Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ3796

Datum uitspraak2004-07-06
Datum gepubliceerd2004-07-20
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/3780 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

WAO-besluit ten onrechte door rechtbank vernietigd. Rechtbank heeft verzuimd werkgeefster in de gelegenheid te stellen aan de beroepsprocedure deel te nemen.


Uitspraak

02/3780 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv. Appellant heeft bij besluit van 9 augustus 2000 geweigerd aan gedaagde een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Bij besluit van 15 januari 2001 (het bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 9 augustus 2000 ongegrond verklaard. De rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 29 mei 2002, kenmerk: AWB 01/456 WAO, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, met opdracht tot het nemen van een nieuw besluit en met bepalingen inzake vergoeding van griffierecht en proceskosten. Tevens heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding van gedaagde afgewezen. Appellant heeft tegen deze uitspraak op bij aanvullend beroepschrift uiteengezette gronden hoger beroep ingesteld. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingezonden. Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 oktober 2003, waar partijen niet zijn verschenen. De Raad heeft het onderzoek heropend en heeft bij brief van 17 november 2003 de werkgeefster van gedaagde, Cor Segers B.V., de gelegenheid geboden als partij aan het geding deel te nemen. Deze brief is niet beantwoord, ook niet nadat van de zijde van de Raad tweemaal een rappel was uitgestuurd. Daarna heeft de Raad vragen gesteld aan appellant, welke zijn beantwoord. Het geding is andermaal behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 25 mei 2004, waar appellant -met kennisgeving niet is vertegenwoordigd- en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. P.J. van der Meulen, advocaat te Eindhoven, als haar raadsman en M. Melehi als tolk. II. MOTIVERING Gedaagde heeft zich op 17 augustus 1999 ziekgemeld als medewerkster kaasopslag met zwangerschapsklachten en rugklachten. Bij besluit van 9 augustus 2000, in stand gelaten bij het bestreden besluit, heeft appellant geweigerd aan gedaagde na ommekomst van de zogeheten wachttijd op 14 augustus 2000 een uitkering ingevolge de WAO toe te kennen. Dit besluit berust op een onderzoek door de verzekeringsarts G. Sneijders, die daarbij beschikte over een reeks gegevens van de bedrijfsarts C.R. Bel. De verzekeringsarts heeft op basis van de diagnose “rugpijn, aspecifiek, chronisch” voor gedaagde beperkingen vastgesteld, welke de arbeidsdeskundige Th. Mars hebben doen concluderen tot een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15% in verband met de loonwaarde van de middelste van de drie hoogst verlonende, voor gedaagde geschikt geachte, functies. In bezwaar tegen het besluit van 9 augustus 2000 heeft de gemachtigde van gedaagde er onder meer een beroep op gedaan dat gedaagde op 23 augustus en 25 oktober 2000 door de huisarts voor onderzoek was verwezen naar respectievelijk een orthopaed en een neuroloog. De bezwaarverzekeringsarts H.M.Th. Offermans heeft hierop het volgende commentaar gegeven: “Het feit dat de huisarts cliënte thans verwijst voor aanvullend somatisch-specialistisch onderzoek betekent niet dat hiermee een somatische oorzaak voor de klachten is aangetoond, er wordt slechts aanvullend onderzoek verricht ter uitsluiting c.q. bevestiging van mogelijke somatiek.” De rechtbank heeft vervolgens bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit vernietigd op grond van onzorgvuldige voorbereiding, aangezien de bezwaarverzekeringsarts volgens de rechtbank ten onrechte had nagelaten bij de orthopaed en de neuroloog informatie op te vragen. De Raad oordeelt als volgt. De Raad heeft eerder geoordeeld (zie de uitspraak van 24 februari 1999, gepubliceerd in Rechtspraak Sociale Verzekering 1999/111) dat een verzekeringsarts bij het vaststellen van beperkingen op zijn eigen oordeel kan varen, doch de behandelende sector dient te raadplegen in die gevallen waarin een behandeling in gang gezet zal worden of reeds plaatsvindt en die behandeling een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid van de betrokkene, of indien de betrokkene stelt dat de behandelende sector een beredeneerd afwijkend idee heeft over zijn beperkingen. De Raad stelt vast dat de omstandigheden genoemd in deze uitspraak zich in dit geval niet hebben voorgedaan, terwijl ook overigens de Raad niet gebleken is van de noodzaak tot het opvragen van informatie door de verzekeringsarts of de bezwaarverzekeringsarts bij de behandelende sector, mede gelet op de informatie waarover de verzekeringsarts reeds beschikte. Het is de Raad bovendien in dit verband opgevallen dat de bevindingen van de orthopaed en de neuroloog door gedaagde niet in een later stadium in dit geding zijn overgelegd. Weliswaar is van de zijde van gedaagde ter zitting van de rechtbank mededeling gedaan omtrent de uitslag van de betreffende onderzoeken, maar blijkens het rapport van de bezwaarverzekeringsarts G.C.N. Debie van 16 augustus 2002 betroffen die uitslagen geen HNP maar slijtage. Volgens Debie zou deze informatie -ook in retrospectie- niet tot andere inzichten leiden. De Raad stelt verder vast dat de verzekeringsarts die de beperkingen heeft vastgesteld uitgebreid onderzoek heeft verricht, mede aan de hand van de hem ter beschikking gestelde medische gegevens van de bedrijfsarts, die gedaagde langdurig heeft gevolgd. De Raad acht deze onderzoeksgegevens toereikend voor de getrokken conclusies en gaat dan ook van de juistheid van de vastgestelde beperkingen uit, daarbij mede in aanmerking nemend dat deze niet medisch onderbouwd zijn bestreden. Op het punt van de arbeidskundige onderbouwing van het besluit heeft de bezwaararbeidsdeskundige één van de oorspronkelijk geselecteerde functies laten vervallen en de schatting nader doen rusten op de functies assemblage medewerker, fb-code 8463, monteur, fb-code 8538 en monteur (monteuse), fb-code 8539, leidende tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 13, 5%. De gemarkeerde overschrijdingen van de belastbaarheid in deze functies zijn door de verzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige toegelicht. Op het punt van de overschrijdingen op het aspect “zitten” heeft de bezwaararbeidsdeskundige op vragen van de Raad nog een nadere toelichting verstrekt. De Raad acht, het geheel van deze toelichtingen overziende, voldoende aannemelijk dat de functies voor gedaagde geschikt zijn. Ook overigens zijn de Raad geen feiten en omstandigheden gebleken op grond waarvan de arbeidskundige component van de schatting voor onjuist zou moeten worden gehouden. Het vorenstaande brengt mee dat het bestreden besluit in stand kan blijven en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Aan de uitspraak kleeft voorts nog het gebrek dat de rechtbank, nadat de werkgeefster de wens kenbaar had gemaakt in de bezwaarprocedure te worden betrokken, doch geen uitnodiging had ontvangen voor de hoorzitting, heeft verzuimd haar in de gelegenheid te stellen aan de beroepsprocedure deel te nemen. De Raad ziet evenwel geen aanleiding de zaak in verband hiermee terug te wijzen naar de rechtbank, nu de werkgeefster op de onder I vermelde brief van de Raad, waarin deze gelegenheid alsnog is geboden, niet heeft gereageerd. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het inleidend beroep ongegrond. Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van drs. T.R.H. van Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2004. (get.) J.W. Schuttel. (get.) T.R.H. van Roekel. SSw