
Jurisprudentie
AZ0015
Datum uitspraak2006-07-31
Datum gepubliceerd2006-10-20
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers05/860
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-20
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers05/860
Statusgepubliceerd
Indicatie
Directeur-grootaandeelhouder cedeert huurvorderingen over een bepaalde periode om niet aan zijn BV. In navolging van het arrest van de Hoge Raad van 24 oktober 2003 (BNB 2004/44) oordeelt de rechtbank dat de BV in het boekjaar 1994/1995 en 1998/1999 geen last uit hoofde van afschrijving op de om niet gecedeerde huurvorderingen in aanmerking mag nemen.
Uitspraak
RECHTBANK HAARLEM
Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 05/860
Uitspraakdatum: 31 juli 2006
Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
X N.V., gevestigd te Z, eiseres,
en
de inspecteur van de Belastingdienst P, verweerder.
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1. Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 1994/1995 met dagtekening 30 januari 1999 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van
ƒ 466.225.
1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 februari 2005 de aanslag verminderd naar een belastbaar bedrag van nihil en een verlies vastgesteld van -/- ƒ 9.570. Eiseres heeft daartegen bij brief van 14 maart 2005, ontvangen bij de rechtbank op 15 maart 2005, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 12 april 2005. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
1.3. Het beroep is tezamen met de beroepen bij de rechtbank bekend onder de nummers 05/958 en 05/1191 gevoegd behandeld ter zitting van 21 maart 2006 te Haarlem. Namens eiseres is haar gemachtigde A verschenen. Namens verweerder is B verschenen.
2. Feiten
2.1. Eiseres, opgericht op 4 juni 1991, legt zich onder meer toe op het beheer en beleggen van vermogen. Enig directeur en aandeelhouder is C. Op 23 januari 1995 respectievelijk 30 augustus 1995 heeft C de gedeeltelijke eigendom verkregen van een winkel/woonhuis aan de A-straat 1 en een huis aan de B-straat 1, beide te Q. De onroerende zaken zijn verhuurd.
2.2. Tot de gedingstukken behoort een geconsolideerde jaarrekening 1994/1995 van eiseres. In de toelichting is het volgende vermeld:
“Overige vorderingen
Inzake A-straat 1
De heer C heeft in 1994/1995 zijn huurrechten voor wat betreft de onroerende zaak gelegen aan de A-straat 1 te Q voor de periode van 1 april 1995 tot en met 1 april 2005 om niet gecedeerd aan de vennootschap.
Cessie huurrecht per 1 april 1995 220.000
Rente 550
Afschrijving -/- 11.550
11.000
Saldo per 30 september 1995 209.000
Inzake B-straat 1
De heer C heeft in 1994/1995 zijn huurrechten voor wat betreft de onroerende zaak gelegen aan de B-straat 1 te Q voor de periode van 1 september 1995 tot en met 31 december 2005 om niet gecedeerd aan de vennootschap.
Cessie huurrecht per 1 april 1995 284.000
Rente 115
Afschrijving -/- 2.405
2.290
Saldo per 30 september 1995 281.710
Totaal overige vorderingen 490.710
Overige
Dit betreft een lening aan C met een hoofdsom van ƒ 200.000,--. Het rentepercentage bedraagt 6 per jaar.”
2.3. In haar aangifte vennootschapsbelasting 1994/1995 verwerkte eiseres de cessie van de huurtermijnen als volgt:
- Als storting van kapitaal in de loop van het jaar werd een bedrag van ƒ 504.000 opgenomen;
- Als overige bedrijfsopbrengsten werden de huuropbrengsten van ƒ 16.916 opgenomen;
- De overige financiële vaste activa namen toe van ƒ 0 totƒ 690.710;
- Aan overige afschrijvingen werd een bedrag van ƒ 13.290 in aanmerking genomen.
2.4. Tot de gedingstukken behoort een vaststellingsovereenkomst van 26 augustus 2004 waarin onder meer het volgende is vermeld:
“VASTSTELLINGSOVEREENKOMST
1. In 1995 heeft de aandeelhouder van uw cliënte de toekomstige huurtermijnen van de panden aan de A-straat en de B-straat voor een periode van tien jaren om niet gecedeerd aan uw cliënte.
2. (...)
3. (...)
4. In 1994/1995 is het voordeel dat uw cliënte heeft ontvangen, bestaande uit de tegenwaarde van de cessie om niet van de toekomstige huurtermijnen, tot behoud van rechten in één keer gecorrigeerd (f. 504.000).
5. Vervolgens is jaarlijks het bedrag van de ten laste van de winst gebrachte afschrijving van het activum (zie onder 2.) gecorrigeerd.
6. De feiten zoals onder 4. en 5. vermeld leiden tot een dubbele heffing van vennootschapsbelasting. Omdat niet geheel duidelijk is of sprake is van een in éénmaal te belasten voordeel voor de BV dan wel van een van jaar tot jaar te belasten voordeel, zou tot behoud van rechten vermindering van één van de aangebrachte correcties pas kunnen plaatsvinden nadat het tussen partijen bestaande geschil met betrekking tot alle jaren is uitgeprocedeerd. Partijen achten het onwenselijk om de aldus bestaande dubbele heffing tot dat moment te laten voortbestaan, en hebben daartoe het onderstaande afgesproken.
7. De belastingdienst is bereid om de correctie zoals beschreven onder 4. van deze overeenkomst te verminderen. Deze vermindering houdt in dat voor het boekjaar 1994/1995 wordt volstaan met het corrigeren van de in dat jaar ten laste van de winst gebrachte afschrijving ad f. 13.955.
8. In ruil voor deze vermindering hebben wij afgesproken dat u bij een eventuele beroepsprocedure niet zult stellen dat de cessie om niet van de huurtermijnen ineens in het boekjaar 1994/1995 als bate had moeten worden belast.”
3. Geschil
In geschil is of eiseres op de geactiveerde huurvorderingen mag afschrijven.
4. Standpunten van partijen
4.1. Eiseres voert aan dat het arrest van de Hoge Raad van 24 oktober 2003 (BNB 2004/44) waarin kort samengevat is bepaald dat op grond van redelijke wetstoepassing afschrijving op de geactiveerde huurtermijnen door de vennootschap niet is toegestaan, buiten beschouwing moet blijven. Dit arrest gaat volgens eiseres voorbij aan artikel 104 van de Grondwet en de internationale verdragen die Nederland heeft gesloten, nu het leidt tot een heffing die geen grond vindt in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Feitelijk repareert de Hoge Raad een heffingslek dat voortvloeit uit een leemte in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (de Wet IB ’64) waardoor heffing bij de cederende aandeelhouder natuurlijk persoon niet mogelijk is. Reparatie van dit lek dient plaats te vinden in de sfeer van de inkomstenbelasting, wat ook is gebeurd met invoering van artikel 25, lid 17, van de Wet IB ’64. Subsidiair stelt eiseres dat vanwege het niet toestaan van afschrijving de als rentebaten verantwoorde oprenting ook buiten de heffing moet blijven. Per saldo mag niet meer worden belast dan de ontvangen huurtermijnen, zodat in dit geval de belastbare winst moet worden vastgesteld op een bedrag van -/- ƒ 9.570 -/- ƒ 665 = -/-ƒ 10.235. Eiseres verzoekt de rechtbank verweerder te veroordelen in de daadwerkelijk in bezwaar en beroep gemaakt kosten.
4.2. Verweerder voert aan dat voornoemd arrest niet in strijd is met de grondwet en dat het in dit geval onverkort moet worden toegepast. De jaarlijks ontvangen huurtermijnen moeten worden belast, zonder rekening te houden met de afschrijving. Wel dient de aanslag te worden verminderd in verband met oprenting. Het door eiseres genoemde bedrag van
-/- ƒ 10.235 is niet in geschil. Verweerder ziet geen grond voor andere kostenvergoeding dan op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
5. Beoordeling van het geschil
5.1. In het onder 4.1. genoemde arrest bepaalt de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.2:
“Het Hof heeft daaraan de gevolgtrekking verbonden dat belanghebbende tegenover de als winst verantwoorde vervallen huurtermijnen geen last uit hoofde van afschrijving op de geactiveerde waarde van de gecedeerde huurtermijnen in aanmerking mag nemen.”
In rechtsoverweging 3.5. is opgenomen:
“Een redelijke wetstoepassing, welke recht doet aan de samenhang tussen de vennootschapsbelasting en de inkomstenbelasting, en die strookt met de kostenarresten, brengt met zich dat een voordeel voor de vennootschap, bestaande uit de overdracht om niet van een vermogensbestanddeel dat, zoals in het onderhavige geval, bestaat uit toekomstige inkomsten die zonder de overdracht tot heffing van inkomstenbelasting bij de aandeelhouder zouden hebben geleid, - ook al vindt dit voordeel zijn oorzaak uitsluitend in de betrekking tussen de vennootschap en de aandeelhouder - bij de bepaling van de winst van die vennootschap in aanmerking moet worden genomen. 's Hofs oordeel is derhalve juist.”
5.2. Voornoemd arrest in aanmerking genomen, ziet de rechtbank in het door eiseres gestelde geen grond voor afwijking van het door de Hoge Raad in zijn arrest verwoorde uitgangspunt. Er is geen strijd met internationale verdragen, nu de Hoge Raad in zijn arrest niet een heffing introduceert, maar een wetsystematische en doelmatige interpretatie geeft van het in de Wet Vpb niet nader omschreven en ingevulde begrip (totaal)winst. Gelet op artikel 120 van de Grondwet treedt de rechtbank niet in de beoordeling van de grondwettigheid van artikel 8 van de Wet Vpb en 7 van de Wet IB ’64. Afschrijving op de gecedeerde huurvorderingen is dan ook niet toegestaan.
5.3. Niet in geschil is dat de als rentebaten verantwoorde oprenting niet in de heffing dient te worden betrokken zodat met in achtneming van het voorgaande het verlies dient te worden vastgesteld op -/- ƒ 10.235. Het beroep zal gegrond worden verklaard.
6. Proceskosten
Nu het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten genoemd in artikel 8:75 van de Awb. Hoewel eiseres in bezwaar niet om een kostenvergoeding heeft gevraagd, komen deze toch voor vergoeding in aanmerking nu artikel 7:15 van de Awb nog niet van toepassing was ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift. Verweerder betwist de gestelde kosten in bezwaar voor zover deze € 401 te boven gaan, mede gelet op het feit dat eiseres over alle jaren tussen 1994/1995 en 2000/2001 bezwaar en beroep heeft aangetekend. Bij gebreke van nadere feitelijke onderbouwing van de kosten, stelt de rechtbank de proceskosten voor beroepsmatige bijstand in bezwaar vast op € 401. De kosten van beroep begroot de rechtbank op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht en gelet op de gevoegde behandeling op € 215. Nu eiseres niet stelt andere schade te hebben geleden dan de door haar gemaakte proceskosten, ziet de rechtbank geen grond voor schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb.
7. Beslissing
De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- handhaaft de aanslag en stelt het verlies vast op -/-ƒ 10.235;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 616, en wijst de Staat der Nederlanden aan dit bedrag aan eiseres te voldoen;
- gelast dat de Staat der Nederlanden het door eiseres betaalde griffierecht van € 276 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan op 31 juli 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A. Roelvink - Verhoeff, voorzitter, en mr. M.J. Leijdekker en mr. J.H. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.F. Henry, griffier.
Afschrift verzonden aan partijen op:
De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:
- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, dan wel
- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.
N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.
Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.
Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.