
Jurisprudentie
AQ3779
Datum uitspraak2004-07-12
Datum gepubliceerd2004-07-20
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200404950/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Datum gepubliceerd2004-07-20
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200404950/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Indicatie
Bij besluit van 23 januari 1998 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ouder-Amstel (hierna: het college) verzoekster onder oplegging van een dwangsom gelast op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) de exploitatie van de manege en de horecagelegenheid en het gebruik van het terrein als vrachtautoparkeerplaats binnen een week te staken en de aanwezige benzinepomp en autowrakken te verwijderen (last A).
Uitspraak
200404950/2.
Datum uitspraak: 12 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoekster] , gevestigd te [plaats],
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 25 mei 2004 in het geding tussen:
verzoekster
en
het college van burgemeester en wethouders van Ouder-Amstel.
1. Procesverloop
Bij besluit van 23 januari 1998 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ouder-Amstel (hierna: het college) verzoekster onder oplegging van een dwangsom gelast op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel) de exploitatie van de manege en de horecagelegenheid en het gebruik van het terrein als vrachtautoparkeerplaats binnen een week te staken en de aanwezige benzinepomp en autowrakken te verwijderen (last A).
Bij een tweede besluit van 23 januari 1998 heeft het college verzoekster onder oplegging van een dwangsom gelast een aantal daar genoemde interne wijzigingen aan een in dat besluit nader aangeduid gebouw op het perceel ongedaan te maken en het gebouwde in overeenstemming te brengen met een op 5 november 1996 verleende bouwvergunning (last B).
Bij besluit van 10 oktober 2003 heeft het college, onder intrekking van de besluiten van 23 januari 1998, verzoekster onder oplegging van een dwangsom gelast op het perceel het onderhoud en herstel van andere voertuigen dan die, welke bestemd zijn voor agrarisch hergebruik, het in pension houden van paarden en het houden van springwedstrijden en de bewoning van de caravan binnen zes weken te staken. Voorts heeft het gelast de apparatuur voor onderhoud en herstel van andere voertuigen dan die, welke bestemd zijn voor agrarisch gebruik, de opslag van andere vloeistoffen dan die, welke bestemd zijn voor onderhoud en herstel van voertuigen voor agrarisch gebruik, de kansspelautomaten, de alcoholhoudende dranken, de biertapinstallatie en de frituurinstallatie in de kantine, de tegen de opslagloods en africhtingsruimte geplaatste 24 zogenaamde mobiele paardenboxen, het gebruik van het buitenterrein door [belanghebbende A] en [belanghebbende B] alsmede de voormalige woning en de uitbouw van de hooiberging en opslagruimte te verwijderen.
Bij besluit van 9 maart 2004 heeft het college het tegen het besluit van 10 oktober 2003 door verzoekster gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dit besluit gehandhaafd, behoudens ten aanzien van de voormalige woning en de bewoning van de caravan.
Bij uitspraak van 25 mei 2004, verzonden op 26 mei 2004, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door verzoekster ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoekster bij brief van 15 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 29 juni 2004.
Bij brief van 15 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 1 juli 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. T. ter Brugge en [gemachtigde], onderscheidenlijk advocaat te Amsterdam en directeur van verzoekster, en het college, vertegenwoordigd door W.J. Pieterman en H.B. Woltering, onderscheidenlijk wethouder en ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het perceel is gelegen tussen de snelweg A9 en een perceel dat in gebruik is als munitieopslagplaats.
2.2. Verzoekster heeft indertijd tegen de besluiten van 23 januari 1998 bezwaar gemaakt. Het college heeft daarop in afwachting van de beslissing op bezwaar de uitvoering van last B opgeschort. Vervolgens heeft de president van de rechtbank bij uitspraak van 6 maart 1998 het eerste besluit tot oplegging van een last onder dwangsom (last A) geschorst. Het college heeft nadien echter nimmer op de gemaakte bezwaren beslist. Bij voormeld besluit van 10 oktober 2003 heeft het daarentegen de besluiten van 23 januari 1998 ingetrokken en wederom een last onder dwangsom opgelegd.
2.3. Verzoekster betoogt primair dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het besluit van 10 oktober 2003 in strijd is met artikel 6:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Daarnaast betoogt zij onder meer dat niet voor alle onderdelen van de last geldt dat sprake is van een overtreding. Naar het oordeel van de Voorzitter leent de onderhavige procedure zich niet voor beantwoording van met name de eerste vraag. Dit dient in de bodemprocedure te geschieden.
2.4. De uitkomst van deze bodemprocedure is onzeker. Gegeven het feit dat het college verzoekster na de eerste handhavingsbesluiten van 1998 gedurende een periode van bijna zes jaren ongemoeid heeft gelaten, valt niet in te zien dat de uitvoering van de thans in geding zijnde last zodanig spoedeisend is, dat de uitspraak in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Gelet hierop, en in aanmerking nemend dat niet is gebleken van belangen van derden die zich daartegen verzetten, bestaat aanleiding voor het treffen van de na te melden voorlopige voorziening.
2.5. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Ouder-Amstel van 10 oktober 2003 en 9 maart 2004;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Ouder-Amstel in de door verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 678,01, voor een gedeelte groot € 644,00 toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Ouder-Amstel te worden betaald aan verzoekster;
III. gelast dat de gemeente Ouder-Amstel aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 409,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat.
w.g. Van den Brink w.g. Boer
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2004
201.