Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ4469

Datum uitspraak2004-07-15
Datum gepubliceerd2004-07-22
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers01/4110 CSV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Winstuitkering; consequent gevoerde en doorlopende boekhouding.


Uitspraak

01/4110 CSV U I T S P R A A K in het geding tussen: [naam v.o.f.], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut werknemersverzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Appellante is bij gemachtigde, E. Hofman AA, werkzaam bij Accountantskantoor Berghoef B.V. te Aalsmeer, op in het beroepschrift (met bijlagen) aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een uitspraak van de rechtbank Haarlem van 5 juni 2001 (nummer AWB 00-8288 ALGEM). Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 december 2003, waar appellante niet is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Bij het bestreden besluit van 15 augustus 2000 heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen een premiecorrectie- en een boetenota terzake van het premiejaar 1995, die betrekking hebben op door [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] (hierna: betrokkenen) genoten winstuitkeringen die niet in dat jaar in de loonadministratie zijn verantwoord, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het namens appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen dat uit de namens appellante overgelegde stukken niet kan worden opgemaakt dat de winstuitkeringen reeds in 1994 door betrokkenen zijn genoten. Bedragen die enkel tegoed zijn geschreven maar waarover de werknemer (nog) niet kan beschikken, kunnen niet als genoten loon worden aangemerkt. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt dat de winstuitkeringen ten onrechte als in 1995 te zijn genoten zijn beschouwd, herhaald. Hiertoe heeft zij betoogd dat de winstuitkeringen, die overigens niet zuiver winstafhankelijk zijn, eind 1994 ten laste van de winst van appellante zijn gebracht en zijn bijgeschreven bij de vordering die betrokkenen (met uitzondering van [betrokkene 3], die voor de eerste maal een winstuitkering kreeg) op appellante hadden, welke vordering ook rentedragend was. De achtergrond van de bijschrijving van de winstuitkeringen is, aldus de gemachtigde van appellante, vermogensvorming door de betrokkenen binnen de vennootschap, met dien verstande dat de hierover verschuldigde inkomstenbelasting van het saldo der vordering kon worden uitbetaald. De in 1995 aan betrokkenen uitbetaalde bedragen ten laste van het saldo der vordering betroffen betalingen voor de door betrokkenen verschuldigde inkomstenbelasting terzake van de op de vordering bijgeschreven winstuitkeringen. De Raad overweegt als volgt. De Raad stelt voorop dat blijkens het looncontrolerapport van 23 maart 2000 van de kant van gedaagde niet de jaarstukken van de vennootschap zijn geraadpleegd terzake van de jaren 1994 en 1995, doch uitsluitend terzake van 1998. Bovendien zijn er ook met het oog op de voorgenomen correctie van het premieloon 1995 geen andere relevante stukken geraadpleegd door de looncontroleur. Dit had naar het oordeel van de Raad wel voor de hand gelegen nu van de kant van appellante van meet af aan de stelling is betrokken dat de onderhavige winstuitkeringen eind 1994 als vordering van betrokkenen op de vennootschap werden geboekt. Reeds in bezwaar heeft de gemachtigde van appellante een onderdeel (bladzijde 6) uit het rapport van gemachtigde, gericht aan appellante, inzake de jaarrekening over het boekjaar 1994 doen toekomen. Hieruit komt naar voren dat de onderhavige winstuitkeringen in ieder geval in 1994 ten laste van de winst van appellante zijn gebracht. Bovendien laat dit onderdeel zien dat de reeds bestaande vordering van [betrokkene 1 en 2]. ([betrokkene 3] had ultimo 1994 voor het eerst een vordering op appellante) rentedragend was. Daarnaast heeft de gemachtigde in bezwaar afschriften van brieven gedateerd 11 september 1995, gericht aan betrokkenen, aan gedaagde gezonden inzake de berekening van hun inkomen 1994 en de hierover te betalen inkomstenbelasting. In deze brieven zijn de onderhavige winstuitkeringen als inkomen over 1994 verantwoord. In beroep heeft de gemachtigde een tweetal bladzijden (6 en 19) uit de jaarrekening van appellante terzake van 1994 overgelegd, waarin steun gevonden kan worden voor appellantes stelling. In hoger beroep, tenslotte zijn van de kant van gemachtigde een aantal bladzijden (11,12 en 19) overgelegd uit de jaarrekening 1994 en 1995 van appellante, opgemaakt door de accountant van appellante. De Raad is van oordeel dat appellante met deze laatste stukken, het toch al op mager feitenonderzoek gestoelde standpunt van gedaagde dat de winstuitkeringen in 1995 zijn genoten, afdoende heeft ontkracht. Deze stukken laten namelijk een beeld zien van een consequent gevoerde en doorlopende boekhouding op het punt van beschikbaarstelling en toedeling van winstuitkering. Bovendien blijkt afdoende dat de vorderingen die uit deze winstuitkeringen voortvloeien rentedragend worden, terwijl bovendien uit het verloop van de saldi valt af te leiden dat betrokkenen over de saldi van hun vordering, de beschikking hebben. De Raad meent op grond van het vorenstaande, dit anders dan de rechtbank, dat appellante er wel in is geslaagd aannemelijk te maken dat de onderhavige winstuitkeringen in 1994 genoten zijn. Dit betekent dat het bestreden besluit en in het voetspoor daarvan de aangevallen uitspraak niet in stand kunnen blijven. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand. Beslist wordt als volgt. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van gedaagde van 15 augustus 2000, alsmede de daaraan ten grondslag liggende primaire besluiten van 22 mei 2000; Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot € 644,--, te voldoen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante; Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante vergoedt het betaalde recht ten bedrage van € 409,--. Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2004. (get.) R.C. Schoemaker (get.) A. Kovács Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Coördinatiewet Soci-ale Verzekering kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen, maar alleen ter zake van schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens een der artikelen 1, vierde tot en met achtste lid, 4 tot en met 8 en de op die artikelen berustende bepalin-gen. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit afschrift der uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift in cassatie aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.