
Jurisprudentie
AQ6915
Datum uitspraak2004-07-29
Datum gepubliceerd2004-08-16
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureVerzet
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/4689 MAW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-08-16
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureVerzet
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/4689 MAW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan geen hoger beroep worden ingesteld. Verzet ongegrond.
Uitspraak
03/4689 MAW
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:
[opposant], wonende te [woonplaats], Duitsland, opposant,
en
de Bevelhebber der Luchtstrijdkrachten, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
De Raad heeft bij uitspraak van 29 januari 2004 het door opposant ingestelde hoger beroep tegen een ten aanzien van opposant door de rechtbank 's-Gravenhage op 30 juni 2003, onder nummer AWB 02/4867 MAWKLU, tussen partijen gegeven uitspraak niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht geen hoger beroep kan worden ingesteld.
Tegen die uitspraak heeft opposant bij brief van 9 maart 2004 verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van de Raad op 17 juni 2004. Daar is opposant in persoon verschenen. Geopposeerde heeft zich niet ter zitting doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt vast dat opposant in verzet geen gronden naar voren heeft gebracht die afbreuk kunnen doen aan de overweging in de uitspraak waartegen het verzet is gericht.
De Raad overweegt daartoe als volgt.
In artikel 18, tweede lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet is bepaald dat tegen een uitspraak van een rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen hoger beroep kan worden ingesteld.
Uit hetgeen opposant heeft aangevoerd blijkt niet van evidente schending door de rechtbank van eisen van een goede procesorde dan wel fundamentele rechtsbeginselen die zou hebben kunnen leiden tot doorbreking van dit appèlverbod.
Ter voorlichting van opposant overweegt de Raad nog dat appellants verwijzing naar een eerdere uitspraak van de Raad inzake een niet-ontvankelijkverklaring vergeefs is, reeds omdat die uitspraak van de Raad niet is gedaan op een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank, die was gedaan onder toepassing van artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb.
Uit het vorenstaande volgt dat het verzet ongegrond moet worden verklaard.
Met toepassing van artikel 8:55 van de Awb wordt daarom beslist zoals hierna in rubriek III is aangegeven.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en
mr. T. Hoogenboom en mr. D.A.C. Slump als leden, in tegenwoordigheid van
mr. E.W.F. Menkveld-Botinga als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2004.
(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.
(get.) E.W.F. Menkveld-Botinga.
HD
07.07