Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ4239

Datum uitspraak2004-09-28
Datum gepubliceerd2004-10-27
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers00364/04 P
Statusgepubliceerd


Indicatie

OM-cassatie. Profijtontneming en rechtsgevolg van overschrijding van de redelijke termijn ex art. 6 EVRM. Vermindering van de betalingsverplichting is uitgangspunt; voor niet-ontvankelijkheid van het OM is slechts in uitzonderlijke gevallen plaats (HR NJ 2001, 307). I.c. (er zijn meer dan 7 jaren verstreken tussen aankondiging vordering en einduitspraak in appèl) is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk waarom zich een dergelijk uitzonderlijk geval voordoet.


Conclusie anoniem

Nr. 00364/04 P Mr. Fokkens Zitting: 6 juli 2004 Conclusie inzake: [verdachte = betrokkene] 1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft het Openbaar Ministerie in zijn vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel niet-ontvankelijk verklaard. 2. De Advocaat-Generaal bij het Hof heeft één middel van cassatie voorgesteld. 3. Het middel klaagt dat het Hof het Openbaar Ministerie ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM. 4. Het Hof heeft zijn beslissing het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren als volgt gemotiveerd: "4. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging Naar het oordeel van het hof is het totale tijdsverloop tussen de terechtzitting in de strafzaak tegen veroordeelde d.d. 16 oktober 1996, op welke terechtzitting door de officier van justitie een ontnemingsvordering tegen de veroordeelde werd aangekondigd, en de behandeling van de onderhavige zaak ter terechtzitting in hoger beroep van 17 november 2003 zodanig, dat niet meer gezegd kan worden dat de behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Van het bestaan van bijzondere omstandigheden met betrekking tot deze niet ingewikkelde ontnemingszaak die tot een ander oordeel zouden behoren te leiden, is niet gebleken. De overschrijding van de redelijke termijn is van dien aard dat -ook na afweging van het belang dat de gemeenschap na overschrijding van de redelijke termijn behoudt bij voordeelsontneming tegen het belang dat de veroordeelde heeft bij verval van het recht tot voordeelsontneming nadat die termijn is overschreden- niet kan worden volstaan met de oplegging van een lager ontnemingsbedrag, aangenomen dat aan alle overige voorwaarden voor ontneming is voldaan. Daarom moet het openbaar ministerie -met vernietiging van het vonnis waarvan beroep- alsnog niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel." 5. Deze beslissing mag opmerkelijk worden genoemd omdat van de zijde van verdachte en zijn raadsman in het geheel geen beroep was gedaan op overschrijding van de redelijke termijn, laat staan een beroep op zodanige overschrijding dat daarop de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vordering tot ontneming zou moeten volgen. Uit het ontbreken van een dergelijk verweer - de enkele opmerking van de raadsman dat hij, gelet op het tijdsverloop, om matiging van het te betalen bedrag vraagt kan niet als zodanig worden opgevat - kan bezwaarlijk iets anders worden opgemaakt dan dat de veroordeelde in zijn beleving niet langer dan redelijk is onder de dreiging van de ontnemingprocedure heeft geleefd (vgl. HR NJ 2000, 721, r.o. 3.9) en rijst de vraag of er in die omstandigheden voor de rechter een grond was om ambtshalve een schending van de redelijke termijn voor berechting vast te stellen. Nu daarover niet wordt geklaagd laat ik die vraag verder rusten. 6. Uit de stukken van het geding blijkt het volgende tijdsverloop: - bij het requisitoir in de strafzaak tegen de (toen) verdachte heeft de Officier van Justitie ter terechtzitting van de rechtbank op 16 oktober 1996 aangekondigd het wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen; - bij vonnis van 30 oktober 1996 heeft de Rechtbank hem veroordeeld; - het Hof heeft bij arrest van 7 mei 1997 de verdachte veroordeeld wegens - kort gezegd - deelneming aan een criminele organisatie en medeplegen van invoer van hashish tot een gevangenisstraf van eenentwintig maanden; - op 2 november 1998 is de vordering tot ontneming aan de veroordeelde betekend door verzending aan zijn gba-adres (En niet op 23 oktober 1998 aan hem in persoon betekend, zoals in de toelichting op het middel wordt gesteld. Op 23 oktober 1998 is de vordering teruggezonden aan de afzender omdat de vordering na eerdere aanbieding op het gba-adres op 15 oktober 1998 niet op het postkantoor is afgehaald.); - op de terechtzitting van de rechtbank van 1 december 1999 is tegen de veroordeelde verstek verleend en de vordering behandeld; - bij beslissing van 17 december 1998 heeft de rechtbank de veroordeelde een betalingsverplichting van fl. 70.000 opgelegd (€31.764,62); - bij arrest van 17 januari 2001 heeft het Hof de zaak teruggewezen naar de Rechtbank omdat niet aan de veroordeelde, die in voorlopige hechtenis had gezeten, door de voorzitter van de Rechtbank een raadsman was toegewezen; - ter terechtzitting van de rechtbank van 19 september 2002 is de veroordeelde verschenen met zijn raadsman en is de vordering behandeld; - de rechtbank heeft op 3 oktober 2002 uitspraak gedaan; - op 17 oktober 2002 is namens de veroordeelde hoger beroep aangetekend; - de vordering is in hoger beroep behandeld op de terechtzitting van het Hof van 17 november 2003; - het Hof heeft bij arrest van 1 december 2003 uitspraak gedaan. 7. In de toelichting op het middel wordt onder meer aangevoerd dat het tijdsverloop van zeven jaar en een halve maand mede het gevolg is van de terugwijzing door het Hof op 17 januari 2001 en van het aanwenden van rechtsmiddelen door de veroordeelde. Bovendien heeft het Hof in zijn motivering geen zwaarwegende omstandigheden (aan de zijde van de veroordeelde) vastgesteld die zouden moeten leiden tot de zware sanctie van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. 8. De Hoge Raad heeft als uitgangspunt dat overschrijding van de redelijke termijn in ontnemingszaken in de regel behoort te leiden tot vermindering van het te betalen bedrag. Voor niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vordering is slechts in uitzonderlijke gevallen plaats (vgl. HR 9 januari 2001, NJ 2001, 307 rov. 3.11 en 3.12). 9. Het enkele feit dat de ontnemingsprocedure zeven jaar en een halve maand heeft geduurd rechtvaardigt niet de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, zeker niet nu dit tijdsverloop mede het gevolg is van een terugwijzing van de zaak door de appèlrechter en van de zijde van verdachte niet over de duur van de procedure is geklaagd.(1) Het Hof heeft geen bijzondere omstandigheden vastgesteld die tot het niet-ontvankelijk verklaren van het Openbaar Ministerie aanleiding zouden kunnen geven. Zonder nadere motivering, die in het arrest ontbreekt, is niet begrijpelijk waarom vermindering van het te betalen bedrag niet passend zou zijn. De beslissing van het Hof is dus onvoldoende gemotiveerd en het middel is terecht voorgesteld. 10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's- Gravenhage teneinde op het bestaande beroep alsnog te worden berecht en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden plv. 1 Vgl. HR 15 juni 2004, LJN: AO8364 waarin sprake was van een totale duur van zes jaren en zeven maanden.


Uitspraak

28 september 2004 Strafkamer nr. 00364/04 P LR/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 1 december 2003, nummer 22/003665-03, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van: [betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 3 oktober 2002 - het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De plaatsvervangend Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de zaak zal terugwijzen naar het Hof teneinde op het bestaande beroep alsnog te worden berecht en afgedaan. 3. Beoordeling van het middel 3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in die mate is overschreden dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering. 3.2. Het Hof heeft zijn beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in zijn vordering als volgt gemotiveerd: "Naar het oordeel van het hof is het totale tijdsverloop tussen de terechtzitting in de strafzaak tegen veroordeelde d.d. 16 oktober 1996, op welke terechtzitting door de officier van justitie een ontnemingsvordering tegen de veroordeelde werd aangekondigd, en de behandeling van de onderhavige zaak ter terechtzitting in hoger beroep van 17 november 2003 zodanig, dat niet meer gezegd kan worden dat de behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Van het bestaan van bijzondere omstandigheden met betrekking tot deze niet ingewikkelde ontnemingszaak die tot een ander oordeel zouden behoren te leiden, is niet gebleken. De overschrijding van de redelijke termijn is van dien aard dat - ook na afweging van het belang dat de gemeenschap na overschrijding van de redelijke termijn behoudt bij voordeelsontneming tegen het belang dat de veroordeelde heeft bij verval van het recht tot voordeelsontneming nadat die termijn is overschreden - niet kan worden volstaan met de oplegging van een lager ontnemingsbedrag, aangenomen dat aan alle overige voorwaarden voor ontneming is voldaan. Daarom moet het openbaar ministerie - met vernietiging van het vonnis waarvan beroep - alsnog niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel." 3.3. De aan de Hoge Raad toegezonden stukken houden het volgende in: (i) ter terechtzitting op tegenspraak van de Rechtbank van 16 oktober 1996 in de hoofdzaak heeft de Officier van Justitie op de voet van art. 311, eerste lid, Sv kenbaar gemaakt een vordering als bedoeld in art. 36e Sr aanhangig te zullen maken; (ii) op 30 oktober 1996 heeft de Rechtbank in de hoofdzaak uitspraak gedaan; (iii) de betrokkene heeft tegen de onder (ii) bedoelde uitspraak op 13 november 1996 hoger beroep ingesteld; (iv) op 7 mei 1997 heeft het Hof in de hoofdzaak uitspraak gedaan; (v) op 2 november 1998 is de ontnemingsvordering aan de betrokkene betekend op de voet van art. 588, derde lid onder c, Sv; (vi) op 17 december 1998 heeft de Rechtbank uitspraak gedaan; (vii) op 22 december 1998 heeft de betrokkene hoger beroep ingesteld; (viii) op 17 januari 2001 heeft het Hof in de ontnemingszaak uitspraak gedaan en de zaak teruggewezen naar de Rechtbank; (ix) op 3 oktober 2002 heeft de Rechtbank uitspraak gedaan; (x) op 17 oktober 2002 heeft de betrokkene hoger beroep ingesteld; (xi) op 1 december 2003 heeft het Hof uitspraak gedaan. 3.4. Vooropgesteld moet worden dat bij het verbinden van rechtsgevolgen aan een overschrijding van de redelijke termijn in ontnemingszaken vermindering van het te betalen bedrag in beginsel aangewezen is. Voor niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vordering is slechts in uitzonderlijke gevallen plaats (vgl. HR 9 januari 2001, NJ 2001, 307). 3.5. Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor onder 3.4 is vooropgesteld en in aanmerking genomen het hiervoor onder 3.3 weergegeven procesverloop, is zonder nadere motivering die ontbreekt, niet begrijpelijk waarom zich hier een uitzonderlijk geval als hiervoor bedoeld, voordoet. De bestreden uitspraak is in dit opzicht dus ontoereikend gemotiveerd. 4. Slotsom Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist. 5. Beslissing De Hoge Raad: Vernietigt de bestreden uitspraak; Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage opdat de zaak op het bestaande hoger beroep wordt berecht en afgedaan. Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 28 september 2004.