cargo), gewond raakte en beide treinen schade opliepen, zijnde het aldus aan zijn - verdachtes - schuld te wijten dat toen en daar gevaar is ontstaan voor het verkeer door mechanische kracht op genoemde spoorweg; art 165 lid 1 Wetboek van Strafrecht 3 De geldigheid van de dagvaarding. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is. 4 De bevoegdheid van de rechtbank. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen. 5 De ontvankelijkheid van de officier van justitie. Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Hij kan dus in zijn vordering worden ontvangen. 6 Schorsing der vervolging. Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken. 7 De bewezenverklaring. Door het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 30 september 2004 te Roosendaal als machinist een trein (zijnde een reizigerstrein van N.V. Nederlandse Spoorwegen N.S. voorzien van nummer 8728) besturend, terwijl hij over een van de spoorweg(en) reed, welke gelegen zijn aan de zuidzijde van het emplacement Roosendaal, aanmerkelijk, onoplettend en onvoorzichtig en onachtzaam, terwijl hij bij het vertrek vanaf het perron het voor hem bestemde uitrijsein (voorzien van nummer 176) nog niet gezien had, niet zijn voortdurende aandacht bij het op dat moment ter plaatse voor hem geldende seinbeeld heeft gehad en gehouden, daardoor vervolgens voornoemd uitrijsein nummer 176 niet heeft waargenomen en vervolgens sein nummer 216 is voorbijgereden op het moment dat dat voor hem - verdachte - rood (stoptonend) licht uitstraalde, terwijl tezelfdertijd een locomotief van NMBS-Cargo (voorzien van nummer 2554) over dezelfde spoorweg, de door hem - verdachte - bestuurde reizigerstrein tegemoet reed ten gevolge waarvan voornoemde reizigerstrein en voornoemde locomotief op elkaar botsten, welke botsing tot gevolg had dat een aantal personen (te weten een of meer inzittend(en) van de reizigerstrein en de machinist van voornoemde locomotief van NMBS-Cargo), gewond raakte en beide treinen schade opliepen, zijnde het aldus aan zijn - verdachtes - schuld te wijten dat toen en daar gevaar is ontstaan voor het verkeer door mechanische kracht op genoemde spoorweg; Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken. 8 Het bewijs. De overtuiging van de rechtbank, dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en de omstandigheden die zijn vervat in de volgende bewijsmiddelen. 8.1 De bewijsmiddelen. 8.2 De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs. De raadsman heeft vrijspraak bepleit omdat naar zijn mening weliswaar sprake is van schuld van verdachte aan het gevaar dat is ontstaan op een spoorweg te Roosendaal, door welk gevaar zich een treinongeval op die spoorweg heeft voorgedaan, maar dat die schuld niet aanmerkelijk is. De raadsman heeft daarbij onder meer gewezen op het effect van verwachtingspatronen op het waarnemen van seinen, op de problematiek van deelrijwegen en op de veiligheidssituatie op het spoorwegemplacement te Roosendaal. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte wel aanmerkelijke schuld treft in deze zaak. Verdachte is als machinist van een reizigerstrein van de Nederlandse Spoorwegen aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig en onachtzaam geweest door, terwijl hij met die trein vertrok vanaf het station te Roosendaal in de richting van Vlissingen, niet zijn voortdurende aandacht te hebben gehad en te hebben gehouden bij het ter plaatse voor hem geldend seinbeeld. Eerst heeft hij het uitrijsein nummer 176 niet waargenomen en vervolgens is hij sein nummer 216 voorbijgereden, terwijl dat sein voor hem toen rood licht uitstraalde. Het uitrijsein 176 was weliswaar vanwege een bocht in de spoorweg op het moment van vertrek niet zichtbaar voor verdachte, maar hij had het even later wel kunnen en moeten zien. Ook sein 216 had hij kunnen en moeten zien. Het uitzicht ter plaatse was vrij en onbelemmerd. Verdachte kende het betreffende traject bovendien goed. Hij had het als machinist al vele malen afgelegd. Verdachte heeft verklaard te zijn uitgegaan van het vertreksein van de conducteur en er, door dat vertreksein en vanwege zijn eerdere ervaring op het betreffende traject, van overtuigd te zijn geweest dat zijn rijweg geheel was ingesteld. Hoewel hij nog niet eerder meegemaakt had dat sein 216 rood licht uitstraalde op het moment dat hij het met een door hem bestuurde trein naderde, had hij toch rekening moeten houden met de mogelijkheid van een rood sein, te meer daar hij uitrijsein 176 ook niet had waargenomen en dus niet wist of dat dit sein al dan niet groen licht gaf. Hij heeft er ten onrechte op vertrouwd dat zijn rijweg geheel ingesteld was en dat hij de vrije doorgang had. Hij heeft verklaard zijn aandacht te hebben gehad bij de voorbij sein 216 gelegen overweg. Dat moge zo zijn, maar neemt niet weg dat hij ook aandacht had moeten hebben voor de seinen 176 en 216. Voor het naar behoren functioneren als machinist is het van essentieel belang om voortdurend alert te zijn op het geldende seinbeeld en om erop bedacht te zijn dat zich steeds onvoorziene omstandigheden kunnen voordoen waardoor een sein dat doorgaans groen is toch een keer rood kan zijn. Aan dit alles doet niet af dat technische verbeteringen of veranderingen denkbaar of wenselijk zijn, die de kans op het maken van fouten als de onderhavige of de kans op het ontstaan van ongevallen als gevolg van het maken van dergelijke fouten verminderen of onmogelijk maken. Evenmin doet daaraan af het effect van verwachtingspatronen die ontstaan als een bepaald sein in de beleving van een machinist altijd groen is. Van een machinist wordt onder alle omstandigheden verwacht dat zeer goed op seinen wordt gelet. Daarbij moet in het bijzonder bedacht worden dat een trein een grote massa heeft en dus veel schade zal veroorzaken bij een botsing, dat er in een trein vaak veel passagiers aanwezig zijn en dat een trein een zeer lange remweg heeft en bij gevaar niet kan uitwijken. Deze omstandigheden leggen op de machinist van een trein een zeer grote verantwoordelijkheid. Gelet op deze overwegingen is de rechtbank van oordeel dat het niet bewust waarnemen van twee seinen, daar waar het waarnemen van die seinen toen een van de hoofdtaken van een machinist is, een aanmerkelijke fout van verdachte vormt. 9 De strafbaarheid van het bewezene. Het ten laste van verdachte bewezen verklaarde levert het volgende misdrijf op: Aan zijn schuld te wijten zijn dat gevaar ontstaat voor het verkeer door mechanische kracht over een spoorweg. 10 De strafbaarheid van verdachte. Verdachte is strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard, nu niet is gebleken van enige omstandigheid die zijn strafbaarheid zou opheffen. 11 De straffen en maatregelen. 11.1 De algemene overwegingen omtrent de straf. Op grond van de aard van het bewezene alsmede op grond van de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, die zij hierna zal bepalen. 11.2 De bijzondere overwegingen omtrent de straf. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd aan de verdachte voor het tenlastegelegde op te leggen een werkstraf voor de duur van honderdtwintig uren, subsidiair hechtenis voor de duur van zestig dagen. Verdachte is als machinist van een reizigerstrein van de Nederlandse Spoorwegen aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig en onachtzaam geweest. Terwijl hij met die trein vertrok vanaf het station te Roosendaal in de richting van Vlissingen, heeft hij niet zijn voortdurende aandacht gehad en gehouden bij het op dat moment ter plaatse voor hem geldende seinbeeld. Hij heeft het uitrijsein nummer 176 niet waargenomen en vervolgens is hij sein nummer 216 voorbijgereden, terwijl dat sein voor hem rood licht uitstraalde. Op hetzelfde moment reed hem over dezelfde spoorweg een locomotief van de Belgische spoorwegmaatschappij NMBS tegemoet. Verdachte had voor het rood sein moeten stoppen om deze Belgische locomotief voor te laten gaan. Doordat hij niet stopte voor het rood sein en daardoor de Belgische locomotief niet voor liet gaan, ontstond een aanrijding tussen de door verdachte bestuurde reizigerstrein en de Belgische locomotief. Dit leidde tot een materiƫle schade aan de reizigerstrein en de Belgische locomotief van in totaal ongeveer zes miljoen euro. Tevens liepen ongeveer 50 passagiers van de reizigerstrein en de machinist van de Belgische locomotief verwondingen op. Het bewezenverklaarde is ernstig. Bij de bepaling van de op te leggen straf houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met de volgende omstandigheden. Verdachte is niet eerder met justitie in aanraking gekomen wegens het plegen van enig strafbaar feit. Het is niet gebleken dat hij uitrijsein 176 en sein 216 niet gezien heeft doordat hij zijn aandacht had bij zaken die met het uitoefenen van zijn werk niets te maken hadden, zoals bijvoorbeeld het drinken van koffie of het lezen van een krant. Verdachte is zelf reeds zwaar getroffen door wat er is gebeurd. Hij is niet meer werkzaam als machinist bij de Nederlandse Spoorwegen, terwijl hij dat werk altijd met plezier gedaan heeft. Hij is hevig geschrokken van het ongeval en hij heeft zich de gevolgen ervan erg aangetrokken. Ook heeft hij er zeer tegenop gezien om zich ter openbare terechtzitting voor deze zaak te moeten verantwoorden. Hij heeft op twee dagen na twee jaar lang op die terechtzitting moeten wachten. In deze omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om te volstaan met oplegging van een geheel voorwaardelijke werkstraf van na te melden duur. 12 De toepasselijke wetsartikelen. De beslissing berust op de artikelen 9, 14a (oud), 14b (oud), 14c 22c, 22d en 165 van het wetboek van strafrecht. 13 De beslissing. RECHTDOENDE beslist de rechtbank als volgt. Zij verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 7 is omschreven. Zij verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij. Zij verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het onder 9 vermelde strafbare feit. Zij verklaart verdachte deswege strafbaar. Zij veroordeelt verdachte tot een taakstraf, te weten: een werkstraf gedurende HONDERD EN TWINTIG UREN, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, te vervangen door ZESTIG DAGEN hechtenis. Zij beveelt dat deze werkstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt bepaald op TWEE JAAR, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Heuvel, voorzitter, mr. Bakx en mr. Peters, rechters, in tegenwoordigheid van Klostermann, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 oktober 2006.