
Jurisprudentie
AQ4425
Datum uitspraak2004-07-21
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers09-754080/02
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers09-754080/02
Statusgepubliceerd
Indicatie
[...] veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren; [...]
Verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer anderhalf jaar intensief en op grote schaal, samen met anderen, beziggehouden met de invoer van zeer grote hoeveelheden (446 respectievelijk 3065 en 361 kilo) cocaïne, alsmede voorbereidingshandelingen voor andere cocaïnetransporten (eveneens gericht op invoer). Verdachte maakte daarbij gebruik van zijn bedrijf en bedrijven van zijn medeverdachten, waarbij te importeren fruit als dekmantel voor de invoer van de cocaïne fungeerde. De handelingen van verdachte waren er - ook nadat hoeveelheden cocaïne in beslag waren genomen - op gericht met een regelmatige frequentie cocaïne in te voeren. Verdachte trachtte daartoe telkenmale 'invoerlijnen' op te zetten.
Verdachte hield zich in voornoemde periode bovendien bezig met de uitvoer van XTC-pillen naar het buitenland. [...]
Uitspraak
RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
SECTOR STRAFRECHT
MEERVOUDIGE KAMER
(VERKORT VONNIS)
parketnummer 09-754080/02
's-Gravenhage, 21 juli 2004
De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
C.H. J.,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende te [adres],
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rijnmond, locatie Noordsingel, huis van bewaring, te Rotterdam.
De terechtzitting.
Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 8, 9 en 11 maart 2004, alsmede 6 en 7 juli 2004.
De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr De Kock, advocaat te Zwolle, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.
Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.
De officier van justitie mr De Vries heeft gevorderd dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder 9 telastgelegde wordt vrijgesproken en dat verdachte terzake van het hem bij dagvaarding onder 1 primair, 2, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 primair, 7 primair en 8 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat ten aanzien van de blijkens de lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen - hierna te noemen beslaglijst, waarvan een fotokopie, gemerkt C, aan dit vonnis is gehecht - onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen als volgt zal worden gehandeld:
verbeurdverklaring van de voorwerpen genummerd 4, 5 en 30 t/m 32;
onttrekking aan het verkeer van de voorwerpen genummerd 1, 2 en 27 t/m 29;
teruggave aan verdachte van de voorwerpen genummerd 3, 6 t/m 26B, 33 t/m 36 en 38 t/m 51;
bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het voorwerp genummerd 37 (paspoort Y.E. A.).
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij.
De officier van justitie heeft medegedeeld dat zij voornemens is te gelegener tijd een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken, alsmede dat met het oog op deze voorgenomen ontnemingsvordering tegen verdachte een strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in artikel 126 van het Wetboek van Strafvordering is ingesteld.
De telastlegging.
Aan de verdachte is telastgelegd - na nadere omschrijving van de telastlegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering nadere omschrijving telastlegging, gemerkt A1.
Vrijspraak.
De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding onder 7 primair en 9 is telastgelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.
De bewijsmiddelen.
P.M.
De bewezenverklaring.
Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de op de dagvaarding onder 1 primair, 2, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 primair, 7 subsidiair en 8 telastgelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.
Overweging ten aanzien van het onder 4 telastgelegde feit.
Verdachte en diens raadsman hebben ter terechtzitting aangevoerd dat onderhavige pallets weliswaar voor het bedrijf van verdachte bestemd waren, doch dat verdachte niet wist dat zich in die pallets cocaïne bevond, zodat hij van dit feit dient te worden vrijgesproken.
De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank acht de verklaring van verdachte op dit punt niet geloofwaardig, nu er van dient te worden uitgegaan dat degene die de cocaïne exporteert, zicht wenst te hebben en houden op deze cocaïne omdat hij anders de lading kwijtraakt. Bovendien betreft het hier cocaïne, welke verstopt was in pallets waarop partijen sinaasappels werden vervoerd en zijn deze ladingen op verschillende data vanuit Colombia verscheept. Afzender was steeds [bedrijf van F.S. G.] in Santa Marta, Colombia, het bedrijf van F.S. G., geadresseerde was steeds [bedrijf van verdachte], het bedrijf van verdachte. Deze F.S. G. en verdachte kennen elkaar al jaren en verdachte vertelt op 22 mei 2003 aan medeverdachte P.L.F. T. dat deze "F.S. G.. al 30 jaar in de drugs zit" en dat "we er al zo lang in zitten". De rechtbank acht het op grond van dit een en ander dan ook volstrekt onaannemelijk dat de pallets bij toeval of per vergissing aan het bedrijf van verdachte zijn gezonden en dat verdachte er niet van op de hoogte was dat zich in de pallets cocaïne bevond.
Overweging ten aanzien van het onder 7 telastgelegde feit.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de vrijspraak van het onder 7 primair telastgelegde feit als volgt.
Uit zich in het dossier bevindende tapgesprekken d.d. 1 maart 2003 blijkt dat verdachte 3000 pillen heeft besteld bij de medeverdachte R.C. S. en dat de pillen zijn bestemd voor zijn vriendin J. in Venezuela. R.C. S. heeft tegenover de politie verklaard de pillen vervolgens aan verdachte te hebben geleverd. Verdachte heeft verklaard na terugkomst in Nederland geld voor de pillen aan R.C. S. te hebben overhandigd. Bij doorzoeking van het bedrijfspand van verdachte op 23 juni 2003 zijn 3 postpakketten inhoudende 3544 XTC-pillen aangetroffen. Deze postpakketten waren geadresseerd aan [bedrijf] in Venezuela. Dit alles duidt op het voornemen van verdachte en zijn mededader(s) deze pillen uit te voeren naar Venezuela. Niet gezegd kan echter worden dat verdachte en zijn mededader(s) daarmee dit voorgenomen misdrijf een begin van uitvoering hebben gegeven. De rechtbank zal verdachte derhalve van de onder 7 primair telastgelegde poging tot uitvoer van deze pillen vrijspreken.
De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en zijn mededader(s) zich hebben schuldig gemaakt aan het voorbereiden van deze uitvoer. Zij merkt daarbij op dat voornoemde tapgesprekken vóór de telastgelegde periode hebben plaatsgevonden, zodat vrijspraak volgt ten aanzien van de onderdelen van het subsidiair telastgelegde welke daarop betrekking hebben.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.
De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.
Strafmotivering.
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer anderhalf jaar intensief en op grote schaal, samen met anderen, beziggehouden met de invoer van zeer grote hoeveelheden (446 respectievelijk 3065 en 361 kilo) cocaïne, alsmede voorbereidingshandelingen voor andere cocaïnetransporten (eveneens gericht op invoer). Verdachte maakte daarbij gebruik van zijn bedrijf en bedrijven van zijn medeverdachten, waarbij te importeren fruit als dekmantel voor de invoer van de cocaïne fungeerde. De handelingen van verdachte waren er - ook nadat hoeveelheden cocaïne in beslag waren genomen - op gericht met een regelmatige frequentie cocaïne in te voeren. Verdachte trachtte daartoe telkenmale 'invoerlijnen' op te zetten.
Verdachte hield zich in voornoemde periode bovendien bezig met de uitvoer van XTC-pillen naar het buitenland.
Verdachte heeft in dat kader deel uitgemaakt van een criminele organisatie die zich met voornoemde activiteiten bezighield. Verdachte was de onbetwiste leider van deze organisatie. Hij was de persoon die geld investeerde, (beslissende) contacten onderhield met de leverancier(s) en afnemer(s), aan wie medeverdachten verantwoording moesten afleggen en die op cruciale momenten een beslissende stem had in de verboden activiteiten.
Verdachte was ook degene die in ieder geval enkele van zijn medeverdachten in zijn criminele activiteiten heeft meegesleept danwel hierin dieper verstrikt heeft doen raken. Het is maar een detail in het dossier, maar tekenend voor de houding van verdachte tegenover anderen is dat hij als afzender van een partij XTC-pillen die hij naar het buitenland wilde versturen de naam van een willekeurig gekozen klant van zijn bedrijf gebruikte, waardoor in geval van onderschepping van deze partij de verdenking op die klant zou komen te vallen.
Verdachte heeft bij dit alles uitsluitend oog gehad voor zijn eigen financieel gewin.
Cocaïne en XTC-pillen zijn niet alleen schadelijk voor de volksgezondheid, maar zijn ook direct en indirect oorzaak van vele vormen van criminaliteit. Handelingen die tot doel hebben deze stoffen in omloop te brengen en/of uit te voeren dienen dan ook streng te worden bestraft.
Verdachte is in de Verenigde Staten veroordeeld terzake (voorbereiding op) de handel in verdovende middelen. Hij heeft daarvoor een langdurige gevangenisstraf ondergaan. Dit heeft hem er echter kennelijk niet van weerhouden zich in te laten met zowel de invoer als de uitvoer van verdovende middelen, en dan nog wel in een leidende rol en op zeer grote schaal.
De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het voorlichtingsrapport d.d. 23 december 2003 betreffende verdachte.
Dit alles in aanmerking genomen acht de rechtbank een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
Inbeslaggenomen voorwerpen.
De rechtbank zal de blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 4, 5, 31 en 32 (4 telefoontoestellen) verbeurdverklaren, zijnde deze voorwerpen voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien met behulp van deze aan verdachte toebehorende voorwerpen de bewezenverklaarde feiten zijn begaan of voorbereid;
De rechtbank zal de blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 1, en 27 t/m 29 (3 postpakketjes naar Venezuela) onttrekken aan het verkeer, zijnde deze voorwerpen voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met betrekking tot en/of met behulp van deze voorwerpen het onder 7 subsidiair bewezenverklaarde feit is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.
De rechtbank gaat er daarbij van uit dat het hierbij, anders dan uit de beslaglijst zou kunnen worden afgeleid, in totaal om 3 postpakketjes gaat.
De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 2, 3, 6 t/m 26B, 30, 33 t/m 36 en 38 t/m 51.
Onvoldoende duidelijk is geworden aan wie het blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp genummerd 37, te weten een paspoort op naam van Y.E. A., in eigendom toebehoort. De rechtbank zal, nu geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt, de bewaring van dit voorwerp ten behoeve van de rechthebbende gelasten.
De vordering van de benadeelde partij.
[benadeelde partij], gevestigd te [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 100.000,-.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding.
De toepasselijke wetsartikelen.
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2 (oud), 2, 10 (oud), 10 en 10a van de Opiumwet en de daarbij behorende lijst I.
Beslissing.
De rechtbank,
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 7 primair en 9 telastgelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 primair, 2, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 primair, 7 subsidiair en 8 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1 primair:
MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 2, ONDER A, VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD;
ten aanzien van feit 2:
DEELNEMING AAN EEN ORGANISATIE DIE TOT OOGMERK HEEFT HET PLEGEN VAN MISDRIJVEN;
ten aanzien van feit 3 primair:
MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 2, EERSTE LID, ONDER A, VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD;
ten aanzien van feit 4 primair:
MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 2, EERSTE LID, ONDER A, VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD, MEERMALEN GEPLEEGD;
ten aanzien van feit 5 primair:
MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 2, EERSTE LID, ONDER A, VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD;
ten aanzien van feit 6 primair:
MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET EEN IN ARTIKEL 2, EERSTE LID, ONDER A, VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD;
ten aanzien van feit 7 subsidiair:
MEDEPLEGEN VAN EEN FEIT, BEDOELD IN HET VIERDE LID VAN ARTIKEL 10 VAN DE OPIUMWET, VOORBEREIDEN DOOR VOORWERPEN EN STOFFEN VOORHANDEN TE HEBBEN WAARVAN HIJ WEET DAT ZIJ BESTEMD ZIJN TOT HET PLEGEN VAN DAT FEIT;
ten aanzien van feit 8:
MEDEPLEGEN VAN EEN FEIT, BEDOELD IN HET VIERDE LID VAN ARTIKEL 10 VAN DE OPIUMWET, VOORBEREIDEN DOOR ZICH GELEGENHEID, MIDDELEN OF INLICHTINGEN TOT HET PLEGEN VAN DAT FEIT TRACHTEN TE VERSCHAFFEN;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren;
bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
in verzekering gesteld op : 24 juni 2003,
in voorlopige hechtenis gesteld op : 26 juni 2003;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart verbeurd de blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 4, 5, 31 en 32 (4 telefoontoestellen);
verklaart onttrokken aan het verkeer de blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 1, en 27 t/m 29 (3 postpakketjes naar Venezuela);
gelast de teruggave aan verdachte van de blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 2, 3, 6 t/m 26B, 30, 33 t/m 36 en 38 t/m 51;
gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp, genummerd 37 (een paspoort op naam van Y.E. A.);
bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij ], gevestigd te [adres], niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat deze haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
Dit vonnis is gewezen door
mrs Elkerbout, voorzitter,
Joele en Van den Boom, rechters,
in tegenwoordigheid van Rietbroek, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 juli 2004.