
Jurisprudentie
AQ4390
Datum uitspraak2004-07-21
Datum gepubliceerd2004-07-22
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Middelburg
Zaaknummers12/005801-04
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-22
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Middelburg
Zaaknummers12/005801-04
Statusgepubliceerd
Indicatie
Verdachte heeft van een kennis een noodseinpijl bestemd voor gebruik op zee gekocht. Hij kocht deze pijl met het doel om die in de nieuwjaarsnacht af te steken. Verdachte vierde oud en nieuw bij zijn ouders in Middelburg. Verdachte is met de lichtkogel naar buiten gegaan en na het lezen van de gebruiksaanwijzing van de lichtkogel heeft hij de lichtkogel afgestoken. Hij bevond zich op dat moment in een woonwijk waar zich zowel laag- als hoogbouw bevindt. De lichtkogel is vervolgens een meter of 2 à 3 recht omhoog gegaan, waarna deze plotseling afboog en in horizontale richting zijn weg heeft vervolgd. De lichtkogel heeft zich daarna door een raam van de flatwoning van (naam slachtoffer) geboord. Vervolgens is er brand ontstaan in de flat, waarbij het slachtoffer, die in haar woning in een stoel zat, dusdanige brandwonden heeft opgelopen, dat zij twee weken later aan de gevolgen van die verwondingen is overleden.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDELBURG
Sector strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer:
Datum uitspraak: 21 juli 2004
Tegenspraak
V O N N I S
van de rechtbank Middelburg, meervoudige kamer voor strafzaken, in de strafzaak tegen:
(naam verdachte),
geboren op (geboortedatum en – plaats),
wonende (adres en woonplaats).
Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting verschenen mr. H. Mink, advocaat te Oost-Souburg.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
8 juli 2004.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.S. Flikweert en van hetgeen door en/of namens de verdachte naar voren is gebracht.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging luidt als volgt.
Aan verdachte wordt tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 1 januari 2004 te Middelburg grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig -in een uit dichte bebouwing en/of (deels) uit hoogbouw bestaande woonwijk- een noodseinmiddel, bestemd voor gebruik (op open zee) in de scheepvaart, te weten een lichtkogel, met een (zeer) grote kracht in verticale richting heeft weggeschoten en/of welke lichtkogel (vervolgens) van baan is veranderd en met grote snelheid zijn weg in horizontale richting heeft vervolgd in de richting van (een raam van) de flatwoning, gelegen aan de (adres) en/of welke lichtkogel zich (daarna) met grote kracht door een ruit van dat raam van die flatwoning, in welke flatwoning (direct achter dat raam) zich het slachtoffer bevond, heeft geboord, waardoor het aan zijn, verdachtes, schuld te wijten is geweest dat die (naam slachtoffer) zodanig letsel, te weten inhalatieletsel en/of uitgebreide en/of ernstige brandwonden, heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden;
art 307 Wetboek van Strafrecht
en voor zover terzake het onder 1 telastgelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, terzake dat
hij op of omstreeks 1 januari 2004 te Middelburg, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam -in een uit dichte bebouwing, en/of (deels) uit hoogbouw bestaande woonwijk- een noodseinmiddel, bestemd voor gebruik (op open zee) in de scheepvaart, te weten een lichtkogel, met een (zeer) grote kracht in verticale richting heeft weggeschoten, en/of welke lichtkogel (vervolgens) van baan is veranderd en met grote snelheid zijn weg in horizontale richting heeft vervolgd in de richting van (een raam van) de flatwoning, gelegen aan de (adres), en/of welke lichtkogel zich (daarna) met grote kracht door een ruit van dat raam van die flatwoning, in welke flatwoning (direct achter dat raam) zich het slachtoffer bevond, heeft geboord, waardoor het aan zijn, verdachtes, schuld te wijten is geweest dat in die flatwoning een ontploffing, althans brand is ontstaan, ten gevolge waarvan die (naam slachtoffer) is overleden;
art 158 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht
art 158 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
art 158 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht
Bewijsoverweging
Verdachte heeft van een kennis een noodseinpijl bestemd voor gebruik op zee gekocht. Hij kocht deze pijl met het doel om die in de nieuwjaarsnacht af te steken. Verdachte vierde oud en nieuw bij zijn ouders in Middelburg. Verdachte is met de lichtkogel naar buiten gegaan en na het lezen van de gebruiksaanwijzing van de lichtkogel heeft hij de lichtkogel afgestoken. Hij bevond zich op dat moment in een woonwijk waar zich zowel laag- als hoogbouw bevindt. De lichtkogel is vervolgens een meter of 2 à 3 recht omhoog gegaan, waarna deze plotseling afboog en in horizontale richting zijn weg heeft vervolgd. De lichtkogel heeft zich daarna door een raam van de flatwoning van (naam slachtoffer) geboord. Vervolgens is er brand ontstaan in de flat, waarbij het slachtoffer, die in haar woning in een stoel zat, dusdanige brandwonden heeft opgelopen, dat zij twee weken later aan de gevolgen van die verwondingen is overleden.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte door het afsteken van de noodseinpijl binnen de bebouwde kom aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld. De rechtbank overweegt daarbij dat verdachte wist dat de pijl, die hij had aangeschaft, bestemd was voor gebruik op open zee en dat het verboden was een dergelijke pijl op het land af te steken. Voorts heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij nog nooit eerder zo’n lichtkogel had afgestoken.
Wel wist hij dat de noodseinpijl bestemd was voor gebruik op open zee en daarom had hij moeten begrijpen dat deze voorzien moest zijn van een krachtige ontsteking. Een lichtkogel hoort immers honderden meters omhoog te gaan, zodat de lichtkogel van veraf is te zien. Als met een dergelijke pijl iets misgaat, zoals ook in deze zaak lijkt te zijn gebeurd, dan zijn de gevolgen groter dan bij het afsteken van regulier vuurwerk. Door een dergelijke pijl in een woonwijk af te steken en door niet stil te staan bij de mogelijke risico’s van het gebruik van de lichtkogel is het aan verdachtes schuld te wijten dat door de pijl brand is veroorzaakt en dat daardoor het slachtoffer om het leven is gekomen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan met dien verstande dat:
hij op 1 januari 2004 te Middelburg onvoorzichtig in een uit dichte bebouwing uit hoogbouw bestaande woonwijk- een noodseinmiddel, bestemd voor gebruik in de scheepvaart, te weten een lichtkogel, met een grote kracht in verticale richting heeft weggeschoten en welke lichtkogel van baan is veranderd en met grote snelheid zijn weg in horizontale richting heeft vervolgd in de richting van de flatwoning, gelegen aan de (adres) en welke lichtkogel zich met grote kracht door een ruit van dat raam van die flatwoning, in welke flatwoning zich het slachtoffer bevond, heeft geboord, waardoor het aan zijn, verdachtes, schuld te wijten is geweest dat die (naam slachtoffer) zodanig letsel, te weten inhalatieletsel en uitgebreide en ernstige brandwonden, heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden;
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier bewezen is verklaard, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:
Aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafoplegging
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het volgende:
- de ernst van het feit en de omstandigheden, waaronder dit is begaan;
- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Voor wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden, waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft in een woonwijk een lichtkogel afgestoken. De lichtkogel is 2 à 3 meter verticaal omhoog gegaan, boog vervolgens plotseling af in horizontale richting en boorde zich door een raam van een flatwoning van het slachtoffer. Op het moment dat verdachte zag dat de gordijnen in de flat vlam hadden gevat, heeft hij, ondanks de gevaren voor zichzelf, zijn verantwoordelijkheid genomen. Hij heeft 112 gebeld en is vervolgens naar de flat toe gerend. Nadat hij door de hitte werd teruggeslagen, is hij met een natte doek en een zaklamp van een buurman wederom de flat binnengegaan. Hij is naar het slachtoffer toegegaan, is gaan staan en heeft haar naar de grond gebracht. Daarna heeft hij haar tot bijna buiten de woning weten te brengen.
Het optreden van verdachte verdient respect. Ondanks het ernstige verwijt dat verdachte kan worden gemaakt, dient bij de strafmaat met zijn poging de ernst van de gevolgen te beperken rekening te worden gehouden.
Na het overlijden van het slachtoffer twee weken later heeft verdachte nog contact gehad met haar nabestaanden en haar buren. Verdachte heeft ter zitting aangegeven dat hij ook de begrafenis van het slachtoffer heeft bijgewoond. Het leed voor de nabestaanden is evident. De rechtbank acht het echter aannemelijk dat het gebeurde ook op verdachte impact heeft gehad. Verdachte heeft ter zitting aangegeven dat het gebeuren nog steeds invloed heeft op zijn concentratie. Ook denkt hij nog heel veel na over wat er is gebeurd. Daarbij toont hij compassie met de getroffenen en probeert hij hun leed draaglijker te maken.
Uit het hiervoor besprokene blijkt dat verdachte na het feit gepoogd heeft de gevolgen van zijn handelen te beperken. Niet slechts het proberen te redden van het slachtoffer, maar ook zijn houding naar de nabestaanden maken dat verdachte op ernstige wijze is geconfronteerd met de gevolgen van zijn daad. Die gevolgen, mede bezien in het licht van de ernst van het verwijt, maken dat verdachte leed heeft ondervonden.
Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:
- het op naam van de verdachte staand uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister d.d. 19 maart 2004, waarop geen thans relevante aantekeningen staan.
Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank de oplegging van een straf of maatregel niet passend en geboden. De rechtbank zal daarom bepalen dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9a en 307 van het Wetboek van Strafrecht.
DE BESLISSING
De rechtbank beslist als volgt.
Zij verklaart bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven heeft begaan.
Zij verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders ten laste is gelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Zij bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.
Zij verklaart de verdachte te dier zake strafbaar.
Zij bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. R.J.G. Lameijer, voorzitter,
mrs. F.C.J.E. van Hemert-Meeuwis en C.M.J. Peeters, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.W. Gouw als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 juli 2004.
Mr. C.M.J. Peeters is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.