
Jurisprudentie
AQ3799
Datum uitspraak2004-07-16
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/5009 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/5009 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Is terecht de uitkering ingevolge de WAO, die was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, met ingang van 7 december 1999 ingetrokken?
Uitspraak
E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/5009 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 24 december 1999 heeft gedaagde appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, met ingang van 7 december 1999 beëindigd, onder de overweging dat appellants mate van arbeidsongeschiktheid per die datum is afgenomen naar minder dan 15%.
Bij besluit van 26 juni 2001 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde appellants bezwaar tegen het besluit van 24 december 1999 ongegrond verklaard.
De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 8 augustus 2002, nr. AWB 01/2508 WAO, het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld op door mr. M. de Boorder, advocaat te ’s-Gravenhage, bij beroepschrift aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 7 november 2002, ingediend.
Op 11 maart 2003 en 26 mei 2004 heeft appellant nog medische stukken aan de Raad gestuurd.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op
4 juni 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. De Boorder, voornoemd, en waar gedaagde zich -zoals tevoren was aangekondigd- niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
In dit geding is de vraag aan de orde of gedaagde terecht de uitkering ingevolge de WAO, die was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, met ingang van 7 december 1999 heeft ingetrokken.
In het kader van de als gevolg van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsonge-schiktheidsregelingen (Wet TBA) verplichte herbeoordeling van appellants aanspraken ingevolge de WAO is de mate van appellants arbeidsongeschiktheid door gedaagde opnieuw beoordeeld. De verzekeringarts R. Pels heeft, blijkens zijn rapportage van
3 augustus 1999, de aanwezige gegevens bestudeerd en heeft een gesprek gevoerd met appellant. Bij het vaststellen van de belastbaarheid van appellant heeft de verzekerings-arts rekening gehouden met CARA en angineuze klachten. Daarnaast heeft de ver-zekeringsarts aangegeven dat regelmaat aangeraden wordt (geen nachtdiensten) in verband met diabetes. Vervolgens heeft deze verzekeringsarts op het formulier 'functie systeem AG/AD', gedateerd 3 augustus 1999, de beperkingen van appellant ten aanzien van het verrichten van arbeid aangegeven.
De arbeidsdeskundige R.J.C. Hoogeveen heeft op basis van de aangegeven beperkingen een aantal functies uit het Functie Informatiesysteem geselecteerd. Op basis van vergelijking van het mediane loon van deze functies met het maatmaninkomen heeft de arbeidsdeskundige het loonverlies gesteld op 10%.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard, onder de overweging dat de rechtbank in de overgelegde stukken het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting geen aanknopingspunten heeft kunnen vinden voor het oordeel dat gedaagde van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan.
In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht dat er ten onrechte geen rekening is gehouden met zijn psychische klachten. Hij ontkent bij de verzekeringsarts te hebben verklaard dat hij geen psychische klachten meer heeft. Appellant heeft er daarbij op gewezen dat hij de Nederlandse taal slechts gebrekkig beheerst en dat niet kan worden uitgesloten dat de verzekeringsarts hem niet goed begrepen heeft. Verzocht is over te gaan tot het benoemen van een deskundige.
De Raad overweegt als volgt.
De verzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 3 augustus 1999 onder anamnese het volgende opgenomen:
"Indertijd was er sprake van ernstige psychische problematiek. Vrouw en kinderen waren spoorloos verdwenen in Egypte. Belanghebbende was toentertijd suïcidaal. (…) Op het ogenblik voelt meneer zich prima, de genoemde problematiek heeft zich opgelost."
Blijkens dit rapport heeft de verzekeringsarts bij zijn onderzoek geen evidente tekenen van grove psychopathologie gevonden die ten tijde van belang leidden tot relevante beperkingen. Voorts heeft de verzekeringsarts onderkend dat appellant niet goed Nederlands spreekt, maar dat hij de Engelse taal wel beheerst, zodat er onvoldoende grond is om aan te nemen dat zich bij zijn onderzoek onoverkomelijke communicatieproblemen hebben voorgedaan.
De Raad acht de onderzoeken door de verzekeringsarts toereikend en ziet geen reden om eraan te twijfelen dat op voldoende wijze rekening is gehouden met appellants klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor het verrichten van arbeid. Voor het doen instellen van een nader medisch onderzoek ziet de Raad, gelet op het vorenstaande, geen aanleiding.
Hieruit vloeit voort dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier en uitsproken in het openbaar op 16 juli 2004.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) M.H.A. Uri.
MH