Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ4521

Datum uitspraak2004-07-15
Datum gepubliceerd2004-07-22
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/2469 CSV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Feitelijk beleidsbepaler; aansprakelijk voor onbetaald gelaten premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten.


Uitspraak

02/2469 CSV U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant heeft mr. M.J. Stroom, juridisch adviseur te Middelharnis, bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, kenmerk 00/4656 CSV, van 29 maart 2002. In die uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard de bezwaren van appellant tegen het besluit van 30 augustus 2000 - hierna: het bestreden besluit -, waarin hem is medegedeeld dat hij aansprakelijk is gesteld ter zake van de door [naam vennootschap] (hierna: de vennootschap) over de jaren 1995 en 1996 onbetaald gelaten premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten, tot een bedrag groot fl. 279.077,52. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en daarin tevens melding gemaakt van het besluit de aansprakelijkstelling te verlagen tot fl. 92.843,52 (€ 42.130,56). Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 juni 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Stroom, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. D.M. Rensema, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING In onderhavig geding is aan de orde de vraag of appellant op juiste gronden in de hoedanigheid van feitelijk beleidsbepaler, als bedoeld in artikel 16d, zesde lid, sub b, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV), aansprakelijk is gesteld voor onbetaald gelaten premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten. Ingevolge artikel 16d, zesde lid, aanhef en onder b, van de CSV wordt voor de toepassing van dit artikel onder bestuurder mede verstaan degene ten aanzien van wie aannemelijk is dat hij het beleid van het lichaam heeft bepaald of mede heeft bepaald als ware hij bestuurder, met uitzondering van de door de rechter benoemde bewindvoerder. Appellant ontkent dat hij als feitelijk beleidsbepaler betrokken is geweest bij de vennootschap. De vennootschap hield zich onder andere bezig met de exploitatie van een privé-club, dan wel kamerverhuur. Tijdens een door de Opsporingsdienst van gedaagde uitgevoerd onderzoek naar mogelijke overtreding van bepalingen in de CSV is, naast een groot aantal andere personen die werkzaam waren binnen de B.V., ook appellant zelf verhoord. Bij dit onderzoek is ook gebruik gemaakt van verklaringen afgelegd tegenover de Regiopolitie Limburg Noord. Uit deze verklaringen blijkt dat appellant (mede) de gang van zaken binnen de vennootschap regelde. Ook appellant zelf heeft verklaard dat hij zich met de zaak heeft bemoeid, dat hij diverse malen het personeel heeft geïnstrueerd en dat hij gebeld werd als er problemen waren, dan wel als er ingrijpende beslissingen genomen moesten worden. Tevens heeft hij verklaard dat er sprake was van een soort drie-hoofdige leiding, waarvan hijzelf deel uitmaakte. Al deze verklaringen tezamen maken naar het oordeel van de Raad voldoende aannemelijk dat binnen de vennootschap appellant gezien moet worden als degene die mede feitelijk het beleid bepaalde als ware hij bestuurder. Het tweede lid van artikel 16d van de CSV bepaalt dat het lichaam als bedoeld in het eerste lid verplicht is onverwijld nadat gebleken is dat het niet tot betaling in staat is, daarvan mededeling te doen aan het uitvoeringsorgaan en, indien het uitvoeringsorgaan dit verlangt, nadere inlichtingen te verstrekken en stukken over te leggen. Elke bestuurder is bevoegd namens het lichaam aan deze verplichting te voldoen. Indien het lichaam op de juiste wijze aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan, is ingevolge het derde lid van artikel 16d van de CSV een bestuurder aansprakelijk indien aannemelijk is, dat het niet betalen van de premie of de voorschotpremie het gevolg is van aan hem te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren, voorafgaand aan het tijdstip van de mededeling. Op grond van het vierde lid is, indien het lichaam niet of niet op de juiste wijze aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan, een bestuurder op voet van het bepaalde in het derde lid aansprakelijk met dien verstande, dat vermoed wordt dat de niet-betaling aan hem is te wijten, en dat de periode van drie jaar wordt geacht in te gaan op het tijdstip waarop het lichaam in gebreke is. Tot de weerlegging van dit vermoeden wordt slechts toegelaten de bestuurder die aannemelijk maakt dat het niet aan hem te wijten is dat het lichaam niet aan zijn in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan. Niet in geding is dat een melding als bedoeld in het tweede lid niet is gedaan. Weliswaar is namens de vennootschap op 2 december 1997 schriftelijk medegedeeld dat de vennootschap volstrekt geen middelen had om de hem opgelegde nota's te voldoen, maar het door gedaagde hierop toegezonden standaardformulier ten behoeve van het doen van een mededeling inzake betalingsonmacht is niet door de vennootschap aan gedaagde geretourneerd. Er kan derhalve niet gesproken worden van een rechtsgeldige melding betalingsonmacht. Appellant heeft naar het oordeel van de Raad niet aannemelijk gemaakt dat hem niet te verwijten is dat de vennootschap geen rechtsgeldige melding betalingsonmacht heeft gedaan, derhalve heeft gedaagde appellant terecht niet toegelaten tot weerlegging van het wettelijk vermoeden dat de niet-betaling te wijten is aan kennelijk onbehoorlijk bestuur van zijn kant. Met betrekking tot de hoogte van het bedrag waarvoor gedaagde appellant aansprakelijk heeft gesteld constateert de Raad dat gedaagde bij brief van 26 augustus 2002 heeft laten weten dit bedrag in neerwaartse zin te hebben bijgesteld. Uit het vorenoverwogene volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. O.J.D.M.L. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2004. (get.) R.C. Schoemaker (get.) M. Renden