Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ3814

Datum uitspraak2004-07-20
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Dordrecht
Zaaknummers11/005259-04
Statusgepubliceerd


Indicatie

Tenlastelegging ‘A-16 drugskoerier’ innerlijk tegenstrijdig. Rijden in de richting van de Belgische grens valt binnen het voltooid delict van het ‘buiten het grondgebied van Nederland brengen’ (art. 1 lid 5 OW jo art. 2 sub A OW); tenlastelegging (poging tot uitvoer) nietig.


Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT MEERVOUDIGE STRAFKAMER Tegenspraak Parketnummer : 11/005259-04 Zittingsdatum : 6 juli 2004 Uitspraak : 20 juli 2004 VERKORT STRAFVONNIS De rechtbank Dordrecht heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen: [naam verdachte] geboren op [datum] te [plaats](België) wonende aan de [adres] (België) thans verblijvende in PI Zuid Oost - HvB Ter Peel Evertsoord te Evertsoord. De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht. 1. De tenlastelegging Aan de verdachte is ( na wijziging van de tenlastelegging overeenkomstig de vordering van de officier van justitie ter terechtzitting (hierna met cursief en doorhaling weergegeven) ( ten laste gelegd dat: zij op of omstreeks 05 juni 2004 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of ongeveer 24 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, al dan niet in vereniging met haar mededader een of meer van de navolgende handelingen heeft verricht, immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader opzettelijk genoemde heroïne en/of cocaïne in een (personen)auto (Honda Civic, kleur rood) aanwezig gehad en/of met die (personen)auto in zuidelijke richting (in de richting van het buitenland, te weten België) over de Rijksweg A16 gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; SUBSIDIAIR: voorzover het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: zij op of omstreeks 05 juni 2004 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of ongeveer 24 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet; 2. De voorvragen 2.1 De geldigheid van de dagvaarding De rechtbank zal de dagvaarding voor wat betreft het primair tenlastegelegde feit ambtshalve nietig verklaren, nu de opgave van dat feit niet voldoet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank overweegt daartoe het navolgende. Artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet houdt in dat onder buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet onder meer is begrepen 'het met bestemming naar het buitenland vervoeren'. Aan de verdachte is primair ten laste gelegd dat zij heeft gepoogd ongeveer 6 gram heroïne en ongeveer 24 gram cocaïne buiten het grondgebied van Nederland te brengen. Als uitvoeringshandelingen van deze poging tot uitvoer houdt de tenlastelegging in dat de verdachte de heroïne en/of cocaïne in een auto opzettelijk aanwezig heeft gehad en daarmee heeft gereden over de Rijksweg A16 in de richting van het buitenland, te weten België. De tenlastelegging behelst aldus een poging tot uitvoer van cocaïne en/of heroïne welke is onderbouwd door uitvoeringshandelingen die op grond van artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet begrepen zijn onder het voltooid delict van het 'buiten het grondgebied van Nederland brengen' zoals bedoeld in artikel 2 aanhef, onder A, van de Opiumwet. De tenlastelegging voldoet derhalve voor wat betreft het primair tenlastegelegde na wijziging ter terechtzitting niet aan de eisen van artikel 261 Wetboek van Strafvordering, aangezien de opgave van het primair tenlastegelegde feit innerlijk tegenstrijdig is. De dagvaarding zal daarom in zoverre nietig worden verklaard. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding voor het overige aan alle wettelijke eisen voldoet en dus behoudens het primair tenlastegelegde feit geldig is. 2.2 De bevoegdheid van de rechtbank Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen. 2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. 2.4 De schorsing van de vervolging Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken. 3. Het onderzoek ter terechtzitting 3.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft - het primair ten laste gelegde feit bewezen achtend ( gevorderd overeenkomstig de vordering ter terechtzitting, te weten een gevangenisstraf van acht maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. 3.2 De verdediging De verdediging heeft naast een bewijsverweer ook een strafmaatverweer gevoerd. 4. De bewijsbeslissingen 4.1 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte (subsidiair) zij op of omstreeks 05 juni 2004 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of ongeveer 24 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. 4.2 De bewijsmiddelen De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen. 5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. Het bewezenverklaarde levert op: MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET HET IN ARTIKEL 2, AANHEF, ONDER C, VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD, STRAFBAAR GESTELD BIJ ARTIKEL 10, TWEEDE LID, VAN DE OPIUMWET, meermalen gepleegd. 6. De strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 7. De redenen die de straf hebben bepaald De verdachte heeft zich samen met haar vriend schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden heroïne en cocaïne. Het is een feit van algemene bekendheid dat de markt van de harddrugs, die door verdachtes verslaving en aankopen in stand wordt gehouden, een zeer negatieve invloed heeft op de maatschappij. De verdachte heeft aangegeven dat zij samen met haar vriend naar Nederland is gekomen voor de aankoop van heroïne en cocaïne omdat de prijs van deze drugs in Nederland veel lager ligt dan in België. Het was hun bedoeling hun voorraad op peil te brengen. Het gedrag van verdachte is strafwaardig en dient in beginsel te worden bestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank houdt bij de strafoplegging nadrukkelijk rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die uit het dossier naar voren komen en zoals die zijn gebleken tijdens het onderzoek ter terechtzitting. Verdachte heeft een vaste baan als inpakster. Uit de door de raadsman overgelegde stukken blijkt dat de verdachte reeds een drietal jaren 'clean' was en onlangs is teruggevallen in haar drugsgebruik. De verdachte heeft ter zitting duidelijk aangegeven opnieuw te trachten ( in samenwerking met de hulpverlening ( 'clean' te raken. Het door de rechtbank voorwaardelijk op te leggen gedeelte van de gevangenisstraf moet de verdachte weerhouden van het opnieuw plegen van (soortgelijke) strafbare feiten in Nederland. 8. De toepasselijke wettelijke voorschriften De opgelegde straf en maatregel zijn gegrond op de volgende wettelijke voorschriften: de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet. 9. De beslissing De rechtbank verklaart de dagvaarding nietig voor zover het betreft het primair ten laste gelegde feit; verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals vermeld onder 4.1 van dit vonnis; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5. vermelde strafbare feit oplevert; verklaart de verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt de verdachte wegens dit feit tot: EEN GEVANGENISSTRAF VOOR DE DUUR VAN VIER (4) MAANDEN, met bepaling dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, groot TWEE (2) MAANDEN, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd die wordt bepaald op TWEE JAREN, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt; met bevel dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de ten uitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf. Dit vonnis is gewezen door: mr.drs. T.F. van der Lugt, voorzitter, mrs. S.R.B. Walther en M.J.A. Plaisier, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Boekholtz, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 juli 2004. Mr. S.R.B. Walther is wegens afwezigheid buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.