Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ3773

Datum uitspraak2004-07-15
Datum gepubliceerd2004-07-21
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Leeuwarden
Zaaknummers17/080073-04 VEV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Poging tot doodslag, alcohol, geweldsexplosie, veroordeling


Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden Sector strafrecht VERKORT VONNIS Uitspraak: 15 juli 2004 Parketnummer: 17/080073-04 VEV VONNIS van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte: [verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende te [adres verdachte], thans gedetineerd in PI Noord, gevangenis De Marwei, te Leeuwarden. De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 1 juli 2004. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.M.E. Hamming, advocaat te Drachten. TELASTELEGGING Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen. In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad. BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht het primair telastegelegde bewezen, met dien verstande dat: hij op 27 maart 2004 te Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een mes in de borst (ter hoogte van het hart, althans de hartstreek) heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. KWALIFICATIE Het bewezene levert op het misdrijf: primair: Poging tot doodslag. STRAFBAARHEID VERDACHTE De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. STRAFMOTIVERING De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking: - de aard en de ernst van het gepleegde feit; - de omstandigheden waaronder dit is begaan; - de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, het voorlichtingsrapport en het briefrapport van de psychiater; - de vordering van de officier van justitie tot veroordeling van verdachte terzake het primair telastegelegde tot 20 maanden gevangenisstraf waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar; - het pleidooi van de raadsman. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag. Verdachte leidt als dakloze een zwervend bestaan en bevond zich ten tijde van het delict in een groep personen die eveneens zwervend was. Het delict is gepleegd onder invloed van een grote hoeveelheid alcohol. Er ontstond een onderlinge ruzie, waarbij verdachte het slachtoffer met een mes in de hartstreek heeft gestoken. Uit het rapport van de Dr. Kuno van Dijk Stichting en het briefrapport van de FPD blijkt dat het alcoholgebruik van verdachte een zorgelijke wending heeft genomen, hoewel verdachte daar zelf niet van overtuigd is. Zorgelijk ook acht de rechtbank het feit dat verdachte al enige tijd met een behoorlijk groot mes op zak liep en de uitlatingen van kennissen van verdachte dat hij onder invloed van alcohol zeer agressief kan worden. En verdachte blijkt vaak onder invloed van alcohol te zijn. Voorts kan de rechtbank zich niet aan de indruk onttrekken dat verdachte het gepleegde feit bagatelliseert, hoewel hem nagegeven moet worden dat hij wel de volledige verantwoordelijkheid voor het gepleegde delict op zich neemt. De rechtbank tilt zwaar aan het door verdachte gepleegde feit. Er is niet alleen een slachtoffer gevallen die als de steek met het mes anders was uitgevallen gedood had kunnen worden, ook is hier sprake van een ontoelaatbare geweldsexplosie op klaarlichte dag aan de openbare weg. De rechtbank acht een vrijheidsstraf op zijn plaats voor de duur zoals hierna te bepalen. BENADEELDE PARTIJ [slachtoffer] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte telastegelegde en bewezenverklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. Aan materiële schade wordt een bedrag van ? 250,00 gevorderd ter vervanging van de inbeslaggenomen kleding, te weten een jas, twee truien en een hemd. Nu de waarde van die kleding niet nader wordt onderbouwd en de raadsman de gestelde hoogte daarvan betwist, zal de rechtbank de hoogte van deze schade, ex aequo et bono, vaststellen op ? 100,00, met afwijzing van het meer gevorderde. Daarnaast zal de rechtbank bij dit vonnis bepalen dat de inbeslaggenomen kleding aan de benadeelde partij dient te worden teruggegeven. De benadeelde partij vordert daarnaast een bedrag van ? 2.500,00 terzake geleden immateriële schade. Ook de hoogte van dit bedrag wordt betwist. De rechtbank komt tot het oordeel dat door de benadeelde partij in ieder geval tot een bedrag van ? 750,00 immateriële schade is geleden zodat dit bedrag bij wijze van voorschot zal worden toegekend. Voor het overige zal dit deel van de vordering, als van niet eenvoudige aard, niet-ontvankelijk worden verklaard zodat daarvoor de weg naar de burgerlijke rechter open staat. De rechtbank acht oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor de toegewezen bedragen aangewezen. TOEPASSING VAN WETSARTIKELEN De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht. DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT RECHTDOENDE: Verklaart het primair telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar. Veroordeelt verdachte te dier zake tot: Een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden. Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot drie maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht. Gelast de teruggave aan het slachtoffer, [slachtoffer], van de onder hem inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven jas, t-shirt, rode trui en blauwe trui. Gelast de teruggave aan verdachte van de onder hem inbeslaggenomen en nog niet terug- gegeven kleding, te weten een jack, een sportshirt (merk Umbro), een t-shirt (merk Umbro), een paar schoenen (merk Bewild), een trainingsbroek (merk Umbro), een shirt (merk Division), een paar sokken, een shirt (merk Rags), een sjaal, een stropdas, een trainingsjack (merk Umbro) en een shirt. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer], [adres slachtoffer] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van ? 100,00 (zegge: honderd euro) en tot een bedrag van ? 750,00 (zegge: zevenhonderd en vijftig euro) bij wijze van voorschot. Wijst af een bedrag van ? 150,00, gevorderd terzake materiële schade. Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil. Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te betalen een som geld ten bedrage van ? 850,00 (zegge: achthonderd en vijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 17 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van ? 850,00 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en vice versa, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen. Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. G.C. Koelman en mr. A.A. Lycklama à Nijeholt, rechters, bijgestaan door T.L. Komrij, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 juli 2004. Mrs. Koelman en Lycklama à Nijeholt zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.