
Jurisprudentie
AQ4476
Datum uitspraak2004-07-16
Datum gepubliceerd2004-07-22
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/5786 AAW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-22
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/5786 AAW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Weigering WAZ-uitkering; minder dan 25% arbeidsongeschikt.
Uitspraak
E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/5786 AAW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 21 september 2000 heeft gedaagde geweigerd aan appellante een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toe te kennen, onder overweging dat appellante op en na
31 december 1998 (lees: 1997) minder dan 25% arbeidsongeschikt wordt geacht.
Bij besluit van 9 oktober 2001, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het door appellante ingediende bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 7 oktober 2002, nr. AWB 2002/1533 AAW, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellante heeft mr. I.J.A.J. Hanssen, advocaat te Maastricht, op bij aanvullend beroepschrift van 23 december 2002 aangevoerde gronden, hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift (met bijlage), gedateerd 16 januari 2003, ingediend.
Op 17 mei 2004 heeft mr. B.C.A. Reijnders, advocaat te Maastricht, namens appellante informatie van J.M.J. van Mulken, arts-assistent orthopaedie, aan de Raad gestuurd.
De bezwaarverzekeringsarts C.G. van der Kooij heeft op 24 mei 2004 hierop gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 juni 2004, waar appellante zich heeft doen vertegen- woordigen door mr. Reijnders, voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen dhr. F. Smeets, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
In dit geding is de vraag aan de orde of het bestreden besluit van 9 oktober 2001 in rechte stand kan houden. Dit besluit is gebaseerd op het standpunt dat bij appellante op en na 31 december 1997, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen aanwezig waren ten aanzien van het verrichten van arbeid, voortvloeiend uit haar rugklachten, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen in staat moet worden geacht om de maatgevende arbeid te verrichten.
In verband hiermee heeft gedaagde zich op het standpunt gesteld dat appellante per 31 december 1997 minder dan 25% arbeidsongeschikt is.
De rechtbank heeft in de aanwezige medische gegevens onvoldoende aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat gedaagde de medische beperkingen van appellante heeft onderschat. Ten aanzien van de door appellante overgelegde expertise van de orthopaedisch chirurg J.W.M. Duyzings heeft de rechtbank overwogen dat de door deze arts geconstateerde beperkingen in grote lijnen overeenstemmen met de beperkingen waartoe door gedaagde is geconcludeerd. Zij kan zich verenigen met de reactie van gedaagde op voornoemde expertise inhoudende dat met de beperkingen van appellante voldoende rekening is gehouden.
In hoger beroep heeft appellante, onder verwijzing naar de rapportages van de verzekeringsgeneeskundige P.M.J. Swerts van 16 januari 2001, 19 augustus 2001, 10 februari 2002 en 24 augustus 2002, aangevoerd dat haar medische beperkingen door gedaagde zijn onderschat. Swerts, voornoemd, heeft op 3 november 2002 aangegeven dat er sprake is van een degeneratief proces en geeft in overweging om een sportarts als deskundige te benoemen.
De Raad beantwoordt de hiervoor geformuleerde rechtsvraag, evenals de rechtbank, bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
In het kader van een beoordeling van de aanspraak op een uitkering ingevolge de AAW is appellante op 14 juni 2000 onderzocht door de verzekeringsarts P.E.J. Verstraelen, die blijkens zijn rapport van 11 juli 2000 zijn bevindingen heeft gebaseerd op eigen onderzoek en informatie van de huisarts. Verstraelen, voornoemd, heeft appellantes belastbaarheid vastgelegd op het formulier 'Functie informatiesysteem va/ad' van 11 juli 2000. De bezwaarverzekeringsarts J. Jonker heeft het oordeel van Verstraelen bevestigd nadat zij kennis had genomen van de door appellante overgelegde rapportages van de externe verzekeringsarts Swerts en medische informatie van de behandelende sector.
Gelet op de beschikbare medische gegevens ziet de Raad geen aanleiding de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. De Raad wijst er op dat de bezwaarverzekeringsarts Swerts, die bekend was met de visie van de door appellante geraadpleegde verzekeringsarts, gemotiveerd heeft aangegeven dat de beperkingen correct zijn vastgesteld. De bezwaarverzekeringsarts C.G. van der Kooij heeft nog gereageerd op de door appellante in hoger beroep overgelegde medische informatie, waarbij gemotiveerd is aangegeven dat het oordeel van de verzekeringsarts stand kan houden.
De Raad overweegt voorts dat de in hoger beroep ingebrachte informatie d.d. 12 mei 2004 geen ander licht werpt op de gezondheidstoestand van appellante op de hier in geding zijnde datum van 31 december 1997.
In het vorengaande ligt besloten dat de Raad zich voldoende voorgelicht acht over de gezondheidssituatie van appellante en de daaruit voortvloeiende arbeidsbeperkingen ten tijde in dit geding van belang, zodat de Raad geen aanleiding ziet om het verzoek van appellante tot het inschakelen van een medisch deskundige te honoreren.
Het hoger beroep treft derhalve geen doel, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2004.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) M.H.A. Uri.