
Jurisprudentie
AQ3776
Datum uitspraak2004-07-16
Datum gepubliceerd2004-07-20
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200404786/1 en 200404786/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Datum gepubliceerd2004-07-20
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200404786/1 en 200404786/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Indicatie
Bij besluit van 13 mei 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren (hierna: het college) appellant op straffe van bestuursdwang aangeschreven om binnen drie maanden een zonder bouwvergunning gerealiseerde hondenkennel van het perceel [locatie] te [plaats] te verwijderen.
Uitspraak
200404786/1 en 200404786/2.
Datum uitspraak: 16 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 10 mei 2004 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren.
1. Procesverloop
Bij besluit van 13 mei 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren (hierna: het college) appellant op straffe van bestuursdwang aangeschreven om binnen drie maanden een zonder bouwvergunning gerealiseerde hondenkennel van het perceel [locatie] te [plaats] te verwijderen.
Bij besluit van 27 oktober 2003 heeft het het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, zij het dat het daarbij de formulering van de aanschrijving heeft gewijzigd.
Bij uitspraak van 10 mei 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 10 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Tevens heeft hij de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juli 2004, waar appellant in persoon is verschenen. Het college is met bericht van verhindering niet verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Niet in geschil is dat voor het oprichten van de hondenkennel geen bouwvergunning is verleend en dat het college dus tot de aanschrijving kon besluiten.
2.2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
2.3. Het betoog van appellant dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep op het vertrouwensbeginsel heeft verworpen faalt. Tussen partijen is niet in geschil dat, nadat in eerste instantie de bouwwerkzaamheden waren stilgelegd, de wethouder voor ruimtelijke ordening appellant alsnog mondeling toestemming heeft gegeven de hondenkennel af te bouwen en voorts dat het college deze toestemming bij brief van 11 maart 2002 heeft bevestigd. Naar stellen van het college is deze toestemming echter verleend, toen de bouwwerkzaamheden al zover waren gevorderd, dat alleen nog de ijzeren hekken behoefden te worden geplaatst en wel uitsluitend met het oog op het welzijn van de in de kennel aanwezige honden. De Voorzitter ziet onvoldoende aanleiding om aan dit laatste te twijfelen, gezien ook het feit dat in voormelde brief van 11 maart 2002 tevens de vooraankondiging van handhavend optreden is opgenomen. Dat door de wethouder verdergaande toezeggingen zijn gedaan, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat bij appellant het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat het college van handhaving zou afzien.
2.4. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Gelet hierop, bestaat geen aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorziening.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Boer
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2004
201.