Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ4467

Datum uitspraak2004-05-19
Datum gepubliceerd2004-08-18
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsRotterdam
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 03/24265, e.v.
Statusgepubliceerd


Indicatie

Medische behandeling partner / inherente afwijkingsbevoegdheid. In 2000 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een vtv met als doel verblijf bij echtgenote gedurende haar medische behandeling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het ontbreken van een geldig paspoort in dit geval niet in redelijkheid mogen tegenwerpen, maar had hij in de gestelde feiten aanleiding moeten zien om gebruik te maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid. Niet in geschil is dat de echtgenote voor haar verzorging geheel en al is aangewezen op eiser en dat zij zonder zijn zorg en die van de kinderen niet zal kunnen overleven. Reeds op grond hiervan had verweerder aanleiding moeten zien om af te wijken van hoofdstuk B1/2.2.2 Vc 2000. Daarnaast acht de rechtbank de overweging van verweerder dat eiser zijn gestelde contacten op geen enkele manier heeft onderbouwd feitelijk onjuist. Het dossier bevat bewijzen van aangetekende schrijven en kopieën en vertalingen van brieven. Voorts heeft eiser een circulaire van de Armeense ambassade overgelegd, waaruit blijkt dat het beschikken over een verblijfsstatus voor de Benelux als voorwaarde wordt gesteld voor de afgifte van een paspoort. Verweerder had er niet zonder meer vanuit mogen gaan dat eiser onder de gegeven omstandigheden in het bezit kan komen van een geldig paspoort en had verweerder moeten bezien of zich een situatie ex artikel 3.72 Vb 2000 voordeed. Beroep gegrond.


Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE sector bestuursrecht vreemdelingenkamer, enkelvoudig nevenzittingsplaats Rotterdam UITSPRAAK Reg.nr : AWB 03/24265, 03/24268 en 03/24270 BEPTDN Inzake : A, mede ten behoeve van zijn minderjarige kinderen B en C, eiser, gemachtigde mr. U. Koopmans, advocaat te Haarlem, tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde mr. C.E. Zielstra, ambtenaar ten departemente. PROCESVERLOOP 1. Eiser, geboren op [...] 1960 bezit de Armeense nationaliteit. Hij verblijft sedert 10 juni 1993 als vreemdeling in de zin van de vreemdelingenwetgeving in Nederland. Op diezelfde datum heeft hij een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Verweerder heeft bij besluit van 30 juli 1993 deze aanvraag afgewezen. Dit besluit is op 6 september 1993 aan eiser uitgereikt. Daarbij is aan eiser medegedeeld dat nog aan de hand van de inhoud van een eventueel bezwaarschrift zal worden beslist of hij de behandeling ervan in Nederland mag afwachten. Op 5 oktober 1993 heeft eiser tegen voornoemd besluit een verzoek om herziening ingediend bij verweerder. Voorts heeft eiser bij voorlopige voorziening verzocht dat het aan verweerder wordt verboden maatregelen te nemen om tot verwijdering van eiser over te gaan, totdat in herziening zal zijn beslist. Bij uitspraak van 4 januari 1994 (AWB 93/01188) heeft de president van deze rechtbank, zittingsplaats den Bosch, het verzoek afgewezen. Bij besluit van 24 september 1997 heeft verweerder het door eiser ingediende verzoek om toelating als vluchteling alsmede het verzoek om verlening van een vergunning tot verblijf in herziening afgewezen. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft bij schrijven van 14 januari 1999 eiser uitstel van vertrek verleend. Bij uitspraak van 23 augustus 1999 (AWB 97/10147) van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch is dit beroep ongegrond verklaard. 2. Op 18 augustus 2000 is door gemachtigde van eiser een bezwaarschrift ingediend, gericht tegen het niet tijdig beslissen op de op 12 januari 2000 ingediende aanvraag tot verlening van een vergunning tot verblijf met als doel “verblijf bij echtgenote gedurende haar medische behandeling”. Verweerder heeft bij beschikking van 22 december 2000 voornoemd bezwaarschrift gegrond verklaard, alsmede de aanvraag van 12 januari 2000 niet in gewilligd. Tegen deze beschikking heeft eiser op 8 januari 2001 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft op 13 april 2003 dit bezwaar ongegrond verklaard. 3. Op 22 april 2003 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. 4. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 1 april 2004. Ter zitting is eiser in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. WETTELIJK KADER 1.1. Op 1 april 2001 is in werking getreden de Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet, Stb. 2000, 495 (Vreemdelingenwet 2000, hierna Vw 2000). De Vreemdelingenwet (hierna Vw), Stb. 1965, 40 is per deze datum ingetrokken. Het toepasselijke overgangsrecht brengt in hoofdlijnen mee, dat nu het bestreden besluit is bekendgemaakt na 1 april 2001 het nadien geldende recht van toepassing is. Artikel 118, tweede lid, van de Vw 2000 bepaalt dat op de behandeling van een bezwaarschrift tegen een besluit op grond van de oude Vreemdelingenwet dat bekend is gemaakt voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, het recht, zoals het gold voor dat tijdstip, van toepassing blijft. 1.2. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier, als bedoeld in artikel 14, van de Vw 2000, kan worden afgewezen op de gronden genoemd in artikel 16, eerste lid, van de Vw 2000. Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding. Ingevolge artikel 16, tweede lid, van deVw 2000 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van deze afwijzingsgrond. 1.3. Ingevolge artikel 3:72 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14, niet op grond van artikel 16, eerste lid, onder b, van de Vw 2000 afgewezen, indien de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld. 1.4. Het bepaalde in B1/2.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is eveneens van toepassing. Blijkens B1/2.2.2. van de Vc 2000 geldt als hoofdregel dat ieder vreemdeling in het bezit dient te zijn van een geldig document van grensoverschrijding. Als beleidsregel is geformuleerd dat van de bevoegdheid om een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af te wijzen wegens het ontbreken van een geldig document steeds gebruik zal worden gemaakt, behalve in de gevallen ten aanzien waarvan in het Vreemdelingenbesluit anders is bepaald (artikel 3.72 en 3.83 van het Vb). De vreemdeling die zich erop beroept dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding, toont dat volgens dit hoofdstuk van de Vc 2000, voorzover redelijkerwijs mogelijk, aan. Tevens verschaft hij (op andere wijze) voldoende inzicht in zijn identiteit en nationaliteit. Indien de vreemdeling niet beschikt over een schriftelijke verklaring van de autoriteiten van het land, waaruit blijkt dat hij niet of niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding, en de vreemdeling ook overigens geen genoegzaam bewijs kan leveren, dient de vreemdeling in beginsel naar zijn land van herkomst terug te reizen om daar afgifte van een geldig document voor grensoverschrijding te bewerkstelligen. Van het paspoortvereiste kan volgens hoofdstuk B8/5 van de Vc worden afgeweken ingeval sprake is van een medische noodsituatie. 1.5. In artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is bepaald dat het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN 1. Eiser stelt dat hij in aanmerking komt voor de gevraagde vergunning. In bezwaar voert eiser aan dat niet betwist wordt dat zijn echtgenote en de moeder van de kinderen ernstig ziek is en dat zij voor haar medische behandeling op Nederland is aangewezen. Het beëindigen van haar behandeling zal een acute medische noodsituatie in het leven roepen, hetgeen betekent dat zij alsdan in een situatie zal geraken die ofwel tot haar fysieke dan wel lichamelijke ondergang ofwel tot zeer ernstige geestelijke en/of lichamelijke schade zal leiden. In dit kader wijst eiser erop dat zijn echtgenote – gezien de aard van haar psychiatrische ziekte – geheel en al is aangewezen op de (mantel)zorg door eiser. Zij is extreem passief, spreekt niet en komt al jaren achtereen niet meer buiten haar woning en zal derhalve – indien eiser en de kinderen niet meer bij haar verblijven – noodgedwongen (en tegen haar wens) in een intermurale setting moeten worden opgenomen. Gezien haar psychiatrische voorgeschiedenis bestaat de aanmerkelijke kans dat zij zich in een dergelijke situatie – door versterving – zal suïcideren. Ten aanzien van het verkrijgen van een nationaal paspoort merkt eiser op dat hij nooit in het bezit is geweest van een buitenlands paspoort, doch slechts van een zogenaamd binnenlands paspoort van de (voormalige) Sovjet-Unie. Zijn aanvraag om een paspoort is door de Armeense Ambassade in Brussel naar de autoriteiten in Armenië gestuurd. Uit de overgelegde stukken blijkt dat een aanvraag van een geldig nationaal paspoort door de Armeense Ambassade eerst in behandeling wordt genomen, nadat door de aanvrager is aangetoond dat hij over een verblijfsstatus beschikt. In beroep wijst eiser op een bijgevoegde circulaire van de Armeense Ambassade in Brussel, waarin wordt aangegeven dat overeenkomstig het overheidsbesluit van 23 december 1997 van de Republiek Armenië een aantal vereisten voor het vervangen of verkrijgen van een paspoort gelden, waaronder het bezitten van een verblijfsvergunning voor de Benelux landen. Naar de mening van eiser kunnen zijn inspanningen om bij de ambassade van Armenië paspoorten te verkrijgen niet worden aangemerkt als ‘geen enkele – dan wel slechts een zeer summiere – poging’ om een Armeens paspoort te verkrijgen, zoals door verweerder wordt gesteld. Eiser is van mening dat de beslissing van verweerder om geen gebruik te maken van zijn wettelijke bevoegdheid om ontheffing te verlenen van het paspoortvereiste, niet redelijk is. Eiser stelt zich op het standpunt dat het oordeel van verweerder in verband met de belangenafweging van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) onbegrijpelijk is en daarom ook niet draagkrachtig is gemotiveerd. Eiser beroept zich tenslotte op de hoorplicht van verweerder. 3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde vergunning, nu eiser en zijn kinderen niet beschikken over een paspoort. Voorzover eiser wil betogen dat hij vrijgesteld dient te worden van de verplichting te beschikken over een geldig document van grensoverschrijding, stelt verweerder zich op het standpunt dat hij hier niet in wordt gevolgd. Eiser heeft zijn gestelde contacten met de Armeense ambassade met geen enkel document onderbouwd. Tevens is verweerder niet gebleken van feiten of omstandigheden die zouden kunnen leiden tot een andere beslissing. Ten aanzien van het beroep op artikel 8 EVRM overweegt verweerder dat het belang voor eiser zwaar weegt, doch niet van doorslaggevende betekenis is. III. OVERWEGINGEN 1. De rechtbank overweegt het volgende. Anders dan verweerder betoogt, laten artikel 16 van de Vw 2000 in samenhang met artikel 3.72 van het Vb 2000 voor verweerder de mogelijkheid open om, in een situatie waarin niet wordt voldaan aan het paspoortvereiste, gebruik te maken van zijn bevoegdheid een aanvraag niet op grond hiervan af te wijzen. Blijkens B1/2.2.2 van de Vc 2000 voert verweerder het beleid dat van de bevoegdheid om een aanvraag af te wijzen wegens het ontbreken van een geldig paspoort steeds gebruik zal worden gemaakt, behalve in de gevallen ten aanzien waarvan in het Vreemdelingenbesluit anders is bepaald. De rechtbank acht dit beleid op zich niet onredelijk. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het ontbreken van een geldig paspoort in dit geval niet in redelijkheid mogen tegenwerpen, doch had hij in het bijzondere samenstel aan feiten aanleiding moeten zien om gebruik te maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid. De rechtbank acht hierbij in het bijzonder van belang dat bij besluit van 22 december 2000 aan de echtgenote van eiser een vergunning is verleend onder de beperking “medische behandeling”, waarbij verweerder wel aanleiding heeft gezien om vrijstelling te verlenen van het paspoortvereiste. Deze vergunning is verleend nadat geconstateerd is dat de echtgenote van eiser ernstig ziek is en zij voor haar medische behandeling op Nederland is aangewezen. Tussen partijen is niet in geschil dat de echtgenote voor haar verzorging geheel en al is aangewezen op eiser en dat zij zonder zijn zorg en die van de kinderen niet zal kunnen overleven. Reeds op grond hiervan had verweerder aanleiding moeten zien om af te wijken van het in B1/2.2.2 van de Vc 2000 neergelegde beleid. Daarnaast acht de rechtbank de overweging van verweerder dat eiser zijn gestelde contacten op geen enkele manier heeft onderbouwd feitelijk onjuist. In het dossier zitten bewijzen van aangetekende schrijven en kopieën en vertalingen van brieven van 15 januari 2001 en 19 februari 2001 van eiser aan de Armeense ambassade in Brussel met het verzoek om hem in het bezit te stellen van een legitimatiebewijs. Voorts heeft eiser een circulaire van de Armeense Ambassade overgelegd, waaruit blijkt dat het beschikken over een verblijfsstatus voor de Benelux als voorwaarde wordt gesteld voor de afgifte van een paspoort. 2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting leidt de rechtbank af dat verweerder op de hoogte moet zijn geweest van het Armeense ambassadebeleid ten aanzien van het verlenen van grensoverschrijdende documenten. Naar verweerder heeft bevestigd is het geen onbekend verschijnsel dat een aanvraag van een nationaal paspoort eerst door een ambassade in behandeling wordt genomen, nadat door de aanvrager is aangetoond dat door de immigratieautoriteiten een verblijfsstatus is verleend. Gelet hierop had verweerder er niet zonder meer vanuit mogen gaan dat eiser onder de gegeven omstandigheden in het bezit kan komen van een geldig paspoort en had verweerder moeten bezien of zich een situatie als bedoeld in artikel 3.72 van het Vb 2000 voordeed. 3. Voorts ziet de rechtbank aanleiding om in te gaan op de grief dat eiser niet op het bezwaarschrift is gehoord. De vraag of in bezwaar al dan niet een hoorplicht bestaat wordt beheerst door het bepaalde in hoofdstuk 7 van de Awb. Uitgangspunt is dat er een hoorplicht bestaat, tenzij een van de uitzonderingen van artikel 7:3 van de Awb zich voordoet. Er is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. De rechtbank is, gelet op hetgeen eiser in bezwaar heeft gesteld en heeft overgelegd, van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar en dat deswege van het horen kon worden afgezien. 4. Op grond van het vorengaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met artikelen 3:46, 3:2 en 7:2 van de Awb. De overige geschilpunten behoeven gelet op het voorgaande geen bespreking. Verweerder zal, na het horen van eiser en een volledige heroverweging, een nieuw besluit dienen te nemen. De in bezwaar aangedragen gronden en omstandigheden kunnen ook in het kader van de verzorging van de echtgenote alsmede van artikel 8 EVRM relevant zijn. 5. De rechtbank acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:72, vijfde lid van de Awb een voorlopige voorziening te treffen als hieronder is aangegeven. 6. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op euro 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van euro 322,- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling aan de griffier te geschieden. III. BESLISSING De rechtbank 's-Gravenhage, RECHT DOENDE: 1. verklaart het beroep gegrond; 2. vernietigt het bestreden besluit; 3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar neemt, binnen een termijn van 6 weken na heden; 4. treft de voorlopige voorziening dat de uitzetting van eiser achterwege dient te blijven tot en met vier weken na de bekendmaking van verweerders nieuwe beslissing op bezwaar; 5. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie) als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen; 6. gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door eisers betaalde griffierecht ad € 109 vergoedt. Aldus gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2004, in tegenwoordigheid van mr. M. Kelder, griffier. IV. RECHTSMIDDEL Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. afschrift verzonden op: 2 juni 2004