
Jurisprudentie
AQ4490
Datum uitspraak2004-07-16
Datum gepubliceerd2004-07-22
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/5821 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-22
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/5821 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Kortingsmaatregel van 5% in verband met het te laat indienen van een WAO-uitkering.
Uitspraak
E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/5821 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 14 januari 2002 is ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 september 2001 waarbij gedaagde aan appellant een maatregel heeft opgelegd, inhoudende de toepassing van een kortingspercentage van 5% gedurende de periode van 14 augustus 2001 tot 6 september 2001, in verband met het te laat indienen van een aanvraag van een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).
Bij uitspraak van 25 oktober 2002, nr. 02/167 WAO, heeft de rechtbank Breda het beroep van appellant tegen het besluit van 14 januari 2002 ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, gedateerd 14 maart 2003.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 juni 2003, waar appellant niet is verschenen en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. H.E.G. de Jong, werkzaam bij het Uwv.
II . MOTIVERING
De rechtbank is op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen tot de conclusie gekomen dat gedaagde terecht heeft vastgesteld dat appellant niet heeft voldaan aan de voorwaarde om uiterlijk binnen 9 maanden na aanvang van de arbeidsongeschiktheid een aanvraag om een uitkering te doen en dat gedaagde derhalve gehouden was aan appellant een maatregel op te leggen. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, dan wel dat sprake is van dringende redenen om van het opleggen van de maatregel af te zien.
Appellant houdt ook in hoger beroep staande dat hij het aanvraagformulier WAO te laat heeft ingevuld, omdat hij door zijn psychische toestand daartoe onbekwaam was.
De Raad is van oordeel dat de rechtbank de grief van appellant afdoende heeft besproken. De Raad onderschrijft de overweging van de rechtbank volledig en merkt in aanvulling hierbij op dat appellant in hoger beroep geen nieuwe argumenten heeft aangevoerd en evenmin zijn stelling, dat hij wegens psychische problemen niet in staat was de aanvraag tijdig in te dienen, met concrete medische gegevens heeft onderbouwd.
Het hoger beroep treft geen doel. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos als voorzitter in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2004.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) M.H.A. Uri.