
Jurisprudentie
AQ4430
Datum uitspraak2004-07-21
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers09-754081/02
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers09-754081/02
Statusgepubliceerd
Indicatie
Gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren. [.....]Verdachte heeft zich binnen een periode van bijna een jaar intensief en op grote schaal, samen met anderen, beziggehouden met de invoer van zeer grote hoeveelheden (446 en 3065 kilo) cocaïne. Verdachte maakte daarbij gebruik van het bedrijf waarin hij werkzaam was en van bedrijven van zijn medeverdachten, waarbij te importeren fruit als dekmantel voor de invoer van de cocaïne fungeerde.
Verdachte heeft in dat kader deel uitgemaakt van een criminele organisatie die zich met voornoemde activiteiten, alsmede de uitvoer van XTC-pillen bezighield. Verdachte regelde namens de leider van de organisatie veelal de ‘dagelijkse gang van zaken’, nam, bij diens afwezigheid, de leider van de organisatie waar en had veelvuldig contacten met medeverdachten (waaronder leveranciers en afnemers).
De rechtbank rekent dit verdachte zeer ernstig aan. [....]
Uitspraak
RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
SECTOR STRAFRECHT
MEERVOUDIGE KAMER
(VERKORT VONNIS)
parketnummer 09-754081/02
's-Gravenhage, 21 juli 2004
De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[K.M.],
geboren [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende te [adres]
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haaglanden, Huis van Bewaring Zoetermeer, te Zoetermeer.
De terechtzitting.
Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 8, 9 en 11 maart 2004, almede 6 en 7 juli 2004.
De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr Rijser, advocaat te Amsterdam, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.
De officier van justitie mr De Vries heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder 5 primair, 5 subsidiair, 6 primair, 6 subsidiair, 6 meer subsidair en 7 telastgelegde wordt vrijgesproken en dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder 1 primair, 2, 3 primair en 4 primair telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
De rechtbank merkt hierbij op dat de vermelding op blz 36 van de schriftelijke aantekeningen requisitoir voorzover inhoudende dat de officier van justitie tot bewezenverklaring van feit 6 concludeert, in het licht van hetgeen de officier van justitie daarvoor hierover heeft aangevoerd (zie blz 32 en 33) een kennelijke misslag is. Ook de vermelding van feit 6 als een bewezenverklaard feit op de schriftelijke vordering ter terechtzitting is om die reden een vergissing.
Deze vordering bevat nog een misslag. De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren, niet de op de vordering vermelde vermelde 7 jaren.
De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat ten aanzien van de blijkens de lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen - hierna te noemen beslaglijst, waarvan een fotokopie, gemerkt C, aan dit vonnis is gehecht – onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen als volgt zal worden gehandeld:
verbeurdverklaring van de voorwerpen genummerd 1, 3 en 4;
teruggave aan verdachte van de voorwerpen genummerd 2 en 5 t/m 13.
De officier van justitie heeft medegedeeld dat zij voornemens is te gelegener tijd een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken, alsmede dat met het oog op deze voorgenomen ontnemingsvordering tegen verdachte een strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in artikel 126 van het Wetboek van Strafvordering is ingesteld.
De telastlegging.
Aan de verdachte is telastgelegd - na nadere omschrijving van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering nadere omschrijving telastlegging, gemerkt A1.
Verweer nietigheid dagvaarding ten aanzien van het onder 2 telastgelegde feit.
De raadsman heeft gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 2 telastgelegde feit (lidmaatschap van een criminele organisatie) nietig moet worden verklaard, nu, zo er al sprake is van een criminele organisatie, er feitelijk twee organisaties zijn te onderscheiden (één met als oogmerk invoer van cocaïne en één met als oogmerk uitvoer van synthetische drugs) en uit de (omschrijving in de) telastlegging niet blijkt van welk van die twee organisaties verdachte deel zou hebben uitgemaakt.
De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.
Een criminele organisatie kent een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband tussen twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad. Van feitelijkheden als de structuur, de leden, hun rol en de activiteiten van de organisatie dient uit de bewijsmiddelen te blijken. In de betreffende telastlegging evenwel dient het oogmerk (het plegen van misdrijven) slechts in zoverre te worden omschreven dat duidelijk is met het plegen van welk soort misdrijven de organisatie zich inlaat. In onderhavige telastlegging is vermeld dat de organisatie zich bezighield met onder andere invoer van cocaïne en uitvoer van MDMA, zodat deze omschrijving aan de daaraan gestelde eisen voldoet.
Overigens wordt opgemerkt dat de verdachte ter terechtzitting er op geen enkel moment blijk van heeft gegeven niet te begrijpen hetgeen hem werd verweten.
Overweging ten aanzien van het onder 4 telastgelegde feit.
De rechtbank leidt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting af dat verdachte samen met de medeverdachte [P.L.F.T.] de compressor heeft vervoerd naar Schiphol en aldaar ter uitvoer naar de Verenigde Staten heeft aangeboden en dat hij op dat moment wist dat zich daarin XTC-pillen bevonden. Overige handelingen of overige betrokkenheid van verdachte bij dit feit vóór het moment van vervoer naar Schiphol zijn niet komen vast te staan. De handelingen van verdachte welke de rechtbank wel bewezen acht zijn slechts als, niet telastgelegde, medeplichtigheidshandelingen te kwalificeren, zodat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken.
Vrijspraak.
De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding onder 4 primair, 4 subsidiair, 5 primair, 5 subsidiair, 6 primair, 6 subsidiair, 6 meer subsidiair en 7 is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.
De bewijsmiddelen.
P.M.
De bewezenverklaring.
Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de op de dagvaarding 1 primair, 2 en 3 primair telastgelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.
De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.
Strafmotivering.
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich binnen een periode van bijna een jaar intensief en op grote schaal, samen met anderen, beziggehouden met de invoer van zeer grote hoeveelheden (446 en 3065 kilo) cocaïne. Verdachte maakte daarbij gebruik van het bedrijf waarin hij werkzaam was en van bedrijven van zijn medeverdachten, waarbij te importeren fruit als dekmantel voor de invoer van de cocaïne fungeerde.
Verdachte heeft in dat kader deel uitgemaakt van een criminele organisatie die zich met voornoemde activiteiten, alsmede de uitvoer van XTC-pillen bezighield. Verdachte regelde namens de leider van de organisatie veelal de ‘dagelijkse gang van zaken’, nam, bij diens afwezigheid, de leider van de organisatie waar en had veelvuldig contacten met medeverdachten (waaronder leveranciers en afnemers).
De rechtbank rekent dit verdachte zeer ernstig aan.
Cocaïne en XTC-pillen zijn niet alleen schadelijk voor de volksgezondheid, maar zijn ook direct en indirect oorzaak van vele vormen van criminaliteit. Handelingen die tot doel hebben deze stoffen in omloop te brengen en/of uit te voeren dienen dan ook streng te worden bestraft.
Verdachte is blijkens een op zijn naam staand Uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister niet eerder wegens overtreding van de Opiumwet veroordeeld.
Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
Inbeslaggenomen voorwerpen.
De rechtbank zal de blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 1, 3 en 4 (6 telefoontoestellen en 2 laders) verbeurdverklaren, zijnde deze voorwerpen voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien met behulp van deze aan verdachte toebehorende voorwerpen de bewezenverklaarde feiten zijn begaan of voorbereid;
De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 2 en 5 t/m 13.
De toepasselijke wetsartikelen.
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 33, 33a, 47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2 (oud), 2, 10 (oud) en 10 van de Opiumwet en de daarbij behorende lijst I.
Beslissing.
De rechtbank,
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding onder 4 primair, 4 subsidiair, 5 primair, 5 subsidiair, 6 primair, 6 subsidiair, 6 meer subsidiair en 7 telastgelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 primair, 2 en 3 primair telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1 primair:
MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 2, ONDER A, VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD;
ten aanzien van feit 2:
DEELNEMING AAN EEN ORGANISATIE DIE TOT OOGMERK HEEFT HET PLEGEN VAN MISDRIJVEN;
ten aanzien van feit 3 primair:
MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 2, EERSTE LID, ONDER A, VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren;
bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
in verzekering gesteld op : 24 juni 2003,
in voorlopige hechtenis gesteld op : 26 juni 2003;
verklaart verbeurd de blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 1, 3 en 4 (6 telefoontoestellen en 2 laders);
gelast de teruggave aan verdachte van de blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 2 en 5 t/m 13;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door
mrs Elkerbout, voorzitter,
Joele en Van den Boom, rechters,
in tegenwoordigheid van Rietbroek, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 juli 2004.