
Jurisprudentie
AQ4602
Datum uitspraak2004-07-16
Datum gepubliceerd2004-07-22
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/6029 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-22
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/6029 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Intrekking WAO-uitkering; Geen sprake van overschrijding van de belastbaarheid van betrokkene.
Uitspraak
E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/6029 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. J.L. van Os, advocaat te Tilburg, op bij beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank ’s-Hertogenbosch, onder dagtekening 23 oktober 2002, tussen partijen gegeven uitspraak (reg. nr.: AWB 00/6723 WAO), waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft bij schrijven van 10 januari 2003 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 juni 2004, waar appellante, met kennisgeving, niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M. van Grinsven, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als medewerkster linnenkamer. Vanaf 18 december 1995 heeft appellante in verband met ingetreden werkloosheid een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontvangen. Op 5 februari 1998 heeft appellante zich aanvankelijk met schouderklachten en nadien ook vanwege psychische klachten ziek gemeld. Na ommekomst van de zogeheten wachttijd van 52 weken is appellante met ingang van 4 februari 1999 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij het thans bestreden op bezwaar genomen besluit van 11 augustus 2000 heeft gedaagde het besluit van 24 februari 2000 gehandhaafd, waarbij de WAO-uitkering van appellante met ingang van 23 april 2000 is ingetrokken. Aan het bestreden besluit is mede de rapportage van 27 juni 2000, aangevuld op 1 augustus 2000, van de bezwaarverzekeringsarts D. Ubbink ten grondslag gelegd. Deze is na het inwinnen van inlichtingen bij de behandelend psychiater M. Tolmeijer tot de conclusie gekomen dat door de verzekeringsarts Ch.H.C. Lemmers in het FIS-scoreformulier van 17 december 1999 in voldoende mate de psychische beperkingen van appellante tot het verrichten van arbeid zijn weergegeven.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit in stand gelaten, daartoe doorslaggevende betekenis toekennend aan het advies van 15 november 2001 van de door haar als deskundige geraadpleegde zenuwarts-psychiater P.L. The te ’s-Hertogenbosch. Deze heeft in zijn rapport van die datum vermeld dat appellante lijdende was aan afwijkingen in haar psychische gezondheidstoestand, waaruit een aantal door hem genoemde psychische beperkingen voortvloeiden. Tevens heeft de deskundige expliciet geantwoord dat hij zich kan verenigen met de door de verzekeringsarts opgestelde beperkingen en dat appellante in staat was met die beperkingen de aan haar voorgehouden functies te vervullen.
In hoger beroep heeft appellante haar reeds in eerste aanleg ingenomen standpunt herhaald dat de door deskundige The vermelde psychische beperkingen verder gaan dan de verzekeringsarts had aangenomen en dat gelet daarop moet worden aangenomen dat de belasting in de voor appellante geselecteerde functies haar belastbaarheid overschrijdt. Aangevoerd is dat de deskundige onmogelijk heeft kunnen concluderen dat hij zich kon verenigen met de bevindingen van de verzekeringsarts en dat zijn conclusies innerlijk tegenstrijdig zijn. De brief van 12 februari 2002, waarin de deskundige op deze kritiek heeft gereageerd en waarin hij aangeeft geen aanleiding te zien om zijn conclusies aan te passen, acht appellante niet toereikend.
De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat appellante gelet op de beschikbare medische gegevens in staat moet worden geacht een voldoende aantal van de functies te vervullen die op grond van arbeidskundig onderzoek als voor haar geschikte arbeidsmogelijkheden zijn geselecteerd en waarvan zich een overzicht onder de gedingstukken bevindt.
Met appellante is de Raad van oordeel dat de brief van 12 februari 2002 van de deskundige The geen afdoende verklaring vormt voor de door appellante gesignaleerde discrepantie tussen enerzijds de door de verzekeringsarts vastgestelde en door de deskundige als juist aanvaarde psychische beperkingen en anderzijds de daarvan afwijkende en verdergaande psychische beperkingen die de deskundige in zijn rapport vermeldt. De Raad onderschrijft dienaangaande evenwel het oordeel van de rechtbank dat als uitgegaan zou worden van de door de deskundige The genoemde beperkingen, dit geen gevolgen heeft voor de onderwerpelijke arbeidsongeschiktheidsschatting, omdat gelet op het commentaar van de bezwaararbeidsdeskundige van 28 mei 2002, ook in dat geval nog een voldoende aantal functies zonder onaanvaardbare overschrijdingen resteert.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2004.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) M.H.A. Uri.