
Jurisprudentie
AY5984
Datum uitspraak2006-08-01
Datum gepubliceerd2006-08-11
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
Zaaknummers2005/420 en 2005/421
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-08-11
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
Zaaknummers2005/420 en 2005/421
Statusgepubliceerd
Indicatie
Het vaststellen van de overtreding geschiedt, anders dan [appellant] heeft aangevoerd, niet volstrekt willekeurig, maar aan de hand van de gebruikelijke observaties door daartoe aangestelde toezichthouders als bedoeld in artikel 69 Wet op de Ruimtelijke Ordening juncto artikel 5:11 Awb en openbare gegevens. De verkrijging van die informatie is noodzakelijk ter controle op de handhaving van bestemmingsplanvoorschriften. [appellant] heeft gesteld dat de wijze van de controles – het stelselmatig observeren en fotograferen van de recreatiewoning – in strijd is met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] onvoldoende gesteld dat hij en/of zijn recreatiewoning onevenredig vaak en/of indringend wordt geobserveerd of gefotografeerd. Dit klemt temeer waar [appellant] tot 11 maart 2003 op het adres van de recreatiewoning stond ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. Uit de ‘controleformulieren PBW’ die de desbetreffende controleambtenaar [C.] heeft opgemaakt [..] blijkt dat controles hebben plaatsgevonden [..]. Voor de vaststelling of iemand zijn hoofdverblijf in de recreatiewoning heeft, is de gemeente voor haar bewijsvoering noodzakelijkerwijs aangewezen op een stelselmatige controle. De door de gemeente verrichte controles dienen derhalve een redelijk handhavingsbelang.
Uitspraak
1 augustus 2006
derde civiele kamer
rolnummers 2005/420 en 421
G E R E C H T S H O F T E A R N H E M
Arrest
in de zaken met rolnummers 2005/420 en 421 van:
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
procureur: mr. N.L.J.M. Rijssenbeek,
tegen:
de publiekrechtelijke rechtspersoon
de gemeente Ermelo,
zetelend te Ermelo,
geïntimeerde,
procureur: mr. J.C.N.B. Kaal.
1 Het geding in eerste aanleg
Voor de procedure in eerste aanleg in de zaak met rolnummer 2005/420 wordt verwezen naar de inhoud van de vonnissen van 31 maart 2004, 15 september 2004 en 9 februari 2005 (alle onder rolnummer 59555 HAZA 04-77) en in de zaak met rolnummer 2005/421 naar de inhoud van de vonnissen van 16 juni 2004 en 9 februari 2005 (alle onder rolnummer 55695 HAZA 03-833), verbeterd bij vonnis van 16 maart 2005, die de rechtbank Zutphen heeft gewezen tussen appellant (hierna: [appellant]) als eiser en geïntimeerde (hierna: de gemeente) als gedaagde; van genoemde vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.
2 Het geding in hoger beroep
2.1 In de zaak met rolnummer 2005/420, respectievelijk 2005/421, heeft [appellant] bij exploten van 9 maart 2005 de gemeente aangezegd dat hij van de vonnissen van 15 september 2004 en 9 februari 2005, respectievelijk van 16 juni 2004 en 9 februari 2005, in hoger beroep komt, met dagvaarding van de gemeente voor dit hof.
2.2 In de zaken met de rolnummers 2005/420 en 2005/421 heeft [appellant] bij memories van grieven elf grieven (grief IV komt tweemaal voor en de memorie bevat een ongenummerde grief) tegen de bestreden vonnissen aangevoerd en toegelicht, producties in het geding gebracht, bewijs aangeboden en gevorderd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van gronden, de vordering van [appellant] als vermeld in de inleidende dagvaarding zal toewijzen, met veroordeling van de gemeente in de kosten van beide instanties.
2.3 Bij memories van antwoord heeft de gemeente de grieven bestreden, een productie in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen, althans hem deze zal ontzeggen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep.
2.4 Ten slotte hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd, waarna het hof arrest heeft bepaald.
3 De grieven
Voor de inhoud van de elf grieven van [appellant] in de zaken met rolnummers 2005/420 en 421 verwijst het hof naar de desbetreffende memories van grieven.
4 De vaststaande feiten
In de zaak met rolnummer 2005/420 heeft de rechtbank in haar vonnis van 15 september 2004 onder 2.1 tot en met 2.5 feiten vastgesteld. In de zaak met rolnummer 2005/421 heeft de rechtbank in haar vonnis van 16 juni 2004 onder 2.1 tot en met 2.8 feiten vastgesteld. Aangezien tegen die feitenvaststellingen als zodanig in de afzonderlijke hoger beroepen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in de respectievelijke hoger beroepen van die vaststaande feiten uitgaan.
5 De motivering van de beslissing in hoger beroep
In de zaken met rolnummers 2005/420 en 421:
5.1 Het gaat in de onderhavige zaken om het volgende. [appellant] is eigenaar van een recreatiewoning staande en gelegen aan de [adres], kavel [..], te Ermelo (hierna: de recreatiewoning). De recreatiewoning is gelegen in het bestemmingsplan ‘Buitengebied 1983’ (hierna: het bestemmingsplan). Het desbetreffende perceel heeft de bestemming ‘verblijfsrecreatieterrein’. De gronden met de bestemming ‘verblijfsrecreatieterrein’ zijn bestemd voor recreatiebedrijven waar personen, die hun vaste verblijfplaats elders hebben, voor hun recreatie verblijf kunnen houden in recreatiewoonverblijven (artikel 29 lid 1 bestemmingsplan). Op grond van de begripsbepalingen van het bestemmingsplan (artikel 1 sub ab lid 1) wordt onder een ‘recreatiewoonverblijf’ (onder meer) verstaan een vakantiehuisje, zijnde een gebouw bestemd om uitsluitend te worden bewoond door personen die hun hoofdverblijf elders hebben. Op grond van artikel 39 lid 1 van het bestemmingsplan is het verboden om gronden en opstallen te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het bestemmingsplan aan deze gronden en opstallen gegeven bestemming.
Bij besluit van 18 februari 2002 heeft het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente [appellant] een dwangsom opgelegd van € 230 per week voor iedere week dat hij na 1 augustus 2002 permanent in de recreatiewoning woont (met een maximum van € 23.000,-). Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief van 10 april 2002 bezwaar gemaakt. Het college van Burgemeester en Wethouders heeft het bezwaarschrift op 28 mei 2002 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet-tijdig was ingediend. In het tegen dit besluit op bezwaar door [appellant] ingestelde beroep heeft de rechtbank dit op 27 februari 2003 gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd met instandhouding van de rechtsgevolgen. Hiertegen is geen verzet ingesteld, zodat het dwangsombesluit van 18 februari 2002 formele rechtskracht heeft gekregen.
Bij besluit van 12 mei 2003 heeft het college van Burgemeester en Wethouders tegen [appellant] een dwangbevel uitgevaardigd tot betaling van verschuldigde dwangsommen ter hoogte van € 2.990,- (te vermeerderen met invorderingskosten) wegens overtreding van de last in de periode van 1 augustus 2002 tot 1 november 2002. Het dwangbevel is op 19 mei 2003 aan [appellant] betekend. De hiertegen door [appellant] aangespannen verzetprocedure heeft thans rolnummer 2005/421.
Bij besluit van 13 augustus 2003 heeft het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente tegen [appellant] een dwangbevel uitgevaardigd tot betaling van verschuldigde dwangsommen ten bedrage van € 3.910,- (te vermeerderen met invorderingskosten) wegens overtreding van de last in de periode van 1 november 2002 tot 1 maart 2003. Dit dwangbevel is op 19 augustus 2003 aan [appellant] betekend. De hiertegen door [appellant] aangespannen verzetprocedure heeft thans rolnummer 2005/420.
[appellant] heeft tot 11 maart 2003 ingeschreven gestaan in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) op het adres van de recreatiewoning en vanaf die datum in de gemeente [woonplaats].
5.2 De rechtbank heeft, na bewijslevering, in het bestreden eindvonnis in beide zaken het verzet van [appellant] grotendeels ongegrond verklaard en hem veroordeeld in de kosten van het geding.
5.3 Met de grieven I, II, III, beide grieven IV en V (en op onderdelen ook andere grieven) klaagt [appellant] erover dat de rechtbank de bestreden vonnissen van 15 september 2004 (onder 5.3) en van 16 juni 2004 (onder 5.4) ten onrechte oordeelt dat [appellant] in de recreatiewoning geen hoofdverblijf mag hebben en dat criterium aan haar verdere beoordeling ten grondslag heeft gelegd.
5.4 In het dwangsombesluit van 18 februari 2002 (productie 3, respectievelijk 2, bij conclusie van antwoord) staat:
“Het perceel [adres] is gelegen in het bestemmingsplan ‘Buitengebied 1983’ en heeft de bestemming ‘Verblijfsrecreatieterrein’. Op grond van de begripsbepalingen wordt onder een recreatieverblijf onder meer verstaan: een gebouw bestemd om uitsluitend te worden bewoond door personen die hun hoofdverblijf elders hebben. (…)
Het gebruiken van de betreffende recreatiewoning als hoofdwoonverblijf is derhalve in strijd met het geldende bestemmingsplan. (…)
Wij hebben besloten u een dwangsom op te leggen van € 230,-- (tweehonderddertig euro) per week, voor iedere week dat u permanent woont in de recreatiewoning op de [adres].”
5.5 Het hof oordeelt hierover als volgt. Het zojuist genoemde besluit waarin de last onder dwangsom is geformuleerd, heeft formele rechtskracht gekregen. De rechtbank heeft enkel, op grond van het in die dwangsombeschikking gehanteerde begrip ‘hoofdverblijf’ geconstateerd dat [appellant] in de desbetreffende periode in de recreatiewoning zijn hoofdverblijf had. Indien [appellant] het met de uitleg van de in de last onder dwangsom door de rechtbank in navolging van de gemeente gebezigde begrippen (uit het bestemmingsplan) niet eens is, dan had hij de daartegen ingezette bestuursrechtelijke rechtsweg moeten vervolgen, hetgeen hij heeft nagelaten, zodat het besluit in zoverre formele rechtskracht heeft verkregen. Voorts moet uit de dwangsombeschikking als hiervoor geciteerd voor [appellant] redelijkerwijs duidelijk zijn, dat onder permanente bewoning van de recreatiewoning het hebben van een hoofdwoonverblijf in de recreatiewoning moet worden verstaan. Niet van belang is wat [appellant] uit een voorlichtingsfolder heeft begrepen omtrent hetgeen de gemeente onder ‘permanente bewoning’ verstaat of wat de fiscale definitie is van het begrip hoofdverblijf (productie 1 bij memorie van grieven). Van benadeling van personen met een zwervend bestaan is geen sprake: van dergelijke personen kan worden vastgesteld of zij al dan niet hun hoofdverblijf in de recreatiewoning hebben. Hierop stuiten de grieven af.
5.6 Met de grieven VI en VII komt [appellant] op tegen de door de rechtbank in de vonnissen van 15 september 2004 (onder 5.4) en van 16 juni 2004 (onder 5.6) vermelde bewijslastverdeling. De rechtbank heeft in het vonnis van 16 juni 2004 (onder 5.5) vooropgesteld dat op de gemeente de bewijslast rust dat [appellant] de recreatiewoning in de desbetreffende periode als hoofdverblijf heeft gebruikt. Op grond van het feit dat [appellant] tot 11 maart 2003 ingeschreven heeft gestaan in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente op het adres van de recreatiewoning, heeft de rechtbank (onder 5.4, respectievelijk 5.6), gelet op artikel 107 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, behoudens tegenbewijs, aangenomen dat [appellant] tot genoemde datum zijn hoofdverblijf had in de recreatiewoning.
5.7 De grieven falen. Artikel 107 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens omvat een bewijsregel, die inhoudt dat de ingezetene voor de toepassing van enig algemeen verbindend bestuursrechtelijk voorschrift, voor zover bij of krachtens de wet niet anders is bepaald, geacht zijn woonplaats te hebben op het woonadres dat is vermeld zijn persoonslijst, behoudens bewijs van het tegendeel. Zoals uit de tekst en strekking (MvT, ka-merstukken 1988-1989, 21 123, nr. 3, p. 16) blijkt, gaat het hier om een wettelijk vermoeden behoudens tegenbewijs (niet: bewijs van het tegendeel) voor welk tegenbewijs voldoende is dat daardoor zoveel twijfel wordt gezaaid dat aan de juistheid van het vermoeden moet worden getwijfeld. Het hof verenigt zich derhalve met het door de rechtbank aangenomen bewijsvermoeden.
5.8 Met grief VIII komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank in beide vonnissen van 9 februari 2005 (onder 2.4 tot en met 2.8), dat hij niet is geslaagd in het leveren van tegenbewijs dat hij in de perioden van 1 augustus 2002 tot 1 november 2002 alsmede van 1 november 2002 tot 1 maart 2003 geen hoofdverblijf had in de recreatiewoning. [appellant] heeft gesteld dat hij een zwervend bestaan leidt en zowel in Nederland als in Frankrijk verblijft, waarbij de lengte van zijn verblijf op de ene of andere plaats afhangt van de plaatselijke omstandigheden (persoonlijke contacten, weer). [appellant] heeft er voorts op gewezen dat hij, ook volgens de gemeente, vanaf 1 maart 2003 geen dwangsommen meer heeft verbeurd. Volgens [appellant] is er aldus over een jaar bezien geen sprake geweest van permanente bewoning.
5.9 Ter toets staat of in de periode waarvoor de gemeente een dwangbevel heeft uitgevaardigd wegens verbeurde dwangsommen [appellant] zijn hoofdverblijf in de recreatiewoning heeft gehad. Anders dan [appellant] betoogt, is de relevante periode niet de periode van een kalenderjaar of een ander jaar. Op grond van hetgeen is overwogen onder 5.7 geldt een bewijsvermoeden dat [appellant] in de perioden van 1 augustus 2002 tot 1 november 2002 alsmede van 1 november 2002 tot 1 maart 2003 zijn hoofdverblijf in de recreatiewoning had.
5.10 Bij de beoordeling van de tegenbewijslevering door [appellant] stelt het hof het volgende voorop. Als de rechthebbende op de recreatiewoning geeft [appellant] zelf vorm aan zijn woonsituatie en kan hij derhalve bij uitstek daarover gegevens en inlichtingen verschaffen. In het verlengde van zijn gehoudenheid om zijn betwisting voldoende feitelijk onderbouwd te motiveren, kan van hem voorts worden verlangd dat hij voldoende feitelijke gegevens ver-trekt ter motivering van zijn betwisting, mede ten einde aan het handhavende bestuursorgaan c.q. de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort, aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te verschaffen. Gelet op het onder 5.7 vermelde vermoeden, kan in dit licht in casu van de tegenbewijslevering van [appellant] worden verwacht dat hij een duidelijk beeld geeft van zijn werkelijke woonsituatie in de relevante periode.
5.11 [appellant] heeft geen grief gericht tegen de bewijswaardering door de rechtbank als vermeld in beide vonnissen van 9 februari 2005 (onder 2.6). Uit de getuigenverklaringen en andere gegevens blijkt het volgende. [appellant] heeft sinds 2 oktober 2002 een huis in Frankrijk (productie 10 bij conclusie na enquête tevens akte overlegging producties). Het huis moet nog worden opgeknapt. [appellant] heeft als getuige verklaard dat hij doorgaans twee tot drie weken in Ermelo verblijft en dan voor twee tot drie weken naar Frankrijk gaat. Hij heeft tevens verklaard dat in 2002 de recreatiewoning voor de overheden, de bank en zijn contacten in Nederland het postadres was. [A.], van wie de zus bevriend is met [appellant] en die regelmatig contact heeft met [appellant] (ook in Frankrijk), heeft in de procedure met rolnummer 2005/420 als getuige verklaard dat [appellant] met tussenpozen perioden van twee tot drie weken in Frankrijk was en dat hij gemiddeld meer dan een half jaar in Frankrijk was. [A.] noemt het verblijf van [appellant] in Frankrijk een combinatie van vakantie vieren en klussen. De administratie van [appellant] lag in de recreatiewoning, met uitzondering van de administratie die betrekking heeft op zijn huis in Frankrijk. Uit de getuigenverklaringen van [appellant] en [B.], welke laatstgenoemde een recreatiewoning tegenover die van [appellant] bezit, blijkt, dat als [appellant] niet in de recreatiewoning is er andere mensen op passen, dat zij het gras maaien, maar dat zij verder niet zoveel doen en dat niemand behalve [appellant] voor de planten zorgt. [appellant] heeft over zijn andere buitenlandse reizen in de desbetreffende periode (naar Zweden en Indonesië) geen specifieke en met bescheiden onderbouwde gegevens verstrekt. Het hof wijst tevens op de door de gemeente uitgevoerde controles, waaruit blijkt dat de recreatiewoning steeds een bewoonde indruk gaf: er stonden planten binnen en buiten, huisvuil stond buiten, een fiets was aanwezig, ramen en gordijnen waren open, er hing regelmatig wasgoed aan de lijn, de tuinset stond buiten, onder de carport lag huisraad opgeslagen (waaronder een wasmachine en tuingereedschap), de tuin was onderhouden en regelmatig is de auto van [appellant] (een Citroën Berlingo met kenteken [...]) aangetroffen alsmede tot eind 2002 regelmatig [appellant] zelf. Op grond van het vorenstaande heeft [appellant] onvoldoende twijfel gezaaid om het bewijsvermoeden, dat hij in de desbetreffende periodes zijn hoofdverblijf in de recreatiewoning had, te ontzenuwen.
5.12 Met grief IX klaagt [appellant] erover dat de rechtbank in haar vonnis van 16 juni 2004 (onder 5.8) ten onrechte niet heeft geoordeeld dat het opleggen van de last onder de dwangsom een punitief karakter heeft op grond waarvan artikel 6 lid 3 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) en artikel 14 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) in acht moeten worden genomen. [appellant] klaagt, behalve over de kwestie waarover het hof in 5.5 reeds heeft beslist, dat het vaststellen van de overtreding volstrekt willekeurig geschiedt en dat de invordering van de dwangsom niet is gericht op herstel van de norm, maar op het toevoegen van leed. [appellant] wijst er voorts op dat de gemeente de persoonlijke omstandigheden van [appellant] breed uitmeet in de plaatselijke pers.
5.13 Bij het opleggen van een last onder dwangsom en de opvolgende invordering bij dwangbevel gaat het om een handhavingsmaatregel die geen verdere strekking heeft dan het bewerkstelligen van hetgeen uit de juiste toepassing van bij of krachtens de wet gestelde voorschriften voortvloeit. Het opleggen van een dwangsom en de opvolgende invordering bij dwangbevel is niet te beschouwen als het toebrengen van een verdergaande benadeling dan die welke voortvloeit uit het enkel doen naleven van de bedoelde voorschriften. In dat opzicht kan de maatregel niet worden aangemerkt als een punitieve sanctie (zie ook Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State 19 september 1996, AB 1997, 91). [appellant] heeft onvoldoende gesteld om aannemelijk te maken dat aan het opleggen van de onderhavige last onder de dwangsom, die overigens formele rechtskracht heeft, of de opvolgende invordering bij dwangbevel andere motieven ten grondslag liggen dan [appellant] ertoe te bewegen alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen. Het vaststellen van de overtreding geschiedt, anders dan [appellant] heeft aangevoerd, niet volstrekt willekeurig, maar aan de hand van de gebruikelijke observaties door daartoe aangestelde toezichthouders als bedoeld in artikel 69 Wet op de Ruimtelijke Ordening juncto artikel 5:11 Awb en openbare gegevens. De verkrijging van die informatie is noodzakelijk ter controle op de handhaving van bestemmingsplanvoorschriften. [appellant] heeft gesteld dat de wijze van de controles – het stelselmatig observeren en fotograferen van de recreatiewoning – in strijd is met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] onvoldoende gesteld dat hij en/of zijn recreatiewoning onevenredig vaak en/of indringend wordt geobserveerd of gefotografeerd. Dit klemt temeer waar [appellant] tot 11 maart 2003 op het adres van de recreatiewoning stond ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. Uit de ‘controleformulieren PBW’ die de desbetreffende controleambtenaar [C.] heeft opgemaakt (productie 3 bij akte overlegging producties van 9 juli 2003), blijkt dat controles hebben plaatsgevonden – in de zaak met rolnummer 2005/421 - op 8 juli 2002, 6, 8, 14, 21 en 27 augustus 2002, 6, 12, 17 en 25 september 2002, 3, 9, 14 en 21 oktober 2002 alsmede – in de zaak met rolnummer 2005/420 – op 6, 14, 22 en 28 november 2002, 2, 6, 11 en 18 december 2002, 22, 23 en 28 januari 2002, 5, 13, 20 en 24 februari 2002 (productie 6 bij conclusie van antwoord). Voor de vaststelling of iemand zijn hoofdverblijf in de recreatiewoning heeft, is de gemeente voor haar bewijsvoering noodzakelijkerwijs aangewezen op een stelselmatige controle. De door de gemeente verrichte controles dienen derhalve een redelijk handhavingsbelang. [appellant] heeft verder aangevoerd dat de gemeente de controles en procedures slechts gebruikt om eigenaren van recreatiewoningen angst in te boezemen. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] die stelling niet gesubstantieerd, zodat het hof daaraan voorbijgaat. In reactie op het door [appellant] aangevoerde oordeelt het hof verder, dat [appellant] onvoldoende heeft gesteld dat de gemeente de pers informatie heeft verstrekt die niet reeds uit openbare bronnen kenbaar was. Uit de perspublicatie (productie 4 bij memorie van grieven) blijkt ook niet dat deze betrekking heeft op [appellant]. Van een door de gemeente gepleegde inbreuk op de privacy van [appellant] is geen sprake.
5.14 Ten slotte komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank in het bestreden vonnis van 16 juni 2004 (onder 5.10) en in het dictum van het bestreden vonnis van 9 februari 2005, dat [appellant] invorderingskosten verschuldigd is geworden tot een bedrag van € 519,17. [appellant] stelt in de zaak met rolnummer 2005/420 primair dat deze kosten niet zijn gemaakt en subsidiair dat zij onder de proceskostenveroordeling moeten worden begrepen. In de zaak met rolnummer 2005/421 voert [appellant] aan dat niet blijkt dat de kosten betrekking hebben op het onderhavige dossier, dat zonder enige specificatie in alle zaken 2,75 uur wordt gerekend, dat niet duidelijk is of de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt alsmede dat hij niet aansprakelijk is voor het vergeefs uitbrengen van een exploit. De gemeente heeft als productie 8 bij conclusie van antwoord de declaratie van het Civiel Invorderings- en Juridisch Advieskantoor (CIJA) ten bedrage van voornoemd bedrag in het geding gebracht.
5.15 De grief faalt. Uit de faxberichten van CIJA aan de gemeente van 2 oktober 2003 (productie 8 bij conclusie van antwoord (rolnummer 2005/241)) en van 2 maart 2004 (productie 8 bij conclusie van antwoord (rolnummer 2005/420)) blijkt dat de daarin genoemde kosten betrekking hebben op de onderhavige dwangbevelen aan [appellant] en betreffen het bekijken, vervaardigen en wijzigen van een concept-dwangbevel, overleg met de gemeente/gerechtsdeurwaarder en dergelijke, kosten van het aangetekend verzenden naar de gerechtsdeurwaarder, bureau- en dossierkosten en de nota van de gerechtsdeurwaarder. Naar het oordeel van het hof is het voldoende aannemelijk dat die kosten zijn gemaakt, was het maken van die kosten redelijk en is ook de omvang daarvan redelijk, zodat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen.
5.16 Slotsom in beide hoger beroepen is dat de grieven falen. [appellant] zal worden veroordeeld in de kosten van beide hoger beroepen. Nu beide hoger beroepen vrijwel gelijkluidend zijn, acht het hof in hoger beroep slechts één proceskostenveroordeling wegens salaris van de procureur gerechtvaardigd.
De beslissing
Het hof, rechtdoende in de hoger beroepen in de zaken met rolnummers 2005/420 en 421:
- bekrachtigt de bestreden vonnissen van de rechtbank Zutphen van 15 september 2004 en 9 februari 2005 (zaak met rolnummer 2005/420), respectievelijk van 16 juni 2004 en 9 februari 2005 (zaak met rolnummer 2005/421);
- veroordeelt [appellant] in de kosten van de gedingen in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de gemeente begroot aan verschotten op € 291,- (in de zaak met rolnummer 2005/420) en € 291,- (in de zaak met rolnummer 2005/421), alsmede voor salaris € 894,- (in de zaken met rolnummers 2005/420 en 421);
- verklaart vorenstaande proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs Makkink, Steeg en Tjittes en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 augustus 2006.