Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ3780

Datum uitspraak2004-07-16
Datum gepubliceerd2004-07-20
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200404953/1 en 200404953/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

Bij besluit van 25 april 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Uden (hierna: het college) appellant op straffe van een dwangsom gelast om een aantal daar vermelde, aan een pand op het perceel, kadastraal bekend gemeente Uden, sectie […], nummer […], plaatselijk bekend [locatie] te [plaats], aangebrachte, voorzieningen te verwijderen en verwijderd te houden en het gebruik van dit pand voor woondoeleinden te beëindigen en beëindigd te houden.


Uitspraak

200404953/1 en 200404953/2. Datum uitspraak: 16 juli 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 21 mei 2004 in het geding tussen: appellant en het college van burgemeester en wethouders van Uden. 1. Procesverloop Bij besluit van 25 april 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Uden (hierna: het college) appellant op straffe van een dwangsom gelast om een aantal daar vermelde, aan een pand op het perceel, kadastraal bekend gemeente Uden, sectie […], nummer […], plaatselijk bekend [locatie] te [plaats], aangebrachte, voorzieningen te verwijderen en verwijderd te houden en het gebruik van dit pand voor woondoeleinden te beëindigen en beëindigd te houden. Bij besluit van 20 mei 2003 heeft het het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 mei 2004, verzonden op 25 mei 2004, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen doorappellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 12 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op 16 juni 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brieven zijn aangehecht. Tevens heeft appellant de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 28 juni 2004 heeft het college van antwoord gediend. De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juli 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door P.J.H. Kerris, en het college, vertegenwoordigd door H.J.M. Marcus, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar als partij gehoord [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. A.A. Fasting. 2. Overwegingen 2.1. Niet in geschil is dat de voorzieningen, waarop de last ziet, zonder bouwvergunning zijn aangebracht en dat het gebruik van het pand voor woondoeleinden in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, zodat het college tot de last kon besluiten. 2.2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. 2.3. Het betoog van appellant dat de rechtbank zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel ten onrechte heeft verworpen faalt. Weliswaar heeft appellant een lijst met een groot aantal volgens hem gelijk te stellen gevallen overgelegd, doch hij heeft deze lijst niet van enige nadere toelichting voorzien. Zo blijkt onder meer niet, welke planvoorschriften voor de desbetreffende percelen gelden. Daarentegen heeft het college een aanzienlijk deel van de aldus vermelde gevallen onderzocht en gemotiveerd betwist dat deze met dat van appellant gelijk te stellen zijn. Zo is volgens het college in een aantal van de vermelde gevallen wel degelijk handhavend opgetreden en bestond in andere daartoe niet de mogelijkheid. Gelet hierop, moet worden geoordeeld dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt om te kunnen oordelen dat het gelijkheidsbeginsel met het opleggen van de last is geschonden. 2.4. In hetgeen appellant heeft gesteld over de achtergronden van de bewoning van het pand heeft de rechtbank terecht evenmin een bijzondere omstandigheid in de hiervoor bedoelde zin gezien. 2.5. De conclusie is dat de rechtbank terecht tot de slotsom is gekomen dat het college van handhavend mocht optreden, als het heeft gedaan. Van gehoudenheid om de illegale situatie te gedogen is geen sprake. 2.6. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. 2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.8. Gelet hierop, bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. 2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding. 3. Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat. w.g. Loeb w.g. Boer Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2004 201.