Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ3787

Datum uitspraak2004-07-16
Datum gepubliceerd2004-07-20
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200405056/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

Bij besluit van 29 juli 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) verzoeker onder oplegging van een dwangsom gelast een paardenbak, twee woonwagens en een varkenskot/schuur te verwijderen van het perceel, kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nr. […], plaatselijk bekend [locatie] te [plaats].


Uitspraak

200405056/2. Datum uitspraak: 16 juli 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van: [verzoeker], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem van 14 juni 2004 in het geding tussen: verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad. 1. Procesverloop Bij besluit van 29 juli 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) verzoeker onder oplegging van een dwangsom gelast een paardenbak, twee woonwagens en een varkenskot/schuur te verwijderen van het perceel, kadastraal bekend gemeente [plaats], sectie […], nr. […], plaatselijk bekend [locatie] te [plaats]. Bij besluit van 2 oktober 2003 heeft het college het besluit van 29 juli 2003, voor zover dit betrekking heeft op de paardenbak, ingetrokken en voorts de geboden begunstigingstermijn verlengd. Bij besluit van 23 maart 2004 heeft het college het door verzoeker tegen het besluit van 29 juli 2003, zoals gewijzigd bij besluit van 2 oktober 2003, gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 14 juni 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker bij brief van 18 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op 21 juni 2004, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 juli 2004, waar verzoeker in persoon, bijgestaan door mr. L.J. van Pelt, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.D.G. Guimaraês, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. In hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht is geen aanleiding te vinden voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de last niet mocht worden opgelegd. 2.2. Gelet hierop, bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. 2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding. 3. Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat. w.g. Troostwijk w.g. Boer Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2004 201.