
Jurisprudentie
AQ3777
Datum uitspraak2004-07-12
Datum gepubliceerd2004-07-20
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200404871/1 en 200404871/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Datum gepubliceerd2004-07-20
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200404871/1 en 200404871/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Indicatie
Bij besluit van 16 februari 2004 heeft appellant geweigerd aan E.C.H. Exploitatie B.V. (hierna: E.C.H.) een erkenning voor het uitvoeren van APK-keuringen voor de categorie voertuigen tot en met 3500 kilogram te verlenen voor de keuringsplaats aan de Gentsevaart 79 te Kapellebrug.
Uitspraak
200404871/1 en 200404871/2.
Datum uitspraak: 12 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:
de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer,
appellant,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Middelburg van 17 mei 2004 in het geding tussen:
E.C.H. Exploitatie B.V., gevestigd te Kapellebrug
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 16 februari 2004 heeft appellant geweigerd aan E.C.H. Exploitatie B.V. (hierna: E.C.H.) een erkenning voor het uitvoeren van APK-keuringen voor de categorie voertuigen tot en met 3500 kilogram te verlenen voor de keuringsplaats aan de Gentsevaart 79 te Kapellebrug.
Bij besluit van 13 april 2004 heeft appellant het daartegen door E.C.H. gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 mei 2004, verzonden op 28 mei 2004, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Middelburg (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door E.C.H. ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 14 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op 15 juni 2004, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 22 juni 2004. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij eerstgenoemde brief heeft appellant de Voorzitter tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juni 2004, waar appellant, vertegenwoordigd door drs. J. Greidanus, ambtenaar bij de Dienst Wegverkeer, en E.C.H., vertegenwoordigd door mr. R. Visser, advocaat te ’s Hertogenbosch, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De Voorzitter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en dat ook overigens geen beletsel bestaat om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.2. Appellant heeft geweigerd E.C.H. een erkenning te verlenen, als gehandhaafd in bezwaar, en dit besluit gebaseerd op de overwegingen – kort samengevat - dat het vertrouwen tussen appellant en E.C.H. is geschonden en dat in de toekomst een efficiënt en effectief toezicht op dit bedrijf onmogelijk zal zijn.
2.3. Appellant betoogt dat de voorzieningenrechter de beslissing op bezwaar ten onrechte heeft vernietigd vanwege strijd met de wet.
2.4. Dit betoog faalt. Met de voorzieningenrechter is de Voorzitter van oordeel dat uit het bepaalde in artikel 84, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) in samenhang met artikel 84, derde lid, van de WVW volgt dat, tenzij de erkenning geweigerd moet worden omdat een reeds aan de aanvrager verleende erkenning is ingetrokken binnen een direct aan de datum van indiening van de aanvraag voorafgaande periode van twaalf weken dan wel – bij twee of meer intrekkingen - van zes maanden, de erkenning moet worden verleend indien aan de erkenningseisen is voldaan. Gelet op evengenoemde bepalingen heeft de voorzieningenrechter met juistheid overwogen dat er geen ruimte bestaat om de erkenning te weigeren vanwege de al dan niet gegronde vrees dat het houden van toezicht in de toekomst onmogelijk zal zijn, als appellant heeft gedaan.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Gelet hierop, bestaat voor het treffen van een voorziening geen aanleiding, zodat het verzoek daartoe moet worden afgewezen.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.I.M. Peute, ambtenaar van Staat.
w.g. Van den Brink w.g. Peute
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2004
391.