Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ3774

Datum uitspraak2004-07-14
Datum gepubliceerd2004-07-20
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200404386/1
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt. Bij brief van 25 mei 2004, bij de Raad van State ingekomen op 27 mei 2004, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen


Uitspraak

200404386/1. Datum uitspraak: 14 juli 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: [verzoekers], allen wonend te [woonplaats], en het college van burgemeester en wethouders van Helmond, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 27 april 2004, kenmerk NB/250/219, heeft verweerder besloten: - dat op de locatie Kanaaldijk NW 115 (Clercx-Vehobo) te Helmond sprake is van twee gevallen van ernstige bodemverontreiniging, te weten het geval “Kanaalzone”en het geval “Vehobo”; - dat sanering van het geval Vehobo urgent is; de sanering dient binnen vier jaar na het afgeven van deze beschikking te worden gestart; - dat de sanering van het geval Kanaalzone niet urgent is, er wordt geen saneringstijdstip vastgesteld; - dat het gebruik van de bodem, anders dan het in het saneringsplan genoemde gebruik, aan het bevoegd gezag dient te worden gemeld; - in te stemmen met het saneringsplan; - dat de start van de sanering vijf werkdagen van te voren dient te worden gemeld; - dat binnen drie maanden na afloop van de sanering een evaluatierapport ter beoordeling dient te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt. Bij brief van 25 mei 2004, bij de Raad van State ingekomen op 27 mei 2004, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 28 juni 2004, waar verzoekers in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.C. Boelens-Horn, ambtenaar van de gemeente, F. Jonkers en E. Barten, gemachtigden, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 29, eerste lid, onder b, van de Wet bodembescherming stellen gedeputeerde staten naar aanleiding van een melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, in een beschikking vast of sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Ingevolge artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming stellen gedeputeerde staten in een beschikking als bedoeld in artikel 29, eerste lid, waarbij zij vaststellen dat er sprake is van een geval van ernstige verontreiniging, tevens vast of er van urgentie sprake is om het geval te saneren, waarbij zij in ieder geval rekening houden met het risico voor mens, plant of dier als gevolg van blootstelling aan de verontreiniging, gegeven het gebruik van de bodem op het ogenblik waarop de beschikking wordt gegeven. Ingevolge artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming behoeft het saneringsplan onder meer de instemming van gedeputeerde staten, die slechts met het plan instemmen indien door de daarin beschreven sanering naar hun oordeel wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 38 bepaalde. Ingevolge artikel 38, eerste lid, van de Wet bodembescherming dient degene die de bodem saneert de sanering zodanig uit te voeren dat daardoor de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, worden behouden of hersteld, tenzij zich omstandigheden voordoen als bedoeld in het derde lid. Ingevolge artikel 88, eerste en negende lid van de Wet bodembescherming, in samenhang met artikel 1, aanhef en onder n, van het Besluit aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wet bodembescherming, wordt de gemeente Helmond gelijkgesteld met de provincie voor de toepassing van onder meer de artikelen 29, 37 en 39 van de Wet bodembescherming. 2.2. Verzoekers voeren aan dat het onderzoek naar de begrenzing van het te saneren gebied aan de westkant ter hoogte van de percelen gelegen aan de Beethovenlaan op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en derhalve van een onjuiste omvang van het te saneren gebied is uitgegaan. In dat kader betogen zij onder meer dat de boringen in de bodem van de aan de westkant van het Vehobo-terrein gelegen percelen op onvoldoende diepte zijn uitgevoerd, nu deze hoger zijn gelegen dan het desbetreffende terrein. Daarnaast zijn volgens verzoekers de grondmonsters niet conform de richtlijnen geanalyseerd. Tevens is ten onrechte de geluidwal binnen het geval “Kanaalzone” niet nader onderzocht. Dit geldt tevens voor het daar aangrenzende perceel Beethovenlaan 47 en 49. Dit ondanks de overschrijding van de interventiewaarden van chroom, nikkel en zink. Voorts voeren verzoekers aan dat ten onrechte op de aan het te saneren gebied grenzende percelen slechts een visueel onderzoek naar de aanwezigheid van asbest is verricht. 2.2.1. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het onderzoek naar de omvang van het geval van verontreiniging “Vehobo” op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Hij wijst in dat kader op het rapport “Bodemonderzoek naar afperking ophooglaag Kanaaldijk Noord-West Helmond” van 10 november 2003, kenmerk 4266960, van Tauw en de in de loop der jaren verrichte hoogtemetingen in het desbetreffende gebied. Blijkens het rapport van 10 november 2003 betrof het hier in het verleden een moerassig gebied. In 1960 is dit terrein opgehoogd met bouw- en sloopafval en huishoudelijk materiaal. Blijkens de verschillende hoogtemetingen ligt het terrein gemiddeld op gelijke hoogte met de omliggende percelen. Ter vaststelling van de grenzen van deze ophooglaag hebben in de bodem van de omringende percelen boringen plaats gehad tot in de oorspronkelijke, ongeroerde ondergrond. Dit onderzoek is blijkens het rapport van 10 november 2003 uitgevoerd conform de Aangepaste Voorlopige Praktijkrichtlijnen van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. De op deze percelen aangetroffen verontreinigingen en bodemkenmerken komen niet overeen met de in de bodem van het Vehobo-terrein aangetroffen sterke tot zeer sterke bijmenging van puin, glas, plastic, sintels en asbest. De ophooglaag en daarmee de verontreiniging loopt volgens verweerder dan ook niet door in westelijke richting van de locatie gelegen woningen met tuin. Een visueel onderzoek naar asbest is als onderdeel van het bodemonderzoek naar de omvang van het geval van verontreiniging voldoende geacht. Dit omdat deze percelen vallen buiten het geval van verontreiniging in de zin van artikel 1 van de Wet bodembescherming. Ten aanzien van de geluidwal en de daarbij gelegen percelen merkt verweerder op dat in het rapport van 10 november 2003 de bodemkenmerken en de daar aangetroffen verontreinigingen voldoende in kaart zijn gebracht en in de resultaten van dit onderzoek geen aanleiding is gezien om een nader onderzoek noodzakelijk te achten. 2.2.2. Het voorgaande in aanmerking nemende, ziet de Voorzitter op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting in het door verzoekers aangevoerde, noch voor het overige aanleiding om aan de juistheid van het hetgeen verweerder in dit kader in het bestreden besluit naar voren heeft gebracht te twijfelen. Het verzoek treft in zoverre geen doel. 2.3. Verzoekers betogen dat verweerder ten onrechte het geval van verontreiniging “Vehobo” als urgent heeft aangemerkt. Dit omdat het terrein is afgezet met hekwerk en het verwaaien van asbest door de begroeiing is uitgesloten. 2.3.1. Verweerder heeft voor het bepalen van de ernst en urgentie van het geval van verontreiniging “Vehobo” het interim-beleid “asbest in de bodem” van de provincie Noord-Brabant gehanteerd. Blijkens het in dit interim-beleid opgenomen stroomschema, waarmee de urgentie van een geval van verontreiniging kan worden bepaald, dient in een geval als het onderhavige waarbij niet-hechtgebonden asbest in de leeflaag aanwezig is en sprake is van een gebruiksfunctie: “extensief gebruikt groen” bij de beoordeling van de mate van urgentie maatwerk te worden geleverd. Verweerder heeft in dat kader naar voren gebracht dat door de aanwezigheid van niet-hechtgebonden asbest in de bodem en op het maaiveld niet uitgesloten is dat, ondanks de aanwezigheid van begroeiing, verwaaiing van losse asbestdeeltjes naar de nabijgelegen woningen kan plaatsvinden. Hierdoor zijn humane risico’s niet uit te sluiten en is dit geval van verontreiniging urgent. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder de hoogste urgentie-categorie van toepassing geacht. Hetgeen inhoudt dat binnen vier jaar na het van kracht worden van het bestreden besluit met de sanering van geval moet zijn gestart. 2.3.2. Het voorgaande in aanmerking nemende, ziet de Voorzitter in het door verzoekers aangevoerde, noch voor het overige aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid het geval van verontreiniging “Vehobo” urgent heeft kunnen achten. Het verzoek faalt in zoverre. 2.4. Verzoekers betogen dat ten onrechte geen maatregelen zijn beschreven ter voorkoming van overlast als gevolg van het saneren. 2.4.1. Ingevolge artikel 39, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet bodembescherming in samenhang gelezen met artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, sub 8, van de Verordening bodemsanering Helmond dienen in het saneringsplan maatregelen te worden beschreven ter voorkoming of beperking van overlast als gevolg van de sanering. In het saneringplan zijn in paragraaf 5.7 en paragraaf 5.16 maatregelen beschreven ter beperking van hinder en overlast. De Voorzitter overweegt dat er in zoverre dan ook geen grond bestaat voor het oordeel dat ten onrechte geen maatregelen zijn beschreven ter voorkoming van overlast als gevolg van het saneren. Het verzoek treft in zoverre geen doel. 2.5. In hetgeen verzoekers hebben aangevoerd omtrent de ter plaatse aanwezige flora en fauna ziet de Voorzitter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de Flora- en Faunawet en/of de Vogel- en Habitatrichtlijn in het onderhavige geval in de weg staan aan het vaststellen van de ernst van de verontreiniging, de urgentie om het geval te saneren en de instemming met het saneringsplan. Het verzoek faalt in zoverre. 2.6. Verzoekers voeren, kort weergegeven, aan dat bij het nemen van het bestreden besluit ten onrechte geen aandacht is besteed aan het kappen van de houtopstand en meer in het bijzonder de heraanplant van bomen en struiken in het desbetreffende gebied. Verder hebben verzoekers bezwaar tegen het ten onrechte gefaseerd laten verlopen van verschillende (vergunning)procedures. De Voorzitter overweegt dat hetgeen door verzoekers wordt aangevoerd geen betrekking heeft op aspecten die bij de besluitvorming omtrent het vaststellen van de ernst van de verontreiniging, de urgentie om het geval te saneren en het de instemming met het saneringsplan een rol kunnen spelen. Het verzoek faalt in zoverre. 2.7. Voorzover het verzoek van verzoekers zich richt op compensatie van eventuele schade veroorzaakt door en naar aanleiding van de feitelijke uitvoering van de sanering, overweegt de Voorzitter dat bij de besluitvorming omtrent het vaststellen van de ernst van de verontreiniging, de urgentie om het geval te saneren en de instemming met een saneringsplan ook dit aspect geen rol kan spelen. Het verzoek treft in zoverre geen doel. 2.8. Verzoekers hebben bezwaren tegen de realisering van het voorstel tot inrichting van het gebied ter plaatse. De Voorzitter stelt op grond van het verhandelde ter zitting vast dat verzoekers kennelijk in de veronderstelling leven dat als gevolg van het bestreden besluit de toekomstige bestemming van de onderhavige locatie vaststaat. Deze veronderstelling is onjuist. Niet het bestreden besluit maakt de realisering van de voorgestelde inrichting van de desbetreffende locatie mogelijk. Dit dient eerst te worden behandeld in een procedure op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. De bezwaren van verzoekers tegen de realisering van het voorstel tot inrichting van het gebied ter plaatse kunnen in die procedure ten volle aan de orde komen. Dat in de considerans van het bestreden besluit een duiding wordt gegeven van de mogelijke wijze waarop de onderhavige locatie in de toekomst zal worden ingericht, doet aan het vorenstaande niet af. Het verzoek faalt derhalve. 2.9. De Voorzitter ziet op grond van het vorenstaande geen aanleiding om het bestreden besluit te schorsen. 2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat. w.g. Beekhuis w.g. Melse Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2004 191-375.