
Jurisprudentie
AQ4045
Datum uitspraak2004-03-15
Datum gepubliceerd2004-08-18
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsRotterdam
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 03/10909
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-08-18
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsRotterdam
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 03/10909
Statusgepubliceerd
Indicatie
Afghanistan / alleenstaande vrouw.
Eiseres is een Pashtun (Soenniet) afkomstig uit Kaboel. Eiseres dreigde te moeten trouwen met een oudere man. Bij weigering zou de Taliban op de hoogte worden gesteld van het feit dat zij in Rusland heeft gestudeerd. Gelet op verweerders beleid over risicogroepen, bezien in het licht van het ambtsbericht van 12 november 2003 èn gezien de situatie van eiseres kan het standpunt van verweerder dat eiseres vrees voor vervolging niet aannemelijk is bezwaarlijk volgehouden worden. Eiseres heeft met meer dan geringe indicaties aangegeven dat zij behoort tot een groep met verhoogd risico en dat het aannemelijk is dat zij problemen heeft gehad en bij terugkeer in Afghanistan problemen heeft te verwachten. Voorts overweegt de rechtbank dat verweerder bij beantwoording van de vraag of eiseres in aanmerking komt voor erkenning als vluchteling niet de aanbeveling van de UNHCR zoals omschreven in het ambtsbericht heeft betrokken. Verweerder heeft op de vraag waarom een dergelijke bandentoets niet heeft plaatsgevonden geantwoord, dat de situatie vergelijkbaar is met Irak en dat eerst vastgesteld moet worden of er sprake is van de a- of b-grond van artikel 29, eerste lid, Vw 2000, alvorens over te gaan op de bandentoets en dat is niet aan de orde. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet op goede gronden op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000. Beroep gegrond.
Uitspraak
Rechtbank ’s-Gravenhage
sector bestuursrecht
vreemdelingenkamer, enkelvoudig
nevenzittingsplaats Rotterdam
UITSPRAAK
ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht
Reg.nr : AWB 03/10909 BEPTDN
Inzake : A, eiseres,
gemachtigde, mr. E.W.B. van Twist, advocaat te Dordrecht,
tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde mr. M.A. Eckhardt, ambtenaar ten departemente.
I. PROCESVERLOOP
1. Eiseres, geboren op [...] 1975, bezit de Afghaanse nationaliteit. Zij verblijft, naar gesteld, sedert 12 september 2001 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwetgeving in Nederland. Op 23 september 2001 heeft zij een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Op 7 januari 2003 heeft verweerder kenbaar gemaakt voornemens te zijn de aanvraag af te wijzen. Bij besluit van 14 februari 2003, verzonden op 17 februari 2003, heeft verweerder conform dit voornemen besloten.
2. Op 19 februari 2003 heeft eiseres tegen dit besluit een beroepschrift ingediend bij de rechtbank.
3. Ter voorbereiding van het onderzoek ter openbare zitting heeft de rechtbank in het kader van artikel 83 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) aanleiding gezien tot het stellen van vragen aan verweerder. De rechtbank heeft bij brief van 26 januari 2004 vragen gesteld. Verweerder heeft bij brief van 3 februari 2004 deze vragen beantwoord.
4. De openbare behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden op
10 februari 2004. Eiseres is verschenen bij gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
II. OVERWEGINGEN
1. Ingevolge het bepaalde in artikel 83 Vw 2000 houdt de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening met feiten en omstandigheden die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.
Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, Vw 2000 behelst de rechtsgronden voor verlening van de verblijfsvergunning en luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:
"1. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden verleend aan de vreemdeling:
a. die verdragsvluchteling is;
b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;
c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;
d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar".
Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw 2000 wordt een aanvraag als vorenbedoeld afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gebaseerd op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.
Ingevolge artikel 1 (A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) is van vluchtelingschap sprake in geval de betrokkene afkomstig is uit een land waarin hij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.
2. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar aanvraag -voor zover van belang en samengevat- het navolgende aangevoerd. Eiseres is Pashtun (Soenniet) afkomstig uit Kaboel. Eiseres dreigde te moeten trouwen met een oudere man. Als zij dat niet zou doen, dan zou de Taliban op de hoogte worden gesteld van het feit dat zij in Rusland heeft gestudeerd.
In beroep heeft eiseres nog aangevoerd dat de algemene situatie in Afghanistan slecht is, met name voor vrouwen en meisjes. Eiseres stelt voorts dat in Afghanistan onder het regime van de Taliban alles wat met Rusland te maken had verboden was en reden voor vervolging is. Eiseres stelt zich op het standpunt dat waar eerst een categoriaal beschermingsbeleid noodzakelijk was, die noodzaak niet van de een op de andere dag geheel is verdwenen. Niet duidelijk is hoe de situatie in Afghanistan thans is. Tot slot beroept eiseres zich op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), daar zij thans is gehuwd met B.
Ter zitting heeft eiseres in het kader van artikel 83 Vw 2000 gewezen op het belang van het meewegen van de recente ontwikkelingen zoals omschreven in het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 12 november 2003, met name ten aanzien van de positie van vrouwen. Voorts heeft eiseres erop gewezen dat zij en de heer B niet langer bij elkaar zijn en dat zij thans in een ander asielzoekerscentrum verblijft.
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet voor toelating als vluchteling in aanmerking komt. Verweerder heeft zijn oordeel gevormd mede naar aanleiding van het ambtsbericht van 19 augustus 2002 van de Minister van Buitenlandse Zaken (kenmerk: DPV/AM-772662). Verweerder stelt dat eiseres gelet op hetgeen zij in haar asielrelaas naar voren heeft gebracht bezien in het licht van bovenstaand ambtsbericht niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op asielgerelateerde gronden. Verweerder stelt dat de vrees van eiseres voor vervolging ongeloofwaardig is. Verweerder stelt dat de vrees voor eerwraak evenmin aannemelijk is.
4. De rechtbank heeft verweerder bij brief van 26 januari 2004 vragen gesteld. Deze vragen luiden als volgt:
a. De rechtbank constateert dat verweerder het bestreden besluit (mede) motiveert door te verwijzen naar ambtsbericht inzake Afghanistan van 19 augustus 2002. Na dit ambtsbericht zijn inmiddels drie nieuwe ambtsberichten verschenen, respectievelijk van september 2002, april 2003 en november 2003. Vormt de informatie in deze ambtsberichten (met name het ambtsbericht van november 2003) voor verweerder aanleiding tot handhaving, wijziging of intrekking van het bestreden besluit?
b. In het kader van het (afgeschafte) categoriale beschermingsbeleid inzake Afghanistan heeft de rechtbank de volgende vragen aan verweerder gesteld.
b.1 Dient het beleid zo te worden opgevat dat verweerder van oordeel is dat de veiligheidssituatie buiten Kaboel op zichzelf de afschaffing van het categoriaal beschermingsbeleid niet rechtvaardigt, maar dat, nu de situatie in Kaboel als relatief veilig kan worden beschouwd, Kaboel als verblijfsalternatief kan worden tegengeworpen aan personen die oorspronkelijk niet uit Kaboel afkomstig zijn?
b.2 In dit verband vraagt de rechtbank zich af naar welke plaats/regio de (voorgenomen) uitzettingen van Afghanen zullen plaatsvinden. Wordt alleen naar Kaboel uitgezet of, indien het personen betreft die niet uit Kaboel afkomstig zijn, ook naar gebieden buiten Kaboel?
b.3 De rechtbank vraagt zich gelet op met name hetgeen in het ambtsbericht van november 2003 (pagina 24, 49 en 50) naar voren komt af, wat het standpunt van verweerder is ten aanzien van de positie van de Pashtun-bevolking?
b.4 Verder vraagt de rechtbank zich af wat het standpunt van verweerder is ten aanzien van de positie van alleenstaande vrouwen (pagina 52 van het ambtsbericht van november 2003), die al dan niet met eerwraak te maken kunnen krijgen?
5. Verweerder heeft in zijn brief van 4 februari 2004 als volgt geantwoord.
Vraag a. Verzocht is om op grond van artikel 83, derde lid, Vw 2000, aan te geven of de gewijzigde feiten en omstandigheden in Afghanistan aanleiding zijn voor handhaving, wijziging of intrekking van het bestreden besluit.
Voornoemde bepaling betreft geen bepaling van openbare orde. Het ligt op de weg van de vreemdeling om tijdig tegenover de rechtbank feiten en omstandigheden in te roepen welke aanleiding kunnen zijn voor handhaving, wijziging of intrekking van het bestreden besluit. Het derde lid van voornoemd artikel doelt immers op “ingeroepen feiten en omstandigheden”. Uit het dossier noch anderszins is gebleken van voornoemde, door eiser ingeroepen feiten en omstandigheden.
Vraag b.1 Het antwoord op deze vraag luidt ontkennend. Verweerders beleid dient niet opgevat te worden dat de veiligheidssituatie buiten Kaboel op zichzelf categoriaal beschermingswaardig is en dat Kaboel als verblijfsalternatief kan worden tegengeworpen aan personen die niet uit Kaboel afkomstig zijn. Verweerder is van oordeel dat de algehele (veiligheidssituatie) in Afghanistan niet van dusdanige aard is dat deze zou leiden tot de conclusie dat het voeren van categoriaal beschermingsbeleid geïndiceerd is.
Vraag b.2 Op 18 maart 2003 is een overeenkomst gesloten tussen Nederland, Afghanistan en de UNHCR over de terugkeer van Afghanen vanuit Nederland naar Afghanistan. Feitelijke terugkeer vindt plaats, op basis van deze overeenkomst, naar Kaboel. De UNHCR is hiervan van tevoren op de hoogte gebracht en faciliteert vervolgens een eventuele doorreis naar ander plaatsen/gebieden in Afghanistan.
Vraag b.3 Verweerder verwijst ter beantwoording van deze vraag allereerst naar het beleid (zie TBV 2003/22, thans opgenomen in C8 Vreemdelingencirculaire 2000) en naar de brief van 5 januari 2004 van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, waarin is aangegeven dat het beleid, gelet op de informatie uit het ambtsbericht van november 2003, niet zal worden gewijzigd.
In het beleid is aangegeven dat, gezien de inhoud van het ambtsbericht er reden bestaat om bij de beoordeling van asielverzoeken extra aandacht te besteden aan bepaalde groepen die een bepaald risico kunnen lopen bij terugkeer, waaronder de Pashtuns. Indien leden van deze risicogroepen zich beroepen op problemen van de zijde van de huidige (centrale) autoriteiten, of lokale krijgsheren, of met medeburgers kan met geringe indicaties reeds aannemelijk worden gemaakt dat deze problemen leiden tot een gegronde vrees voor vervolging of van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM. Voorts dient er ten aanzien van de beoordeling van asielverzoeken van Pashtuns rekening mee te worden gehouden dat een deel van de leden van deze groep plaatselijk een verhoogd risico kan lopen. Pashtuns vormen de grootste etnische groep in Afghanistan. Vooral in het noorden en westen van Afghanistan, waar Pashtuns een minderheid vormen, zijn zij in 2002 het slachtoffer geworden van moord, foltering, seksueel geweld, ontvoeringen, plunderingen en afpersing. Als gevolg daarvan zijn tienduizenden Pashtuns vanuit het noorden gevlucht naar Zuid-Afghanistan, Iran en Pakistan. In de noordwestelijke provincies kan een deel van de leden van deze groep, ook bij terugkeer, problemen ondervinden (zie ook het ambtsbericht van november 2003 pagina 49 en 50).
Verweerder stelt zich dan ook op het standpunt dat er ten aanzien van asielzoekers die behoren tot de Pashtun aldus extra aandacht dient te worden geschonken doordat zij bij terugkeer een bepaald risico kunnen lopen. Wel dient de asielzoeker, zij het dat een geringe indicatie al voldoende is, aannemelijk te maken dat hij daadwerkelijk problemen verwacht van de zijde van de huidige (centrale) autoriteiten, lokale krijgsheren of medeburgers. Verweerder verwijst hiervoor wederom naar het ambtsbericht van november 2003 (pagina 49 en 50).
b.4 Verweerder verwijst ter beantwoording van deze vraag nogmaals naar het beleid (zie TBV 2003/22, thans opgenomen in C8 Vreemdelingencirculaire 2000) en naar de brief van 5 januari 2004 van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, waarin is aangegeven dat het beleid, gelet op de informatie uit het ambtsbericht van november 2003, niet zal worden gewijzigd.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat nu uit het ambtsbericht blijkt dat er een verhoogd risico bestaat voor alleenstaande vrouwen en meisjes in Afghanistan, bij de beoordeling van asielverzoeken extra aandacht dient te worden geschonken aan deze groep, zoals ook is aangegeven in het beleid. Wel dient de asielzoeker, zij het dat een geringe indicatie al voldoende is, aannemelijk te maken dat hij daadwerkelijk problemen verwacht van de zijde van de huidige (centrale) autoriteiten, lokale krijgsheren of met medeburgers. Verweerder verwijst in dit kader nogmaals naar het ambtsbericht van november 2003 (pagina 52 en 53).
Uit het beleid blijkt ten aanzien van eerwraak en bloedwraak voorts dat deze betrokken kunnen worden bij de beoordeling of een asielzoeker in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Hierbij is van belang dat het asielrelaas van de vreemdeling als geloofwaardig is te kwalificeren en dat aannemelijk is gemaakt dat een niet gewelddadige oplossing ten aanzien van eerwraak en bloedwraak onmogelijk was.
6. De rechtbank overweegt allereerst het volgende.
Niet in geschil is dat, in dit geval, feiten en omstandigheden op grond van artikel 83, derde lid, Vw 2000, zijn “ingeroepen” door de vreemdeling, daar eiseres zich heeft beroepen op de gewijzigde situatie in Afghanistan en ter zitting in dit verband heeft verwezen naar het algemeen ambtsbericht inzake Afghanistan van 12 november 2003.
6.1 Ten aanzien van eiseres beroep op verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank zal met toepassing van artikel 83 Vw 2000 rekening houden met feiten en omstandigheden die uit het ambtsbericht van 12 november 2003 naar voren zijn gekomen.
Uit bladzijde 20, 21 en 22 van dit ambtsbericht blijkt ten aanzien van de veiligheidssituatie het volgende:
“(…)
Uit onderzoek door Amnesty International blijkt dat de politie in Afghanistan, en met name buiten Kaboel, zelden in staat is mensenrechtenschendingen door lokale commandanten te verhinderen en in enkele gevallen ook zelf mensenrechtenschendingen heeft begaan. Het betreft met name mishandeling en foltering tijdens ondervragingen.
(…)
De politie is niet bij machte bescherming te bieden aan personen die daarom vragen. Dit geldt met name in de gebieden waar gevechten plaatsvinden tussen krijgsheren, maar ook elders in het land. Als gevolg hiervan heeft de Afghaanse bevolking geen enkel vertrouwen in het functioneren van het politieapparaat.
(…)
De veiligheidssituatie in Afghanistan werd in de verslagperiode met name gekenmerkt door de toename van openlijke aanwezigheid van en terroristische aanslagen door strijders die behoren tot de Taliban, Al Qaida en militanten die loyaal zijn aan de krijgsheer Gulbuddin Hekmatyar. Er zijn indicaties dat de veiligheidssituatie aan het verslechteren is en dat ook de dreiging van aanslagen in de hoofdstad Kaboel toeneemt. Volgens de ondersecretaris-generaal van de VN voor vredeshandhaving, Jean-Marie Guehenno, is ongeveer éénderde van Afghanistan ontoegankelijk voor de VN vanwege de veiligheidssituatie. Volgens landendirecteur Paul Barker van ‘Care international’ is niet eenderde, maar zelfs de helft van Afghanistan ontoegankelijk voor ngo’s.”
Op pagina 47 en 48 van het ambtsbericht staat het volgende:
“(…)
Er zijn geen gevallen bekend van recente, politiek gemotiveerde, verdwijningen. Wel is in heel Afghanistan sprake van ontvoeringen voor losgeld of als intimidatiemethode. Ook komen roofhuwelijken voor, waarbij vrouwen worden ontvoerd en gedwongen worden om te trouwen. De status van vrouwen in de Afghaanse samenleving maakt het moeilijk deze gevallen te onderzoeken.”
Op pagina 49 wordt in genoemd ambtsbericht in paragraaf 3.4.2 over etnische groepen het volgende gemeld.:
“In sommige delen van het land komt discriminatie op grond van etniciteit voor. Het treft voornamelijk groepen die door de gemeenschap met een specifieke politieke of militaire factie worden geïdentificeerd. Personen die van origine uit een gebied komen waar zij tot een etnische minderheid behoren of personen die terugkeren naar een dergelijk gebied lopen mogelijk het risico slachtoffer te worden van mensenrechtenschendingen. Zij lopen in sommige gebieden in Afghanistan het risico door lokale commandanten te worden afgeperst, mishandeld, gedetineerd, verkracht of zelfs vermoord.
Pashtuns
Vooral in het noorden en westen van Afghanistan waar Pashtuns een minderheid vormen, zijn zij in 2002 het slachtoffer geworden van moorden, foltering, seksueel geweld, ontvoeringen, plunderingen en afpersing door lokale krijgsheren en leden van in het noorden opererende facties als Junbish-i-Melli, Hezb-i-Wahdat en Jamiat-i-Islami. Als gevolg daarvan zijn in 2002 naar schattingen van de VN en ngo’s tienduizenden Pashtuns vanuit het noorden gevlucht naar Zuid-Afghanistan, Iran en Pakistan. Alhoewel sedertdien de situatie voor Pashtuns in sommige delen van het noorden en westen lijkt te zijn verbeterd, blijft de situatie van Pashtuns in de noordwestelijke provincies precair en lopen zij het risico slachtoffer te worden van mensenrechtenschendingen door lokale commandanten.”
Genoemd ambtsbericht vermeld voorts op pagina 52 en 53 ten aanzien van de situatie van vrouwen het volgende:
“(…)
Echter, vanwege de aanhoudende onveiligheid in het land en bedreigingen door lokale autoriteiten, lokale milities en fundamentalistische groeperingen blijven veel vrouwen vrezen voor hun veiligheid. Mede hierdoor blijven zij de vrijwel allesbedekkende burqa of chadori dragen. Om dezelfde reden worden meisjes ervan weerhouden onderwijs te volgen en hebben veel vrouwen door de beperkingen aan hun bewegingsvrijheid sterk verminderde toegang tot bijvoorbeeld gezondheidszorg en het openbare leven. Ondanks de bemoedigende ontwikkelingen voor vrouwen in Afghanistan, blijven discriminatie en conservatieve culturele gebruiken van tijd tot tijd leiden tot gewelddadigheden, waaronder eremoorden. De volgende categorieën vrouwen lopen bij terugkeer naar Afghanistan om die reden risico slachtoffer te worden van mensenrechtenschendingen: alleenstaande vrouwen en vrouwen die de geldende sociale zeden overschrijden of waaraan dergelijk gedrag wordt toegeschreven. Onder deze laatste categorie vallen onder meer Afghaanse vrouwen die met buitenlanders zijn getrouwd in het land waarin zij asiel hebben aangevraagd. (In het bijzonder geldt dit voor vrouwen die met niet-moslims zijn getrouwd, hetgeen als overtreding van de grondbeginselen van de Islam wordt beschouwd.) Ook behoren tot deze categorie Afghaanse vrouwen die een westerse levensstijl hebben aangenomen of een levensstijl die als overtreding van de in Afghanistan geldende sociale zeden wordt aangemerkt en waarbij aanpassing aan de Afghaanse zeden een dusdanige inbreuk op hun identiteit zou zijn dat het als vervolging kan worden aangemerkt”
De rechtbank verwijst in dit verband voorts naar de brief van de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie van 5 januari 2004 (kenmerk 5261260/03/DVB) aan de Voorzitter van de Tweede Kamer, waarin het volgende is vermeld.:
“Wel zie ik reden, gezien de inhoud van het ambtsbericht, om bij de beoordeling van asielverzoeken extra aandacht te besteden aan bepaalde groepen die mogelijk een risico kunnen lopen bij terugkeer. Het betreft hier leden van (vaak etnische) minderheidsgroeperingen in het algemeen en in het bijzonder de Pashtun uit Noord-Afghanistan en de Hazara’s uit Centraal-Afghanistan die behoren tot de Akbari-factie van de Hezb-i-Wahdat. Verder zal de IND in de beoordeling van asielverzoeken van vrouwen en meisjes extra aandacht besteden aan de kwetsbare positie van deze groep.”
6.2 Voorts wijst de rechtbank naar de volgende passage op pagina 61 en 62 uit voornoemd ambtsbericht.:
“Volgens UNHCR dient bij de bepaling van de vluchtelingenstatus en beschermingsbehoeften van Afghaanse asielzoekers het voorlopige en fragiele karakter van de huidige situatie in ogenschouw te worden genomen. Het is niet bekend wat de opstelling van de centrale autoriteiten zal zijn ten aanzien van specifieke categorieën individuen of groepen en op welk moment het gezag van de autoriteiten in het hele land zal zijn gevestigd zodat de bescherming van burgers tegen acties van lokale autoriteiten of andere actoren is gewaarborgd.
Vanwege het gefragmenteerde karakter van de huidige situatie en de (hernieuwde) opkomst van voormalige en nieuwe commandanten in grote delen van het land is het belangrijk om bij de vaststelling van de beschermingsbehoeften van de Afghanen een volledig beeld van de achtergrond en persoonlijke omstandigheden van de asielzoeker te verkrijgen, alsmede een beeld van de huidige situatie in zijn of haar gebied van herkomst of huidige woongebied. Ook dient aandacht te worden besteed aan de karakteristieken van de Afghaanse samenleving, waaronder familie- en extended-familiebanden en gemeenschapsnetwerken, met als doel de mogelijke traditionele beschermingsmechanismen te identificeren en te onderzoeken hoe kan worden omgegaan met de huidige lokale autoriteiten. Het is ook belangrijk om in individuele gevallen het profiel, de locatie, de voormalige en huidige sociale status en de politieke affiliaties van familieleden in of buiten Afghanistan vast te stellen.”
(…)
“UNHCR is tegen het hanteren van een vestigingsalternatief in de Afghaanse context. UNHCR wijst erop dat de traditionele familie- en gemeenschapsstructuren in het Afghaanse tribale systeem de belangrijkste vorm van bescherming bieden in Afghanistan.”
6.3 Gelet op verweerders beleid over risicogroepen, zoals omschreven in het antwoord op vraag b.3 en b.4, bezien in het licht van het laatste ambtsbericht en gezien de geschetste situatie van eiseres kan naar het oordeel van de rechtbank het standpunt van verweerder dat eiseres vrees voor vervolging niet aannemelijk is bezwaarlijk volgehouden worden. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank met meer dan geringe indicaties aangegeven dat zij behoort tot een groep met verhoogd risico en dat het aannemelijk is dat zij problemen heeft gehad en bij terugkeer in Afghanistan problemen heeft te verwachten. Verweerders standpunt dat slechts sprake zou zijn van vermoedens van vrees voor vervolging omdat het gaat om toekomstige onzekere gebeurtenissen maakt het beleid zinledig.
6.4 Voorts overweegt de rechtbank dat verweerder bij beantwoording van de vraag of eiseres in aanmerking komt voor erkenning als vluchteling niet (mede) bovenstaande aanbeveling van de UNHCR heeft betrokken. Ter zitting heeft verweerder op de vraag waarom een dergelijke “bandentoets” niet heeft plaats gevonden geantwoord, dat de situatie vergelijkbaar is met Irak en dat eerst vastgesteld moet worden of er sprake is van de a- of b-grond van artikel 29 Vw 2000, alvorens over te gaan op de bandentoets en dat is in het onderhavige geval niet aan de orde.
6.5 Al het voorgaande in aanmerking nemende is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet op goede gronden op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000. Het bestreden besluit ontbeert dan ook een daadkrachtige motivering.
7. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de bestreden besluiten, onder gegrondverklaring van het beroep, voor vernietiging in aanmerking komt. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Na het voorgaande kunnen de overige beroepsgronden buiten beschouwing blijven.
8. De rechtbank acht termen aanwezig om ingevolge artikel 8:72, vijfde lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen als hieronder nader is aangegeven.
9. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op euro 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van euro 322,- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiseres een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling aan de griffier te geschieden.
III. BESLISSING
De rechtbank 's-Gravenhage,
RECHT DOENDE:
1. verklaart het beroep gegrond;
2. vernietigt het bestreden besluit;
3. bepaalt dat verweerder binnen vier weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt, met inachtneming van deze uitspraak;
4. treft de voorlopige voorziening dat uitzetting van eiseres achterwege dient te blijven tot en met vier weken na de bekendmaking van verweerders nieuwe beslissing;
5. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie) als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen.
Aldus gedaan door mr. P. Vrolijk, rechter en uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2004, in tegenwoordigheid van mr. K. Kandemir-Akkal, griffier.
RECHTSMIDDEL
Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.
Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.
afschrift verzonden op: 19 maart 2004