Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ4465

Datum uitspraak2004-07-21
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers09-004045/03
Statusgepubliceerd


Indicatie

[...] veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren; [...] Verdachte heeft samen met zijn medeverdachten een grote hoeveelheid cocaïne (ongeveer 446 kilo) in Nederland gebracht. Verdachte is speciaal met het oog op deze levering naar Nederland gekomen en heeft een belangrijke en onmisbare rol gespeeld door, zoals hiervoor in de bewijsoverweging is overwogen, als controleur op te treden. Verdachte heeft daarbij kennelijk slechts oog gehad voor zijn eigen financieel gewin. [...]


Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE SECTOR STRAFRECHT MEERVOUDIGE KAMER (VERKORT VONNIS) parketnummer 09-004045/03 's-Gravenhage, 21 juli 2004 De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: F.L S. P., geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Colombia), wonende te [adres], thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rijnmond, Huis van Bewaring De Schie te Rotterdam. De terechtzitting. Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 9, 10 en 12 maart 2004, alsmede 5 en 7 juli 2004. De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr Scholtes, advocaat te 's-Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord. De officier van justitie mr De Vries heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding primair telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De telastlegging. Aan de verdachte is telastgelegd - na nadere omschrijving van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering nadere omschrijving telastlegging, gemerkt A1. De bewijsmiddelen. P.M. Verweren. De rechtbank overweegt ten aanzien van het verdachte primair telastgelegde feit als volgt. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het uit het zogenaamde Fluxx-onderzoek verkregen bewijs dient te worden uitgesloten, nu de rechtmatigheid van de verkrijging van de startinformatie van dit onderzoek onvoldoende toetsbaar is. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daarbij als volgt. De raadsvrouw heeft zich bij haar verweer beroepen op het arrest van de Hoge Raad (NJ2000/214). Aangezien geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die de officier van justitie aanleiding zouden hebben moeten geven tot twijfel omtrent de rechtmatige verkrijging van bedoelde startinformatie, behelst de inhoud van dit arrest reeds de weerlegging van het door de raadsvrouw gevoerde verweer. De raadsvrouw heeft voorts aangevoerd dat de door F.A. S. G. als verdachte afgelegde verklaring dient te worden uitgesloten nu deze verklaring niet via een officieel rechtshulpverzoek aan de Colombiaanse autoriteiten is verkregen. De rechtbank verwerpt dit verweer. Zij vermag niet in te zien waarom de wijze waarop de verklaring is verkregen er aan in de weg zou staan acht te slaan op de inhoud daarvan. De raadsvrouw heeft tenslotte aangevoerd dat de door verdachte tegenover de politie afgelegde verklaringen dienen te worden uitgesloten nu verdachte deze verklaringen onder zware druk heeft afgelegd. De rechtbank verwerpt ook dit verweer. De raadsvrouw heeft nagelaten feiten of omstandigheden aan te voeren waaruit zou blijken dat de verhorende politieambtenaren zware, laat staan ontoelaatbare druk op haar cliënt hebben uitgeoefend. De rechtbank is ambtshalve niet van ongeoorloofde en/of ontoelaatbare druk gebleken. Bewijsoverweging. Verdachte is naar Nederland gekomen om op te treden als controleur bij de aankomst van een partij cocaïne in Nederland. Hij heeft daartoe contact gehad met zowel de leverancier als de afnemer en daarmee aan zijn taak als controleur reeds uitvoering gegeven. Het feit dat de cocaïne - die wel in Nederland is aangekomen maar vervolgens is inbeslaggenomen - niet daadwerkelijk bij de afnemer is terechtgekomen en verdachte niet aan het feitelijke doel waarvoor hij in Nederland was, is toegekomen, doet daaraan niet af. De functie en rol van verdachte als controleur was - hoewel verdachte wellicht als persoon vervangbaar was - onmisbaar en dermate essentieel dat van medeplegen van het feit door verdachte moet worden gesproken. De bewezenverklaring. Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte het op de dagvaarding primair telastgelegde feit heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte. Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar. De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden. Strafmotivering. Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft samen met zijn medeverdachten een grote hoeveelheid cocaïne (ongeveer 446 kilo) in Nederland gebracht. Verdachte is speciaal met het oog op deze levering naar Nederland gekomen en heeft een belangrijke en onmisbare rol gespeeld door, zoals hiervoor in de bewijsoverweging is overwogen, als controleur op te treden. Verdachte heeft daarbij kennelijk slechts oog gehad voor zijn eigen financieel gewin. De rechtbank rekent dit verdachte zeer ernstig aan. Cocaïne is een stof waarvan niet alleen het gebruik schadelijk is voor de volksgezondheid, maar welke ook direct en indirect oorzaak is van vele vormen van criminaliteit. Het binnen het grondgebied van Nederland brengen van een dergelijke stof dient dan ook streng te worden bestraft. Verdachte is, blijkens een op zijn naam staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister, in Nederland niet eerder met justitie in aanraking geweest. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. De toepasselijke wetsartikelen. De op te leggen straf is gegrond op de artikelen: - 47 van het Wetboek van Strafrecht; - 2 en 10 van de Opiumwet en de daarbij behorende lijst I. Beslissing. De rechtbank, verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding primair telastgelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt: ten aanzien van primair: MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 2, ONDER A, VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD; verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar; veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren; bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; in verzekering gesteld op : 24 juni 2003, in voorlopige hechtenis gesteld op : 26 juni 2003; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door mrs Elkerbout, voorzitter, Joele en Van den Boom, rechters, in tegenwoordigheid van Rietbroek, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 juli 2004.