
Jurisprudentie
AQ4499
Datum uitspraak2004-07-15
Datum gepubliceerd2004-07-22
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/2165 CSV
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-22
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/2165 CSV
Statusgepubliceerd
Indicatie
Kennelijk onbehoorlijk bestuur. Equality of arms. Beschikbaarheid volledig proces-verbaal strafrechtelijk onderzoek.
Uitspraak
02/2165 CSV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. G.J. van Brakel, advocaat te Huissen, bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem, kenmerk 99/271, gedateerd 1 maart 2002. In die uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen het besluit van 30 december 1998 - hierna: het bestreden besluit -, waarin haar is medegedeeld dat zij aansprakelijk is gesteld voor door [naam vennootschap] (hierna: de vennootschap) over de jaren 1992 tot en met 1995 onbetaald gelaten premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten. Mr. C.C.C.A.M. Kuijken, advocaat te Valkenswaard, heeft naderhand de gronden voor het hoger beroep aangevuld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 3 juni 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.W.M.G. Noten, kantoorgenoot van mr. Kuijken, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. D.M. Rensema, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of gedaagde terecht op de in het bestreden besluit aangegeven gronden heeft vastgesteld dat appellante hoofdelijk aansprakelijk is voor de door de vennootschap verschuldigde premies, omdat aannemelijk is dat die schuld te wijten is aan kennelijk onbehoorlijk bestuur van appellante, zoals bedoeld in artikel 16d, derde lid, van de Coƶrdinatiewet Sociale Verzekering (CSV).
Tussen partijen is niet in geding dat op 2 januari 1996 namens de vennootschap een rechtsgeldige melding betalingsonmacht is gedaan, zoals bedoeld in artikel 16d, tweede lid, van de CSV. Ook is niet in geding dat de vennootschap in gebreke is met de betaling van premie. Bij vonnis van 21 februari 1996 is de vennootschap in staat van faillissement verklaard.
Gedaagde heeft de conclusie dat er sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur voornamelijk gebaseerd op de uitkomst van het onderzoek dat door de Opsporingsdienst van het GAK, Regio Oost, is verricht en dat is neergelegd in het rapport werkgeversfraude van 19 maart 1996. Appellante heeft zowel de juistheid daarvan betwist als de wijze van totstandkoming bekritiseerd. Tevens heeft zij gesteld dat niet zij, maar haar echtgenoot, de feitelijke leiding had binnen de vennootschap en dat haar derhalve geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden met betrekking tot mogelijke onjuistheden in de administratie. Eerst in hoger beroep heeft appellante gesteld dat zij ten onrechte niet heeft kunnen beschikken over het proces-verbaal in het strafrechtelijk onderzoek, welk proces-verbaal door gedaagde wel is gebruikt bij de totstandkoming van het rapport werkgeversfraude.
De Raad overweegt als volgt.
Met betrekking tot de stelling van appellante dat niet zij, maar haar echtgenoot, de feitelijke beleidsbepaler was binnen de vennootschap overweegt de Raad, zoals hij al vele malen eerder heeft gedaan, dat een ieder die zich laat benoemen tot bestuurder van een rechtspersoon, daarmee de verantwoordelijkheid voor het (financiƫle) beleid op zich neemt. Slechts in uitzonderlijk situaties, waarbij te denken valt aan situaties waarin duidelijk wordt dat een bestuurder op geen enkele wijze betrokken is geweest bij handelingen die als kennelijk onbehoorlijk bestuur kunnen worden aangemerkt en er tevens alles aan heeft gedaan om deze handelingen te laten eindigen, kan een bestuurder zich van deze verantwoordelijkheid disculperen. In het onderhavige geding is niet in geschil dat appellante zich bezig hield met de (loon)administratie van de vennootschap en tevens had zij haar echtgenoot een machtiging verleend handelingen te verrichten binnen de vennootschap. De Raad is van oordeel dat ten aanzien van appellante, gezien deze omstandigheden, niet gesproken kan worden van een uitzonderlijke situatie waarin zij zich kan disculperen van genoemde verantwoordelijkheid.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat gedaagde zijn conclusies mocht baseren op genoemd rapport werkgeversfraude. De conclusies zijn niet slechts gebaseerd op verklaringen van ex-werknemers, maar er is ook uitgebreid onderzoek gedaan naar de administratie, voor zover aanwezig, van het bedrijf waarbij onder meer dag- en weekstaten en tachograafgegevens zijn beoordeeld. Naar het oordeel van de Raad bieden de in het rapport weergegeven feiten en omstandigheden voldoende aanwijzing voor de conclusie dat sprake is geweest van het niet volledig afdragen van loonheffing en premies overeenkomstig de loonadministratie alsmede van het zwart uitbetalen van loon c.q. overuren.
Het beroep dat appellante heeft gedaan op een schending van het beginsel van equality of arms ziet de Raad in onderhavig geding niet slagen. Weliswaar heeft gedaagde niet de integrale versie van het, in het kader van het strafrechtelijke onderzoek, onderzoek opgemaakt proces-verbaal overgelegd, doch slechts samenvattingen, maar de Raad is van oordeel dat daaraan in dit geval niet de consequenties verbonden moeten worden die appellante daaraan gehecht wil zien. Hierbij overweegt de Raad dat de conclusie van gedaagde dat er sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur niet slechts is gebaseerd op verklaringen van ex-werknemers van de vennootschap, maar steunt op de overige (met name administratieve) gegevens en de eigen, haar integraal bekende verklaringen van appellante. Daarnaast heeft appellante tijdens de zitting bij de rechtbank, desgevraagd, verklaard niet terug te komen op de door haar, tijdens het strafrechtelijke onderzoek afgelegde niet onjuist of onvolledig samengevatte, verklaringen en tevens toegegeven dat er aan werknemers van de vennootschap inderdaad zwarte betalingen zijn gedaan.
Hieruit volgt dat gedaagde appellante terecht aansprakelijk heeft gesteld voor de door de vennootschap onbetaald gelaten premies en dat derhalve de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht tenslotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. O.J.D.M.L. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2004.
(get.) R.C. Schoemaker
(get.) M. Renden